Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:9949

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
11-09-2020
Datum publicatie
05-11-2020
Zaaknummer
C/10/ 603723 / KG ZA 20-805 (voorlopige voorziening) / C/10/603718 / FA RK 20-6858 (beroep)
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Proces-verbaal
Inhoudsindicatie

Beroep ongegrond verklaard en verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.

Het besluit is onvoldoende gemotiveerd, maar omdat belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld is het besluit op grond van artikel 6:22 Awb in stand gelaten.

Verweerder heeft terecht aangenomen dat de aanwezigheid van verzoeker in de woning tenminste een ernstig vermoeden van gevaar oplevert als bedoeld in artikel 2 van de Wth. Verweerder was bevoegd het huisverbod op te leggen en kon in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik maken.”

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team familie

Reg.nrs.: C/10/ 603723 / KG ZA 20-805 (voorlopige voorziening)

C/10/603718 / FA RK 20-6858 (beroep)

Procesverbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van

11 september 2020 op het verzoek om voorlopige voorziening en het beroep in de zaken tussen

[verzoeker] , verzoeker,

wonende te [postcode] [woonplaats] , [adres] ,

gemachtigde mr. N. Roos.

en

de burgemeester van de gemeente Vlaardingen, verweerder,

gemachtigde mr. L. Mudde,

in welke zaken belanghebbenden zijn:

[naam hospita verzoeker] , de hospita van verzoeker;

[naam zoon hospita] , de zoon van de hospita, geboren op [geboortedatum zoon hospita] 2007,

allen wonende te [postcode] [woonplaats] , [adres] ,

hierna: achterblijvers.

1. Ontstaan en loop van de procedure

1.1.

Bij besluit van 4 september 2020 heeft verweerder een huisverbod opgelegd aan verzoeker.

1.2.

Bij brief van 8 september 2020 heeft verzoeker beroep ingesteld tegen dit besluit (hierna: het bestreden besluit). Tevens heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

1.3.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

1.4.

De minderjarige is gehoord op 10 september 2020.

1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 september 2020.

Aanwezig waren:

 mr. S.C. van Paridon, namens mr. N. Roos;

 verweerder, vertegenwoordigd door mr. L. Mudde.

Verzoeker en achterblijvers zijn niet verschenen.

2. Beslissing

De voorzieningenrechter:

 verklaart het beroep ongegrond,

 wijst het verzoek om een proceskostenveroordeling af,

 wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

3. Overwegingen

3.1.

Het bestreden besluit, het verzoek en het beroep

3.1.1.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder aan verzoeker een huisverbod opgelegd voor de duur van tien dagen op grond van de Wet tijdelijk huisverbod (hierna: Wth). Verweerder heeft hieraan ten grondslag gelegd dat de aanwezigheid van verzoeker in de woning (een vermoeden van) een ernstig en onmiddellijk gevaar (hierna: het gevaar) oplevert voor de veiligheid van één of meer personen die met hem in de woning wonen.

3.1.2.

Het verzoek strekt ertoe de rechtsgevolgen van het bestreden besluit te schorsen voor de resterende duur van het bestreden besluit en verweerder te veroordelen in de kosten van de procedure.

Het beroep strekt ertoe het bestreden besluit te vernietigen en verweerder te veroordelen in de kosten van de procedure.

3.2.

Kortsluiten met afwijzen verzoek voorlopige voorziening

3.2.1.

Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), voor zover hier van belang, kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

3.2.2.

Op grond van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb kan, indien het verzoek om voorlopige voorziening wordt gedaan indien beroep bij de rechtbank is ingesteld en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting, bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, van de Awb, nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, hij onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.

3.2.3.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, zodat hij onmiddellijk uitspraak zal doen op het beroep.

3.3.

Gronden van het beroep

3.3.1.

Verzoeker voert aan dat het bestreden besluit niet deugdelijk is gemotiveerd.

3.3.2.

Op grond van artikel 3:46 Awb moet een besluit berusten op een deugdelijke motivering. Op grond van artikel 3:47, eerste lid van de Awb wordt de motivering vermeld bij de bekendmaking van het besluit.

