Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:10071

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
08-10-2021
Datum publicatie
15-10-2021
Zaaknummer
10/252236-20 en 10/024735-21 (gev.ttz)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Art. 285 Sr, art. 350 Sr, art. 2 OW en art. 359a Sv. Schietincident op klaarlichte dag. Van het incident zijn camerabeelden beschikbaar. Op basis van deze beelden wordt vastgesteld dat verdachte, anders dan hij verklaarde, met een echt vuurwapen heeft geschoten. Omdat de beelden geen duidelijkheid geven over de plek waar de persoon op wie verdachte zou hebben geschoten, zich bevond, kan niet worden geconcludeerd dat sprake is geweest van een poging doodslag. Wel levert het schieten een bedreiging op van die persoon. Verder wordt verdachte veroordeeld voor de vernieling van twee auto’s als gevolg van kogelinslagen en voor het voorhanden hebben van ongeveer 24 kilo harddrugs. Bij dit laatste feit zijn gegevens uit de telefoon van de verdachte als bewijsmiddel gebruikt. Dat het onderzoek aan die telefoon volgens de verdediging onrechtmatig zou zijn geweest omdat de toestemming van de officier van justitie ontbrak wordt niet gevolgd. De officier van justitie heeft namelijk op zitting aangegeven dat wel toestemming is gegeven. De rechtbank heeft geen reden om daaraan te twijfelen. De verdachte heeft niet heeft meegewerkt aan het onderzoek in het Pieter Baan Centrum en ook niet aan het opmaken van een reclasseringsadvies. Er liggen daarom geen adviezen. Aan verdachte wordt dan ook enkel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd voor de duur van 36 maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Parketnummers: 10/252236-20 en 10/024735-21 (gev.ttz)

Datum uitspraak: 8 oktober 2021

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de gevoegde zaken tegen de verdachte:

[naam verdachte],

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte],

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres verdachte],

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Krimpen aan den IJssel,

raadsman mr. L.A.R. Newoor, advocaat te Rotterdam.

1. Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzittingen van 9 juli 2021 en 4 september 2021.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaardingen, zoals deze in de zaak met parketnummer 10/252236-20 op de terechtzittingen overeenkomstig de vorderingen van de officier van justitie is gewijzigd.

De tekst van de gewijzigde tenlastelegging met parketnummer 10/252236-20 en de tekst van de tenlastelegging met parketnummer 10/024735-21 zijn als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3. Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. W.D. van den Berg heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het onder parketnummer 10/252236-20 primair en het onder parketnummer 10/024735-21 ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 jaar met aftrek van voorarrest.

4. Waardering van het bewijs

4.1.

Bewijswaardering

Standpunt verdediging

Door de verdediging is vrijspraak bepleit. Voor zover het schietincident en de vernielingen betreft, is primair aangevoerd dat de verdachte heeft verklaard dat hij niet met een echt vuurwapen kogels heeft afgevuurd, maar slechts een alarmpistool heeft gebruikt om [naam slachtoffer 1] (hierna: [naam slachtoffer 1]) af te schrikken en dat dus geen sprake kan zijn van een poging doodslag en van vernielingen van auto’s door kogelinslagen. Subsidiair is betoogd dat op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld dat de verdachte gericht op [naam slachtoffer 1] heeft geschoten. Ten aanzien van de aangetroffen harddrugs heeft de verdediging naar voren gebracht dat bij de verdachte wetenschap en beschikkingsmacht ontbrak. Over het onderzoek aan de telefoon van de verdachte is aangevoerd dat dit onrechtmatig is geweest, omdat toegang is verkregen tot de inhoud van de telefoon zonder toestemming van de officier van justitie. Dit levert volgens de verdediging een ernstig vormverzuim ex artikel 359a Sv op, dat moet leiden tot bewijsuitsluiting.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie komt tot een bewezenverklaring van de poging doodslag, omdat de verdachte op zijn minst welbewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard [naam slachtoffer 1] potentieel dodelijk letsel toe te brengen door in zijn richting te schieten.

