Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:9946

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
16-10-2020
Datum publicatie
05-11-2020
Zaaknummer
8012427 / CV EXPL 19-37645
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Hulploon.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer / rolnummer: 8012427 / CV EXPL 19-37645

uitspraak: 16 oktober 2020

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

1. de vennootschap onder firma

[eiser 1] ,

gevestigd te [vestigingsplaats eiser 1] ,

2. [eiser 2],

wonende te [woonplaats eiser 2] ,

3. [eiser 3],

wonende te [woonplaats eiser 3] ,

4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiser 4] ,

gevestigd te [vestigingsplaats eiser 4] ,

eisers bij exploot van dagvaarding van 22 augustus 2019,

gemachtigde mr. D. Komen te Rotterdam,

tegen

1. de vennootschap onder firma

[gedaagde 1] ,

gevestigd te [vestigingsplaats gedaagde 1] ,

2. [gedaagde 2],

wonende te [woonplaats gedaagde 2] ,

3. [gedaagde 3],

wonende te [woonplaats gedaagde 3] ,

gedaagden hebben schriftelijk gereageerd.

1. De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 22 augustus 2019 met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord met producties;

  • -

    het vonnis van de kantonrechter van 11 november 2019 waarbij een comparitie van partijen is gelast;

  • -

    de brief van de kantonrechter van 28 februari 2020 met datumbepaling voor de comparitie van partijen;

  • -

    de brief van de kantonrechter van 15 mei 2020 waarin wordt aangekondigd dat door onvoorziene omstandigheden (de uitbraak van het corona virus) de zitting niet doorgaat en de zaak naar de rol wordt verwezen voor conclusies van re- en dupliek;

  • -

    de conclusie van repliek;

  • -

    de conclusie van dupliek.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1.

Eisers drijven een sleep- en bergingsbedrijf en maken daarbij gebruik van hulpverleningsvaartuig “ [naam vaartuig 1] ”.

2.2.

Gedaagden zijn eigenaar van het zeiljacht de “ [naam vaartuig 2] ” dat gebruikt wordt voor de verhuur. De “ [naam vaartuig 2] ” is 7,76 meter lang, 2,76 meter breed, heeft een diepgang van 0,90 meter en is gebouwd in 1992.

2.3.

Op 29 juni 2018 liep de “ [naam vaartuig 2] ” vast aan de grond nabij de vaargeul bij Gaast, gelegen aan het IJsselmeer. De (bemanning van) “ [naam vaartuig 1] ” heeft de “ [naam vaartuig 2] ” losgetrokken. De schipper van de " [naam vaartuig 2] " (hierna: de schipper) heeft, nadat de " [naam vaartuig 2] " was losgetrokken, een hulpverleningsovereenkomst van eisers ondertekend.

2.4.

Een verklaring van de schipper luidt – voor zover relevant – als volgt:

“Ik heb eerst naar de havenmeester van jachthaven ‘Soal gebeld; die zei dat ik de kustwacht KNRM moest bellen (…).

Een paar minuten later kwam er al een rubberboot aan met 4 mannen waarvan 1 aan boord kwam en zei dat hij ons los ging trekken en dat er later 1 van hen aan boord zou komen om verdere gegevens op te nemen. (…) Op onze vraag wat het zou kosten gaf die man die als eerste aan boord kwam geen antwoord en degene die later aan boord kwam ook niet, ook niet bij benadering; iemand op hun kantoor zou dat beoordelen.

Omdat wij die dag de boot weer zouden inleveren (…) en anders in tijdnood zouden komen, hebben we geaccepteerd dat zij ons los zouden trekken.

Na het lostrekken werd de motor gestart (we hadden het zeil natuurlijk al meteen na vastlopen opgeborgen) en brachten ze ons eerst een heel stuk het IJsselmeer weer op en daarna tot ruim in de vaart naar Workum (voorbij de jachthavens); we hebben gevraagd waarom dat nodig was omdat we zelf ook wel dat stuk konden varen. Dat zou nodig zijn om tijd te hebben alle gegevens te noteren; maar die hadden ze ons ook al eerder gevraagd.

(…)

Het was windkracht 4 opstekend naar 5, we hadden 1 maal gereefd. (…)”

2.5.

Bij brief van 19 oktober 2018 heeft de raadsman van eisers gedaagden gesommeerd om uiterlijk 2 november 2018 een bedrag van € 2.250,00 aan hulploon te voldoen, vermeerderd met een bedrag aan buitengerechtelijke kosten, bij gebreke waarvan eisers rechtsmaatregelen zouden treffen.

2.6.

Gedaagden hebben een voorstel tot betaling van € 250,00 gedaan, welk voorstel niet door eisers is geaccepteerd.

3. Het geschil

3.1.

Eisers vorderen samengevat - hoofdelijke veroordeling, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, van gedaagden tot betaling van € 2.500,00 aan hulploon, te vermeerderen met de wettelijke (handels)rente vanaf 30 juni 2018, althans 10 oktober 2018, althans 19 oktober 2018, althans vanaf de dag van dagvaarding, en tot betaling van buitengerechtelijke incassokosten, vermeerderd met de wettelijke (handels)rente, met veroordeling van gedaagden in de (na)kosten van het geding. De hoogte van het hulploon gronden eisers op artikel 8:563 BW.

3.2.

Gedaagden concluderen tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van eisers in de kosten van het geding.

Gedaagden betwisten dat er een noodzaak was tot hulpverlening en betwisten voorts de hoogte van het gevorderde hulploon.

4. De beoordeling

4.1.

Tussen partijen staat vast dat de schipper een hulpverleningsovereenkomst heeft getekend nadat de " [naam vaartuig 2] " was losgetrokken door de " [naam vaartuig 1] ". Gedaagden hebben tegen de stelling van eisers, dat de schipper deze overeenkomst heeft gesloten namens gedaagden, aangevoerd dat vanwege het ontbreken van gevaar of verslechterende omstandigheden zij eerst de gelegenheid hadden moeten krijgen om zich over de aangeboden hulp te beraden. Gedaagden hebben daarmee echter in algemene zin niet betwist dat de schipper, namens gedaagden als eigenaren van de " [naam vaartuig 2] " een hulpverleningsovereenkomst hadden mogen sluiten. Daarbij neemt de kantonrechter ook in aanmerking dat de wetgever in artikel 8:563 lid 3 BW heeft bepaald dat hulploon (enkel) is verschuldigd door de reder, ofwel eigenaar van een schip. Dat eisers niet vooraf aan gedaagden hebben gevraagd of zij in konden stemmen met de hulpverlening, is dan ook geen reden om aan te nemen dat er geen geldige hulpverleningsovereenkomst is gesloten namens gedaagden.

4.2.

Gedaagden hebben voorts aangevoerd dat de hulpverleningsovereenkomst onder misleiding, dan wel misbruik van omstandigheden tot stand is gekomen. De schipper bevond zich in een onbekende en onaangename positie waarbij hij overrompeld werd door eisers. Zijn vragen over de kosten van de hulpverlening werden niet beantwoord door eisers en er was sprake van een verre van normale onderhandelingspositie met een ongelijk speelveld, aldus gedaagden. Eisers betwisten dat de hulpverleningsovereenkomst niet uit vrije wil zou zijn gesloten, waarbij zij zich onder meer beroepen op de onder 2.4 weergegeven verklaring van de schipper.

Naar het oordeel van de kantonrechter kan op grond van deze verklaring van de schipper niet worden vastgesteld dat er sprake is van dusdanig bedrog of misbruik van omstandigheden als bedoeld in artikel 3:44 BW op grond waarvan de hulpverleningsovereenkomst moet worden vernietigd. Uit de verklaring van de schipper blijkt dat hij vanwege het feit dat hij de " [naam vaartuig 2] " die dag moest inleveren bij gedaagden, ervoor heeft gekozen het hulpaanbod van eisers te accepteren, ook met de wetenschap dat het hulploon nog niet vast stond.

4.3.

De kantonrechter zal dan ook uitgaan van het bestaan van een hulpverleningsovereenkomst tussen partijen. Vast staat dat in de hulpverleningsovereenkomst geen bedrag aan hulploon is vastgesteld. Tussen partijen is in dit kader in geschil op welk hulploon eisers recht hebben.

4.4.

Volgens artikel 8:563 lid 1 BW wordt – indien partijen het hulploon niet bij overeenkomst hebben vastgesteld – het hulploon vastgesteld door de (kanton)rechter. Ingevolge artikel 8:563 lid 2 BW wordt het bedrag van het hulploon vastgesteld rekening houdend met de volgende criteria:

a. de geredde waarde van het schip en de andere goederen;

b. de vakkundigheid en inspanningen van de hulpverleners, betoond bij het voorkomen of
beperken van schade aan het milieu;

c. de mate van de door de hulpverleners verkregen gunstige uitslag;

d. de aard en ernst van het gevaar;

e. de vakkundigheid en inspanningen betoond door de hulpverleners bij de redding van het
schip, de andere zaken en mensenlevens;

f. de door de hulpverleners gebruikte tijd, gemaakte kosten en geleden verliezen;

g. het risico van aansprakelijkheid en andere door de hulpverleners of hun uitrusting gelopen
risico's;

h. de snelheid van de verleende diensten;

i. de beschikbaarheid en het gebruik van schepen of andere voor hulpverlening bestemde
uitrusting;

j. de staat van gereedheid alsmede de doelmatigheid en de waarde van de uitrusting van de
hulpverleners.

4.5.

De kantonrechter zal deze criteria hierna toepassen op het vlottrekken van de " [naam vaartuig 2] ".

4.5.1.

ad a: ter onderbouwing van de waarde van de " [naam vaartuig 2] " beroepen eisers zich op verkoopadvertenties van zeiljachten van hetzelfde type als de " [naam vaartuig 2] " waaruit volgens hen blijkt dat de waarde EUR 20.000,- is. Gedaagden betwisten deze waarde gemotiveerd en stellen dat de " [naam vaartuig 2] " momenteel te koop is voor EUR 14.000,-, waarbij de vraagprijs EUR 16.000,- is. Eisers betwisten de door gedaagden genoemde verkoopbedragen niet maar wijzen er wel – terecht – op dat uitgegaan moet worden van de waarde tijdens de hulpverlening. De kantonrechter gaat er daarom vanuit dat de " [naam vaartuig 2] " (iets) meer waard was ten tijde van de hulpverlening dan de EUR 14.000,- die het schip volgens gedaagden tijdens deze procedure waard is. De kantonrechter stelt de waarde vast op EUR 16.000,-

4.5.2.

ad b: deze omstandigheid is niet relevant.

4.5.3.

ad c: vast staat tussen partijen dat de " [naam vaartuig 2] " door eisers is vlot getrokken, dat het zeiljacht zijn weg heeft kunnen vervolgen en dat er geen sprake was van schade aan het jacht.

4.5.4.

ad d: partijen zijn verdeeld over de vraag of er sprake was van gevaar, en zo ja, in welke mate. Eisers stellen in dit kader dat het windkracht 5 was en dat de golven beukten op de vastgelopen " [naam vaartuig 2] ". Doordat de " [naam vaartuig 2] " was vastgelopen stootte het zeiljacht dikwijls met haar romp, kiel en roer tegen de bodem. Eisers wijzen er voorts op dat de schipper niet zelf los kon komen en het KNRM alarmnummer heeft gebeld om hulp te vragen.

Gedaagden betwisten dat er sprake was van een gevaarlijke situatie. Volgens hen was er sprake van goed zeilweer, zoals volgt uit de verklaring van de schipper en het als productie 2 bij conclusie van antwoord overgelegde SOS-formulier van de Centrale Meldpost IJsselmeer waarop een windkracht 3 is vermeld. Volgens gedaagden blijkt ook uit de als productie 7 door eisers overgelegde foto van de " [naam vaartuig 2] ", die genomen is ten tijde van de hulpverlening, dat het water niet op het zeiljacht beukte. Gedaagden wijzen er voorts op dat het mogelijk was geweest om de " [naam vaartuig 2] " – zonder hulp van eisers – los te krijgen en dat er geen sprake was van een noodoproep door de schipper.

De kantonrechter gaat er met gedaagden vanuit dat de weeromstandigheden niet dusdanig heftig waren dat er sprake was van een groot gevaar voor de (bemanning van) " [naam vaartuig 2] " op het moment van vastlopen. Op de door eisers overgelegde foto valt te zien dat er sprake is van kleine golven, waarbij slechts een enkele golf een kop heeft en dat de " [naam vaartuig 2] " zo goed als rechtop ligt met gestreken zeilen. Ook uit het SOS-formulier en de verklaring van de schipper volgt dat de windkracht niet al te sterk was. De kantonrechter leidt uit de verklaring van de schipper, en de door hem gedane hulp-oproepen, echter ook af dat het hem niet lukte om de " [naam vaartuig 2] " zelf los te trekken. Dus ook al zou het een ervaren zeiler mogelijk wel zijn gelukt om op eigen kracht weg te komen van de zandplaat waarop de " [naam vaartuig 2] " terecht was gekomen, dit was kennelijk niet het geval voor de schipper die hulp van eisers accepteerde teneinde los te komen. De kantonrechter gaat er daarom van uit dat er voor de schipper – en dus voor de " [naam vaartuig 2] " – op 29 juni 2018 sprake was van enige mate van gevaar, maar in geringe mate.

4.5.5.

ad e: tussen partijen is niet in geschil dat de 4-koppige bemanning van de " [naam vaartuig 1] " snel ter plaatse was en de " [naam vaartuig 2] " – zonder verdere schade – heeft losgetrokken. Gedaagden betogen nog dat de bemanning niet bijzonder vakkundig was, maar daarvan blijkt niets uit de verklaring van de schipper zodat de kantonrechter aan die stelling voorbij gaat en ervan uitgaat dat eisers afdoende vakkundig zijn opgetreden.

4.5.6.

ad f: tussen partijen staat vast dat op 29 juni 2018 omstreeks 11.40 uur door en/of namens de schipper melding is gedaan van het vastlopen van de " [naam vaartuig 2] ". Eveneens staat vast dat de " [naam vaartuig 1] " snel daarna ter plaatse was. In de dagvaarding stellen eisers dat de hulpverleningsoperatie omstreeks 12.10 uur was voltooid. Zij stellen voorts omstreeks 12.40 uur weer terug in hun station te Makkum te zijn, zodat zij uitgaan van één uur aan hulpverlening. Gedaagden voeren daartegen aan dat volgens de schipper de " [naam vaartuig 1] ", in het half uur dat de operatie zou hebben geduurd, de " [naam vaartuig 2] " een stuk verder het IJsselmeer op heeft gesleept dan nodig was aangezien de " [naam vaartuig 2] ", eenmaal losgetrokken, zelf weer op de motor de haven in kon varen. Eisers hebben dit niet betwist, zodat de kantonrechter daar ook vanuit gaat. Gedaagden wijzen er voorts op dat de " [naam vaartuig 1] " binnen vijf minuten ter plaatse was zodat als terugreis-tijd ook niet meer dan vijf minuten moet worden gerekend. De kantonrechter zal gedaagden ook hierin volgen. De kantonrechter gaat dan ook, gelet op hetgeen partijen hebben aangevoerd, uit van een hulpverleningstijd van in totaal 30 minuten, inclusief nawerk en reistijd van de " [naam vaartuig 1] ".

