Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:101

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
08-01-2021
Datum publicatie
14-01-2021
Zaaknummer
8611895 CV EXPL 20-21366
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Verzet
Inhoudsindicatie

Niet is vast komen te staan dat eiseres in verzet hoofdverblijf in het gehuurde had. Daardoor geen medehuurderschap in de zin van artikel 7A:1623g (oud, nu artikel 7:266) BW en niet hoofdelijk aansprakelijk voor de nakoming van verplichtingen huurovk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
S&E HW 2021/2, UDH:S&E HW/50116 met annotatie van Gerard Scholten
JHV 2021/9 met annotatie van Goeman, R.
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

aRECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 8611895 CV EXPL 20-21366

uitspraak: 8 januari 2021

vonnis in verzet van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Metterwoon Vastgoed B.V.,

gevestigd te ‘s-Gravenhage,

oorspronkelijk eiseres,

gedaagde in verzet,

voor wie drs. P.J. van der Hoek heeft gereageerd,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats gedaagde] ,

oorspronkelijk gedaagde,

eiseres in verzet,

gemachtigde: mr. G.E. van der Pols, advocaat te Rotterdam.

Partijen worden hierna aangeduid als “Metterwoon” en “ [gedaagde] ”.

1. Het verloop van de procedure

1.1.

Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter kennis heeft genomen:

  • -

    het verstekvonnis van 18 juli 2001;

  • -

    het exploot van dagvaarding in verzet van 10 juni 2020;

  • -

    de conclusie van antwoord in oppositie, met drie producties;

  • -

    de conclusie van repliek in oppositie, met productie;

  • -

    de rolbeslissing van de kantonrechter van 23 oktober 2020, waarin is bepaald dat Metterwoon nog mag reageren op de bij conclusie van repliek in oppositie overgelegde productie;

  • -

    de akte uitlaten productie van Metterwoon.

1.2.

De kantonrechter heeft de uitspraak van dit vonnis nader bepaald op heden.

2. De vaststaande feiten

De kantonrechter gaat uit van de volgende feiten.

2.1.

In de procedure met zaaknummer 361967 \ CV EXPL 01-13712 tussen Metterwoon als eiseres en [gedaagde] en haar echtgenoot [naam] (hierna: [naam] ) als gedaagden heeft de kantonrechter te Rotterdam op 18 juli 2001 een verstekvonnis gewezen, waarin – voor zover hier van belang – het volgende staat:

“(..)

Eiseres heeft bij dagvaarding gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, de huurovereenkomst tussen partijen met betrekking tot de woonruimte te [adres] , te ontbinden en gedaagden te veroordelen tot ontruiming van die woonruimte en tot betaling aan eiseres van de door eiseres genoemde bedragen, waarin begrepen ƒ 1.500,00 aan achterstallige huur berekend tot en met de maand juni 2001.

(…)

De kantonrechter:

veroordeelt gedaagden hoofdelijk, des dat de een betalend de ander zal zijn bevrijd, om aan eiseres te betalen f.1.859,26 (eenduizend achthonderdnegenenvijftig gulden en zesentwintig cent) aan achterstallige huur berekend tot en met de maand juni 2001, rente en buitengerechtelijke kosten, vermeerderd met de wettelijke rente over f.1.500,00 vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;

(…)

veroordeelt gedaagden, eveneens hoofdelijk, om aan eiseres te betalen f.500,00 per maand vanaf de maand juli 2001 tot en met de maand waarin de ontruiming plaatsvindt ook die laatste maand voor een gehele te rekenen;

veroordeelt gedaagden in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van eiseres begroot op f.378,93 aan verschotten en f.200,00 aan salaris voor haar gemachtigde;

verstaat dat de in de verschotten begrepen dagvaardingskosten alsmede de buitengerechtelijke kosten zijn te verhogen met de BTW daarover;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

(…)”.

2.2.

Het verstekvonnis is op 25 juli 2001 betekend aan [gedaagde] en [naam] aan het adres [adres] , door middel van achterlating van het exploot in een gesloten enveloppe.

2.3.

Op 14 mei 2020 heeft Metterwoon een afschrift van het verstekvonnis naar de gemachtigde van [gedaagde] toegestuurd.

3. Het geschil

3.1.