De motivering die verweerder in zijn verweerschrift heeft gegeven een dag voor de mondelinge behandeling is een motivering die voor verzoeker inzichtelijk maakt waarop het bestreden besluit is gebaseerd. Die motivering had verweerder nog niet gegeven ten tijde van het nemen van het besluit of bijvoorbeeld binnen 48 uur daarna. De voorzieningenrechter is daarom van oordeel dat het besluit onvoldoende is gemotiveerd.

Op grond van artikel 6:22 van de Awb kan een besluit waartegen beroep is ingesteld, ondanks schending van een geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel, in stand worden gelaten indien aannemelijk is dat de belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld. Gelet op de nadere motivering in het verweerschrift, dat voor de zitting is overgelegd, ziet de rechtbank in dit geval aanleiding om het bestreden besluit in stand te laten omdat niet is gebleken dat verzoeker in zijn belangen is geschaad.

3.3.3.

De beroepsgrond faalt.

3.3.4.

Verzoeker voert tevens aan dat geen sprake was van een ernstig en onmiddellijk gevaar of een vermoeden daarvan.

3.3.5.

Op grond van artikel 2, eerste lid, van de Wth, voor zover hier van belang, kan de burgemeester een huisverbod opleggen aan een persoon indien uit feiten of omstandigheden blijkt dat diens aanwezigheid in de woning ernstig en onmiddellijk gevaar oplevert voor de veiligheid van één of meer personen die met hem in de woning wonen of daarin anders dan incidenteel verblijven of indien op grond van feiten of omstandigheden een ernstig vermoeden van dit gevaar bestaat. Het verbod geldt voor een periode van tien dagen, behoudens verlenging overeenkomstig artikel 9.

3.3.6.

De voorzieningenrechter beoordeelt vol of het gevaar blijkt uit de door verweerder geduide feiten of omstandigheden. Als blijkt van dat gevaar, dan was verweerder bevoegd een huisverbod op te leggen. Daarna beoordeelt de rechter terughoudend of verweerder, alle belangen afwegend, in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van die bevoegdheid.

3.3.7.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder terecht aangenomen dat de aanwezigheid van verzoeker in de woning tenminste een ernstig vermoeden van gevaar oplevert als bedoeld in artikel 2 van de Wth. Er was sprake van een incident, waarbij verzoeker uit onvrede achterblijver (de 13-jarige zoon) heeft geslagen en heeft overgoten met een blik bier. Dat is ook af te leiden uit wat verzoeker daarover heeft verklaard. Tussen verzoeker en achterblijvers bestaan grote spanningen. Achterblijfster heeft verklaard dat zij door verzoeker is bedreigd en zij heeft daarnaar gehandeld door zelf de woning uit te gaan. Daarnaast is achterblijfster financieel afhankelijk van verzoeker en heeft verzoeker eerder een huisverbod opgelegd gekregen. Verweerder was derhalve bevoegd om het huisverbod op te leggen en heeft in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik kunnen maken.

3.3.8.

De beroepsgrond faalt.

3.3.9.

Tenslotte moet beoordeeld worden of er op dit moment (ex nunc) aanleiding bestaat om het huisverbod op te heffen. De voorzieningenrechter is van oordeel dat hiervoor op dit moment geen aanleiding bestaat. Verzoeker en achterblijfster hebben afspraken gemaakt, maar die afspraken hebben betrekking op het ophalen van spullen op maandag 14 september 2020, waarbij achterblijvers dan niet in de woning aanwezig zullen zijn. De komende dagen verblijven achterblijvers wel in de woning. Bij een terugkeer eerder dan op maandag 14 september 2020 bestaat er een reële kans op gevaar.

3.3.10.

Het voorgaande betekent dat het beroep ongegrond is.

3.3.11.

Omdat de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak doet in de hoofdzaak, wordt het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.

3.3.12.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Aldus gedaan door mr. J.J. Klomp, voorzieningenrechter, tevens kinderrechter, en door deze en mr. A.F.H. Domenie, griffier, ondertekend.

De griffier: De voorzieningenrechter:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak, voor zover die ziet op het beroep, kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Afschrift verzonden op: