Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:9969

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
30-09-2020
Datum publicatie
09-11-2020
Zaaknummer
10/155721-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

veroordeling voor overtreden van artikel 6 Wegenverkeerswet tot een taakstraf voor de duur van 150 uren. Veroordeling voor overtreden artikel 5 Wegenverkeerswet, ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 6 maanden, geheel voorwaardelijk, proeftijd 2 jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Parketnummer: 10/155721-19

Datum uitspraak: 30 september 2020

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres verdachte] , [postcode verdachte] [woonplaats verdachte] ,

raadsman mr. S. Visser, advocaat te Rotterdam.

1. Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 30 september 2020.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3. Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. B.M. van Heemst heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het onder 1 en 2 ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte ten aanzien van feit 1 tot een taakstraf voor de duur van 150 uren, subsidiair 75 dagen vervangende hechtenis;

  • -

    veroordeling van de verdachte ten aanzien van feit 2 tot een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 maanden, geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.

4. Waardering van het bewijs

4.1.

Bewezenverklaring zonder nadere motivering

Het onder 2 ten laste gelegde is door de verdachte bekend. Dit feit zal zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard.

4.2.

Bewijswaardering

4.2.1.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft betoogd dat de verdachte erkent harder te hebben gereden dan was toegestaan, maar dat de ten laste gelegde snelheid van 96 km/uur niet wettig en overtuigend uit het dossier volgt. Dit betreft slechts de bovengrens van een indicatie zoals die in de verkeersongevallenanalyse is berekend. Voor het overige heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

4.2.2.

Beoordeling

Vast staat dat de verdachte als bestuurder van een personenauto op 17 november 2018 in [plaats] (op de [plaats delict] ) een verkeersongeval heeft veroorzaakt waarbij de in dat voertuig zittende [naam slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel (een enkelbreuk) heeft opgelopen en verhindering in de uitoefening van zijn normale bezigheden is ontstaan. De verdachte is de controle over het stuur verloren, geslipt, over de kop geslagen en in de naast die weg gelegen sloot terechtgekomen. Alle vier inzittenden zijn met een ambulance naar een ziekenhuis gebracht.

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte de (met een verhoogd plateau aangelegde) kruising met een veel hogere snelheid dan de ter plaatse toegestane maximumsnelheid van 60 km/uur is genaderd en opgereden. Gelet op de verklaringen van de verdachte en getuigen en de berekening in de verkeersongevallenanalyse, gaat de rechtbank uit van een snelheid van ongeveer 80 km/uur. De rechtbank is van oordeel dat de verdachte door met die snelheid de kruising op te rijden en met vier inzittenden de bocht te nemen, aanmerkelijk onvoorzichtig, onachtzaam en met aanmerkelijke verwaarlozing van de geboden zorgvuldigheid heeft gereden. De hiervoor beschreven combinatie van feiten en omstandigheden maakt dat de rechtbank van oordeel is dat de verdachte schuld heeft aan het ontstaan van het ongeval en dat hem om die reden een strafrechtelijk verwijt kan worden gemaakt zoals dat onder feit 1 ten laste is gelegd.

Diezelfde feiten en omstandigheden maken dat de verdachte een gevaar op de weg heeft gevormd zodat ook de onder feit 2 ten laste gelegde overtreding wettig en overtuigend bewezen is.

4.3.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank een opgave gedaan van wettige bewijsmiddelen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Met deze opgave wordt volstaan, nu de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend en geen verweer is gevoerd dat strekt tot vrijspraak. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1.

hij op 17 november 2018 te [plaats] , gemeente [gemeente] , als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door met dat motorrijtuig aanmerkelijk onvoorzichtig en onachtzaam en met aanmerkelijke verwaarlozing van de te dezen geboden zorgvuldigheid te rijden op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de [plaats delict] ,

welk genoemd rijgedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte, toen daar,

- een met een verhoogd plateau aangelegde kruising met een veel hogere snelheid dan de ter plaatse toegestane maximumsnelheid van 60 km/uur is genaderd en opgereden en

- ( aldus rijdende) de controle over dat voertuig is verloren en is geslipt en over de kop is geslagen en

- met dat voertuig in de naast die weg gelegen sloot is terechtgekomen, waardoor de in dat voertuig zittende [naam slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel (te weten een enkelbreuk) werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;

2.

hij op 17 november 2018 te [plaats] , gemeente [gemeente] , als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmee rijdende op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de [plaats delict] , zich zodanig heeft gedragen dat gevaar op die weg werd veroorzaakt;

welk gedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte, toen daar,

- een met een verhoogd plateau aangelegde kruising met een veel hogere snelheid dan de ter plaatse toegestane maximumsnelheid van 60 km/uur is genaderd en is opgereden en

- ( aldus rijdende) de controle over dat voertuig is verloren en is geslipt en over de kop is geslagen en

- met dat voertuig in de naast die weg gelegen sloot is terechtgekomen;

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5. Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

eendaadse samenloop van:

1. overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval

betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht;

2 overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. De feiten zijn dus strafbaar.

6. Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering straf

7.1.

Algemene overweging

De straffen die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feiten waarop de straffen zijn gebaseerd

De verdachte heeft een verkeersongeval veroorzaakt door zich aanmerkelijk onvoorzichtig en onachtzaam in het verkeer te gedragen. Hij is samen met een drietal vrienden in zijn personenauto met een veel hogere snelheid dan was toegestaan de [plaats delict] in [plaats] opgereden. Toen hij wilde uitwijken voor een fietser is de verdachte ter hoogte van een (met een verhoogd plateau aangelegde) kruising de controle over de auto verloren. Hierbij is de personenauto geslipt, meermalen over de kop geslagen en in de naast die weg gelegen sloot terechtgekomen. Alle inzittenden hebben hierbij verwondingen opgelopen, waarbij één van hen zelfs zwaar lichamelijk letsel (een enkelbreuk).