Beoordeling

poging doodslag (10/252236-20, primair)

Vast staat dat op 20 september 2020 een schietincident heeft plaatsgevonden aan de Spangesekade in Rotterdam en dat [naam slachtoffer 1] en de verdachte daarbij betrokken zijn geweest.

Uit de beschikbare camerabeelden volgt achtereenvolgens dat:

  • -

    [naam slachtoffer 1] op enig moment schietbewegingen maakt in de richting van een wegrennende man;

  • -

    [naam slachtoffer 1] vervolgens de andere kant op rent;

  • -

    de verdachte komt aanrennen uit de richting van de man die wegrende;

  • -

    de verdachte een wapen uit zijn auto pakt, dit wapen doorlaadt en dat hij met het wapen voor zich uit gericht rent over het midden van de weg in de richting van waar [naam slachtoffer 1] zich op dat moment moet hebben bevonden.

Op de beelden is verder te zien dat er een rookpluim uit het wapen van de verdachte komt. Daarnaast is op de weg, ter hoogte van waar de verdachte zich bevond, een huls aangetroffen. Ook zijn schotbeschadigingen geconstateerd bij twee auto’s die geparkeerd stonden in de richting waarin de verdachte het wapen richtte.

Aan de hand van het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat het de verdachte is geweest die daar toen heeft geschoten met een vuurwapen. De andersluidende verklaring van de verdachte wordt dan ook niet aannemelijk geacht.

De volgende vraag is: hoe moet dit schieten worden gekwalificeerd?

In beginsel is het handelen van de verdachte -met een vuurwapen schieten op een wijze dat daardoor een of meer personen kunnen worden geraakt in bovenlichaam of hoofd- naar uiterlijke verschijningsvorm gericht op en geschikt tot het toebrengen van potentieel dodelijk letsel. Hierbij moet echter wel kunnen worden vastgesteld dat de verdachte min of meer gericht op [naam slachtoffer 1] heeft geschoten.

De camerabeelden geven wat dat betreft zelfs geen begin van duidelijkheid, omdat op het moment van schieten [naam slachtoffer 1] daar niet op is te zien. Evenmin blijkt uit andere bewijsmiddelen waar [naam slachtoffer 1] zich ten tijde van het schieten door verdachte bevond. Het is evenmin bekend of zich op dat moment in de buurt van [naam slachtoffer 1] andere personen bevonden. De conclusie moet dan ook zijn dat de rechtbank niet kan vaststellen of de verdachte door deze wijze van schieten welbewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij door het schieten dodelijk letsel zou veroorzaken bij [naam slachtoffer 1] en/of andere personen. Hij wordt daarom vrijgesproken van de poging tot doodslag.

Bedreiging (10/252236-20, subsidiair)

Wel levert het hiervoor vastgestelde handelen van de verdachte een bedreiging op door meerdere malen met een vuurwapen in de richting van [naam slachtoffer 1] te schieten. De rechtbank komt dus tot een bewezenverklaring van het subsidiair ten laste gelegde.

Vernielingen (10/024735-21, feit 2)

Ook de ten laste gelegde vernieling van de auto’s acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen. Van de vernielingen is aangifte gedaan en daaruit blijkt onder andere dat de auto’s onbeschadigd zijn weggezet. De verdachte heeft met een vuurwapen meerdere malen op straat geschoten. Door het schieten in een straat waar auto’s geparkeerd staan, heeft hij (op zijn minst) welbewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij door dit handelen schade zou toe brengen aan de daar geparkeerde auto’s.

Drugsbezit (10/024735-21, feit 1)

Betoogd is dat de resultaten van het onderzoek aan de telefoon van het bewijs moeten worden uitgesloten. Dat verweer wordt verworpen. De officier van justitie heeft op zitting aangegeven dat zij mondeling toestemming heeft verleend voor dat onderzoek. Het verzuim beperkt zich tot het niet schriftelijk vastleggen, bijvoorbeeld in het proces-verbaal, dat de officier van justitie toestemming voor het onderzoek had gegeven.

De rechtbank heeft geen reden om te twijfelen dat de vereiste toestemming voor het onderzoek is verleend. Voor zover dus al sprake was van een vormverzuim, is dat verzuim door de mededeling van de officier van justitie op zitting hersteld.

De rechtbank gaat uit van het volgende. Uit observaties is gebleken dat de verdachte op 7 oktober 2020 aanwezig is geweest in de woning aan de [adres]. Bij een doorzoeking op die dag zijn op diverse plekken in de woning verdovende middelen aangetroffen. Door de oom van de verdachte is verklaard dat hij de woning sinds enige maanden aan de verdachte had uitgeleend. Verder zijn op de telefoon van de verdachte diverse chats en foto’s aangetroffen die duidelijk gerelateerd zijn aan activiteiten met betrekking tot verdovende middelen.

Gelet op een en ander, in onderling verband en samenhang bezien, wordt de verklaring van de verdachte dat hij niet in de woning verbleef en niets wist van de harddrugs niet aannemelijk geacht. De rechtbank komt dan ook tot het oordeel dat de verdachte bekend was met de aanwezigheid van de aangetroffen harddrugs en daarover ook kon beschikken. Dit betekent dat het aan hem verweten feit, het opzettelijk aanwezig hebben van harddrugs, wordt bewezenverklaard.

4.2.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder parketnummer 10/252236-20 subsidiair en onder parketnummer 10/02735-21 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

Onder parketnummer 10/252236-20 subsidiair

hij op 20 september 2020 te Rotterdam,

[naam slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door

- meermalen, een vuurwapen, op die [naam slachtoffer 1] te richten envervolgens

- meermalen, met dat vuurwapen kogels heeft afgevuurd in de richting van die [naam slachtoffer 1] ;

Onder parketnummer 10/024735-21

1

hij op 7 oktober 2020 te Rotterdam opzettelijk aanwezig heeft gehad

ongeveer 22480 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende

amfetamine enongeveer 992,4 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende

cocaïne en

ongeveer 218,3 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal

bevattende heroïne,

zijnde amfetamine en cocaïne en heroïne

telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel

aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2

hij op 20 september 2020 te Rotterdam opzettelijk en wederrechtelijk

een auto (Seat Mii met kenteken [kentekennummer 1]), die geheel of ten

dele aan een ander, te weten aan [naam slachtoffer 2] toebehoorde eneen auto (Opel Astra met kenteken [kentekennummer 2]), die geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [naam slachtoffer 3] toebehoorde heeft vernield;

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5. Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

Onder parketnummer 10/252236-20 subsidiair

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

Onder parketnummer 10/024735-21

1.

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet

gegeven verbod;

2.

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen, meermalen gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid

van de feiten uitsluiten.

De verdediging heeft een beroep op noodweer gedaan. De rechtbank verwerpt dat verweer.

Gelet op de hierboven in het hoofdstuk “Beoordeling poging doodslag (10/252236-20),

primair” omschreven feiten en omstandigheden is het bestaan van een noodweersituatie

niet aannemelijk geworden.

De feiten zijn dus strafbaar.

6. Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering straf

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte is er niet voor teruggedeinsd om op klaarlichte dag op straat met een vuurwapen kogels af te vuren om een ander te bedreigen. Die kogels zijn onder ander in twee geparkeerd staande auto’s terecht gekomen. Dit alles gebeurde in het bijzijn van toevallige voorbijgangers en in het zicht van omwonenden. Het spreekt voor zich dat dit handelen van verdachte een gevaarlijke en zeer bedreigende situatie heeft opgeleverd. De gevolgen hiervan hadden echter nog veel erger kunnen zijn. Vuurwapengebruik op de openbare weg op klaarlichte dag veroorzaakt onrust in de samenleving en versterkt gevoelens van onveiligheid. Naast de angst heeft de verdachte door het schieten ook twee auto’s beschadigd en zo schade veroorzaakt voor de eigenaren ervan. Hij heeft door zijn onaanvaardbare gedrag niet alleen laten zien geen respect te hebben voor andermans veiligheid, maar evenmin voor andermans spullen.