[gedaagde] heeft gevorderd haar te ontheffen van de bij voormeld verstekvonnis tegen haar uitgesproken veroordeling en Metterwoon alsnog niet-ontvankelijk te verklaren in haar vorderingen, althans haar deze te ontzeggen, met veroordeling van Metterwoon in de kosten van de verzetprocedure en gelijktijdige ontheffing van de veroordeling in de kosten van de verstekprocedure ten aanzien van [gedaagde] .

3.2.

Daartoe heeft [gedaagde] – zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang – aangevoerd dat zij niet gehouden is tot betaling van de huurachterstand. De woning was alleen verhuurd aan [naam] . [gedaagde] was geen contractuele medehuurder. Evenmin kan aansprakelijkheid worden aangenomen op grond van het destijds geldende artikel 7A:1623g (thans artikel 7:266 lid 1) van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW), omdat [gedaagde] nooit haar hoofdverblijf in het gehuurde heeft gehad.

3.3.

Metterwoon heeft in het kader van haar verweer aangevoerd dat het verzet te laat is ingesteld.

3.4.

De overige stellingen van partijen worden - voor zover althans van belang voor de uitkomst van de procedure - in de beoordeling besproken.

4. De beoordeling

4.1.

Allereerst staat de vraag ter beoordeling of [gedaagde] tijdig in verzet is gekomen. Hiertoe wordt als volgt overwogen.

4.2.

Het verstekvonnis is gewezen onder het vóór 1 januari 2002 geldende Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv (oud)), dat is gewijzigd bij wet van 6 december 2001 tot herziening van het procesrecht voor burgerlijke zaken, in het bijzonder de wijze van procederen in eerste aanleg (Stb. 2001,580). Blijkens het overgangsrecht (artikel VII lid 2 van voormelde wet van 6 december 2001) geldt voor de mogelijkheid van en de termijn voor het aanwenden van rechtsmiddelen tegen beslissingen van vóór de inwerkingtreding van de wet het oude recht.

4.3.

In artikel 81 Rv (oud) was bepaald dat de gedaagde die bij verstek is veroordeeld daartegen verzet zal mogen doen binnen veertien dagen na betekening van het verstekvonnis in persoon of na het plegen door hem van enige daad waaruit noodzakelijk voortvloeit dat het vonnis of de tenuitvoerlegging daarvan hem bekend is (hierna: daad van bekendheid). Buiten deze gevallen was het verzet ontvankelijk totdat het vonnis ten uitvoer was gelegd.

4.4.

Op grond van artikel 81 Rv (oud) geldt in de onderhavige zaak dus een verzettermijn van veertien dagen. Beoordeeld dient te worden wanneer die termijn is gaan lopen. Vaststaat dat het verstekvonnis van 18 juli 2001 niet in persoon is betekend. De verzettermijn is gelet hierop niet met de betekening aangevangen.

4.5.

Vervolgens dient de vraag beantwoord te worden of [gedaagde] enige daad van bekendheid heeft gepleegd. De maatstaf hiervoor is dat de veroordeelde zelf een handeling moet hebben verricht waaruit ondubbelzinnig valt op te maken dat hij over voldoende gegevens beschikt met betrekking tot (de inhoud van) de veroordeling om zich daartegen tijdig en adequaat te kunnen verzetten (Hoge Raad 9 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ0652). Metterwoon heeft daaromtrent gesteld dat [gedaagde] op 14 mei 2020 bekend is geworden met (de inhoud van) het verstekvonnis, omdat op deze datum het vonnis is toegestuurd aan de gemachtigde van [gedaagde] . De verzettermijn is dus geëindigd op 29 mei 2020, aldus Metterwoon.

4.6.

De kantonrechter overweegt dat volgens vaste rechtspraak een daad van bekendheid van een vertegenwoordiger van de veroordeelde buiten rechte – in dit geval een raadsman – op zichzelf niet gelijkgesteld kan worden met een daad van bekendheid van de veroordeelde zelf, ook niet als de vertegenwoordiger daarbij namens de veroordeelde is opgetreden (Hoge Raad 8 april 1994, NJ 1994/755). Nu niet anderszins gesteld of gebleken is dat [gedaagde] op een eerdere datum dan 9 juni 2020, de datum waarop zij naar eigen zeggen met haar gemachtigde telefonisch contact heeft gehad over het verstekvonnis, in voldoende mate bekend is geworden met de inhoud van het verstekvonnis, is het verzet tijdig ingesteld.