Door zijn handelen heeft de verdachte niet alleen de verkeersveiligheid in gevaar gebracht, maar ook de veiligheid van de inzittenden van zijn auto. Het behoeft geen betoog dat een dergelijk ongeval veel erger had kunnen aflopen. Dat het bij betrekkelijk lichte (lichamelijke) verwondingen is gebleven, is dan ook niet te danken aan de verdachte. Zijn vrienden ondervinden tot op de dag van vandaag nog de gevolgen, ook psychische, van het ongeval. De rechtbank rekent de verdachte dit aan.

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

7.3.1.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 8 september 2020, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

7.3.2.

Rapportage

Reclassering Nederland (de reclassering) heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 23 september 2019. Dit rapport houdt het volgende in.

De reclassering acht verdere reclasseringsbemoeienis in de vorm van toezicht niet geïndiceerd. De verdachte is zeer geschrokken van het ongeval en heeft naar aanleiding daarvan een periode last gehad van nachtmerries en psychosociale klachten. Door middel van behandeling en het verstrijken van de tijd zijn deze verminderd. Hij heeft zijn rijstijl sinds het ongeval aangepast. Op de overige leefgebieden heeft de verdachte zijn zaken goed op orde, zodat verdere ondersteuning niet noodzakelijk wordt geacht.

7.4.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

De rechtbank houdt bij het bepalen van de straf onder andere rekening met het feit dat de verdachte jong is, de omstandigheid dat hij een blanco strafblad heeft, over een fulltime baan beschikt, zijn spijt heeft betuigd en het feit dat de reclassering geen problemen op de leefgebieden heeft geconstateerd. Ook neemt de rechtbank het tijdsverloop in deze zaak in aanmerking. Daarnaast betrekt de rechtbank bij haar overweging de gevolgen die het ongeval heeft gehad - en nog steeds heeft - voor alle betrokkenen. Aangezien de verdachte vanwege zijn werk groot belang heeft bij het behouden van zijn rijbewijs, zal de rechtbank een ontzegging van de rijbevoegdheid voorwaardelijk opleggen. Dit voorwaardelijk strafdeel dient ertoe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen. Daarnaast biedt het de verdachte de kans om, nog langer dan hij tot op heden al heeft gedaan, te laten zien dat hij zijn (rij)gedrag daadwerkelijk heeft aangepast.

Alles afwegend acht de rechtbank een straf overeenkomstig de eis van de officier van justitie – een taakstraf van 150 uur (voor feit 1) en een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van zes maanden (voor feit 2) – passend en geboden.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is de artikelen 14a, 14b, 14c, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 5, 6, 175, 177 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

9. Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

10. Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

bepaalt ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde feit:

veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 150 (honderdvijftig) uren, waarbij de Reclassering Nederland dient te bepalen uit welke werkzaamheden de taakstraf dient te bestaan;

beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 75 (vijfenzeventig) dagen;

bepaalt ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde feit:

ontzegt de verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van 6 (zes) maanden;

bepaalt dat deze ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten en verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 2 (twee) jaren;

tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarde, inhoudende dat de veroordeelde zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig zal maken, niet naleeft.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. R.J.A.M. Cooijmans, voorzitter,

en mrs. W.H.S. Duinkerke en M.J.M. van Beckhoven, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. V.E. Scholtens, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 30 september 2020.

De oudste rechter, jongste rechter en griffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 17 november 2018 te [plaats] , gemeente [gemeente] , als

verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto),

zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval

heeft plaatsgevonden door met dat motorrijtuig zeer, althans aanmerkelijk,

onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam en/of met aanmerkelijke

verwaarlozing van de te dezen geboden zorgvuldigheid te rijden op de voor het

openbaar verkeer openstaande weg, de [plaats delict] ,

welk genoemd rijgedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte, toen daar,

- een met een verhoogd plateau aangelegde kruising met een veel hogere snelheid

dan de ter plaatse toegestane maximumsnelheid van 60 km/uur is genaderd en/of

is opgereden en/of

- ( aldus rijdende) de controle over dat voertuig is verloren en/of (met een snelheid

van ongeveer 96 km/uur) is geslipt en/of over de kop is geslagen en/of

- met dat voertuig in de naast die weg gelegen sloot is terechtgekomen,

waardoor de in dat voertuig zittende [naam slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel (te

weten een enkelbreuk) of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit

tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is

ontstaan;

(art 6 Wegenverkeerswet 1994)

2.

hij op of omstreeks 17 november 2018 te [plaats] , gemeente [gemeente] , als

bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmee rijdende op de voor het

openbaar verkeer openstaande weg, de [plaats delict] , zich zodanig heeft gedragen dat

gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het

verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

welk gedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte, toen daar,

- een met een verhoogd plateau aangelegde kruising met een veel hogere snelheid

dan de ter plaatse toegestane maximumsnelheid van 60 km/uur is genaderd en/of

is opgereden en/of

- ( aldus rijdende) de controle over dat voertuig is verloren en/of (met een snelheid

van ongeveer 96 km/uur) is geslipt en/of over de kop is geslagen en/of

- met dat voertuig in de naast die weg gelegen sloot is terechtgekomen;

(art 5 Wegenverkeerswet 1994)