Daarnaast heeft de verdachte ongeveer 24 kilo harddrugs in bezit gehad. Het is algemeen bekend dat het gebruik van harddrugs een ontoelaatbaar gevaar oplevert voor de volksgezondheid. De verdachte heeft met zijn gedragingen de veiligheid en gezondheid van anderen in gevaar gebracht. Daarnaast gaat bezit van en handel in harddrugs gepaard met overlast in de samenleving. Het gebruik van harddrugs veroorzaakt op zijn beurt strafbare feiten, onder meer bij de verwerving van middelen voor de bekostiging ervan. Opiumwetmisdrijven, zeker als het gaat om grotere hoeveelheden, leiden niet zelden tot zware delicten zoals schietpartijen, liquidaties en ontvoeringen. De verdachte heeft door het bezit van de harddrugs bijgedragen aan het in stand houden van de illegale handel en gebruik van harddrugs.

De rechtbank heeft een uittreksel uit de justitiële documentatie van 20 april 2021 gezien, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

Psychiater [naam 1] en psycholoog [naam 2] hebben naar aanleiding van het verblijf van verdachte in het Pieter Baan Centrum een rapport opgemaakt, gedateerd 9 juli 2021. Hierin staat onder meer het volgende. De verdachte heeft geweigerd mee te werken aan het onderzoek. Op grond van de collaterale informatie zijn er aanwijzingen voor het bestaan van persoonlijkheidsproblematiek. Binnen de gestructureerde onderzoekssituatie in het Pieter Baan Centrum laat de verdachte geen problemen zien op het gebied van de impulscontrole, de frustratietolerantie en de agressieregulatie, maar onderzoekers hebben geen zicht gekregen hoe dit buiten detentie is. Een persoonlijkheidsstoornis kan derhalve niet worden vastgesteld, doch ook niet worden uitgesloten. Gezien de beperkingen van het onderzoek onthouden onderzoekers zich van een advies.

Verder heeft de rechtbank kennisgenomen van een door Reclassering Nederland opgemaakt rapport van 11 november 2020. Hieraan heeft de verdachte ook niet meegewerkt. Er kan door de reclassering geen inschatting van het recidiverisico bij verdachte worden gemaakt. Wel maakt de reclassering zich steeds meer zorgen omdat de verdachte zich steeds dieper binnen de criminele wereld lijkt te begeven, waarbij de delicten zwaarder worden. Zij onthoudt zich van enig advies.

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Gezien de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur daarvan heeft de rechtbank gekeken naar straffen die in min of meer vergelijkbare zaken zijn opgelegd. Verder is gewicht toegekend aan de zeer ernstige aard en vorm waarin de bewezenverklaarde bedreiging heeft plaatsgevonden. Omdat de hierboven genoemde rapporten geen aanleiding geven tot een voorwaardelijk strafdeel, zal de rechtbank een geheel onvoorwaardelijke straf opleggen. Deze straf valt lager uit dan die door de officier van justitie is gevorderd, omdat de verdachte wordt vrijgesproken van de poging doodslag.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.

8. Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd [naam benadeelde] ter zake van het onder parketnummer 10/024735-21 onder 2 ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 3.146,11 aan materiële schade en van € 3.000,- aan immateriële schade.

Standpunt officier van justitie

De benadeelde partij dient in zijn vordering ten aanzien van de immateriële schade niet-ontvankelijk verklaard te worden. Hij heeft in zijn aangifte niet verklaard dat hij in de auto zat toen er werd geschoten. De materiële schade is voor toewijzing vatbaar.

Standpunt verdediging

De benadeelde partij dient primair in zijn vordering niet-ontvankelijk verklaard te worden, omdat vrijspraak is bepleit. Bij een veroordeling voor de vernieling dient het immateriële deel van de vordering afgewezen te worden.

Beoordeling

Omdat is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door het onder parketnummer 10/024735-21 onder 2 ten laste gelegde bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks materiële schade is toegebracht en de gevorderde schadevergoeding de rechtbank ook overigens niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt en door de verdachte niet is weersproken, zal de vordering worden toegewezen.

Van het deel van de vordering van de benadeelde partij dat betrekking heeft op de immateriële schade, is niet komen vast te staan dat de schade waarvan vergoeding wordt gevorderd rechtstreeks verband houdt met het bewezen verklaarde feit. Niet is namelijk komen vast te staan dat hij zich in de auto bevond toen deze door een kogel werd geraakt. Dit leidt ertoe dat de beoordeling van dit deel van de schade nader onderzoek vraagt. Voor dit nader onderzoek is binnen de kaders van deze strafzaak geen ruimte, zodat dit deel van de vordering om die reden niet-ontvankelijk zal worden verklaard. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 20 september 2020.

Omdat de vordering van de benadeelde partij deels zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Conclusie

De verdachte dient de benadeelde partij een schadevergoeding te betalen van € 3.146,11 vermeerderd met de wettelijke rente en kosten als hieronder in de beslissing vermeld.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 36f, 57, 285 en 350 van het Wetboek van Strafrecht en artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.

10 . Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11. Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte het onder parketnummer 10/252236-20 primair ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder parketnummer 10/252236-20 subsidiair en de onder parketnummer 10/024735-21 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 (zesendertig) maanden;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij , te betalen een bedrag van € 3.146,11 (zegge: drieduizend honderdzesenveertig euro en elf cent), bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 20 september 2020 tot aan de dag der algehele voldoening;

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering;

bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van [naam benadeelde] te betalen € 3.146,11 (hoofdsom zegge: drieduizend honderdzesenveertig euro en elf cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 september 2020 tot aan de dag van de algehele voldoening;

bepaalt dat indien volledig verhaal van de hoofdsom van € 3.146,11 niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 23 dagen;

de toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. V.F. Milders, voorzitter,

en mrs. W.A.F. Damen en L.J.M. Janssen, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. I.V. Wagener, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

Bijlage I

Tekst (gewijzigde) tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

Onder parketnummer 10/252236-20

hij op of omstreeks 20 september 2020 te Rotterdam

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

een tot op heden onbekend gebleven persoon en/of [naam slachtoffer 1]

opzettelijk van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,

meermalen, althans eenmaal, met een vuurwapen (een) kogel(s) heeft afgevuurd op/in de richting van die persoon en/of [naam slachtoffer 1], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

( art 287 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht )

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 20 september 2020 te Rotterdam,

in elk geval in Nederland,

[naam slachtoffer 1] en/of (onbekend gebleven) personen,

heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, door

- meermalen, althans eenmaal, een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp aan die [naam slachtoffer 1] en/of die (onbekend gebleven) personen te tonen en/of op die [naam slachtoffer 1] en/of die (onbekend gebleven) personen te richten en/of (vervolgens)

- meermalen, althans eenmaal, met dat vuurwapen (een) kogel(s) heeft afgevuurd op/in de richting van die [naam slachtoffer 1] en/of die (onbekend gebleven) personen;

( art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht )

Onder parketnummer 10/024735-21

1

hij op of omstreeks 7 oktober 2020 te Rotterdam

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

opzettelijk

aanwezig heeft gehad

ongeveer 22480 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende

amfetamine en/of

ongeveer 992,4 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende

cocaïne en/of

ongeveer 218,3 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal

bevattende heroïne,

zijnde amfetamine en/of cocaïne en/of heroïne

(telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel

aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

( art 10 lid 3 Opiumwet, art 2 ahf/ond C Opiumwet, art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek

van Strafrecht )

2

hij op of omstreeks 20 september 2020 te Rotterdam opzettelijk en wederrechtelijk

een auto (Seat Mii met kenteken [kentekennummer 1]), in elk geval enig goed, dat geheel of ten

dele aan een ander, te weten aan [naam slachtoffer 2] toebehoorde en/of

een auto (Opel Astra met kenteken [kentekennummer 2]), in elk geval enig goed, dat geheel of

ten dele aan een ander, te weten aan [naam slachtoffer 3] toebehoorde

heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;

( art 350 lid 1 Wetboek van Strafrecht )