4.7.

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat [gedaagde] ontvankelijk is in haar verzet. Dat brengt mee dat de kantonrechter toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van de vordering in verzet.

4.8.

Als onbetwist staat vast dat alleen [naam] de contractuele wederpartij was van Metterwoon met betrekking tot de huurovereenkomst. Tussen partijen is voorts niet in geschil dat [gedaagde] ten tijde van de procedure die tot het verstekvonnis heeft geleid gehuwd was met [naam] . Op grond van artikel 7A:1623g (oud, thans artikel 7:266) BW is de echtgenoot van een huurder van rechtswege medehuurder en als zodanig jegens de verhuurder hoofdelijk aansprakelijk voor de verplichtingen uit de huurovereenkomst. Dit geldt echter alleen zolang de woonruimte de echtgenoot tot hoofdverblijf strekt. Gelet op artikel 150 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering moet Metterwoon stellen en zo nodig bewijzen dat [gedaagde] haar hoofdverblijf in de woning aan de [adres] (hierna: het gehuurde) had.

4.9.

[gedaagde] heeft bij repliek in oppositie aangevoerd dat zij nooit haar hoofdverblijf in het gehuurde heeft gehad en dus nooit medehuurder is geworden. Zij heeft daartoe verwezen naar een uittreksel uit de Basisregistratie Personen van de gemeente Rotterdam waaruit blijkt dat zij nooit op het adres van het gehuurde ingeschreven heeft gestaan. Metterwoon heeft hier vervolgens slechts tegen ingebracht dat zij redenen heeft om aan te nemen dat [gedaagde] destijds zou verblijven in een zogenaamd opvanghuis psychiatrie en dat zij na haar ontslag mogelijk weer zou terugkeren naar het gehuurde. Voorts heeft Metterwoon gesteld dat inschrijving op een bepaald adres niet uitsluit dat men elders daadwerkelijk verblijf houdt en dat daarvan in casu mogelijk sprake is.

4.10.

De kantonrechter is van oordeel dat Metterwoon aldus onvoldoende concrete feiten en omstandigheden gesteld heeft die (indien bewezen) tot het oordeel zouden kunnen leiden dat [gedaagde] – ondanks het feit dat zij daar nooit ingeschreven heeft gestaan – destijds toch haar hoofdverblijf in het gehuurde had. Voor bewijslevering is gelet hierop geen plaats. Dit betekent dat in deze procedure niet vast is komen te staan dat [gedaagde] haar hoofdverblijf in het gehuurde had. [gedaagde] kan daarom niet als medehuurder in de zin van artikel 7A:1623g (oud, thans artikel 7:266) BW gekwalificeerd worden en is, gelet hierop, niet uit dien hoofde aansprakelijk voor de nakoming van de verplichtingen uit de huurovereenkomst.

4.11.

Het verstekvonnis van 18 juli 2001 is gewezen tegen zowel [naam] als [gedaagde] . De kantonrechter vernietigt dit verstekvonnis uitsluitend voor zover het is gewezen tussen Metterwoon en [gedaagde] en beslist voor het overige als hierna vermeld.

4.12.

Metterwoon wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten van [gedaagde] , begroot op € 106,47 aan explootkosten (€ 83,38 voor de dagvaarding in verzet + € 18,48 btw + € 4,61 kosten BRP) en € 600,00 voor het salaris van de gemachtigde in de verzetprocedure (2 punten à € 300,00).

5. De beslissing

De kantonrechter:

vernietigt het onder zaaknummer 361967 \ CV EXPL 01-13712 op 18 juli 2001 gewezen verstekvonnis, uitsluitend voor zover dit tussen Metterwoon en [gedaagde] is gewezen;

en opnieuw rechtdoende:

wijst de vorderingen jegens [gedaagde] af;

veroordeelt Metterwoon in de proceskosten, tot aan deze uitspraak van de zijde van [gedaagde] begroot op een bedrag van € 106,47 aan verschotten en een bedrag van € 600,00 aan salaris voor de gemachtigde;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.M. van Kalmthout en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

44240