De kantonrechter zal wat betreft de gemaakte kosten eisers volgen in het door gedaagden niet betwiste uurloon van EUR 45,- per bemanningslid, hetgeen in totaal op EUR 90,- aan personeelskosten neerkomt voor vier man bemanning. Voor brandstof zal de kantonrechter uitgaan van een lager bedrag dan de gestelde EUR 76,96 – en wel van EUR 30,- – , nu uitgegaan wordt van een kortere duur van de terugreis dan waarvan eisers uitgaan in hun vordering. Eisers hebben onvoldoende inzichtelijk gemaakt hoe zij hun overheadkosten, waarvan de hoogte door gedaagden wordt betwist, hebben berekend om de door hen gestelde kosten over te nemen. De kantonrechter schat de overheadkosten voor deze hulpverleningsoperatie in op EUR 50,-.

4.5.7.

ad g: gesteld noch gebleken is dat sprake was van een voor de " [naam vaartuig 1] " en haar bemanning risicovolle operatie. Het feit dat de " [naam vaartuig 1] " in eerste instantie zelf is vastgelopen op de zandplaat waarop de " [naam vaartuig 2] " vast zat, maakt niet dat de hulpverlening risicovol was.

4.5.8.

ad h: de hulpverlening is snel gestart en snel afgerond.

4.5.9.

ad i: eisers hebben erop gewezen dat de " [naam vaartuig 1] " een speciaal voor ondiepten uitgerust schip is en 24 uur per dag, gedurende 365 dagen per jaar paraat is. De zandplaat bij de ingang van de haven is een gevaarlijke plek waar geregeld (zeil)jachten vastlopen. Met de 24-uurs beschikbaarheid wordt het algemeen belang gediend, aldus eisers. De kantonrechter zal eisers in dit betoog volgen en neemt daarbij in aanmerking dat het hulploon mede wordt vastgesteld met het oog op het aanmoedigen van hulpverlening.

4.5.10.

ad j: eisers hebben onbetwist gesteld dat de waarde van de " [naam vaartuig 1] " EUR 80.000,- is en het een speciaal uitgerust hulpverleningsvaartuig betreft met geringe diepgang, zodat de kantonrechter daar ook vanuit zal gaan.

4.6.

Alles afwegende komt de kantonrechter op een hulploon van EUR 350,-. Daarbij wordt aangetekend dat een hoger bedrag zou zijn vastgesteld indien met het vlottrekken van de " [naam vaartuig 2] " meer tijd, kosten en risicovollere inspanningen zouden zijn verricht dan nu het geval is geweest en de " [naam vaartuig 2] " een hogere waarde had gehad dan het geval is.

4.7.

De gevorderde wettelijke handelsrente over het hulploon wordt als gevorderd en niet zelfstandig bestreden toegewezen vanaf 2 november 2018. Dit is de dag waartegen gedaagden waren aangemaand om tot betaling van hulploon over te gaan.

4.8.

Uit de processtukken blijkt dat er namens eisers buitengerechtelijke incasso-werkzaamheden zijn ondernomen die voor vergoeding in aanmerking komen. Ingevolge de Wet normering buitengerechtelijke incassokosten wordt de vergoeding berekend als percentage (te weten 15%) van het bedrag dat gedaagden verschuldigd zijn aan eisers, hetgeen neerkomt op het bedrag van EUR 52,50,-. Dit bedrag zal worden toegewezen. De gevorderde wettelijke handelsrente over dit bedrag zal worden afgewezen nu deze rente uitsluitend betrekking heeft op de primaire betalingsverbintenis uit de handelsovereenkomst, waarvan geen sprake is. In plaats daarvan zal de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW over de buitengerechtelijke incassokosten worden toegewezen vanaf de dag der dagvaarding.

4.9.

Nu partijen over en weer in het ongelijk zijn gesteld, compenseert de kantonrechter de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

5. De beslissing

De kantonrechter

5.1.

veroordeelt gedaagden om ter zake van hulploon aan eisers te betalen een bedrag van € 350,00 (driehonderdvijftig euro), te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in art. 6:119a BW over het toegewezen bedrag met ingang van 2 november 2018 tot de dag van volledige betaling,

5.2.

veroordeelt gedaagden om ter zake van vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten aan eisers te betalen een bedrag van € 52,50, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over het toegewezen bedrag met ingang van 22 augustus 2019 tot de dag van volledige betaling,

5.3.

compenseert de kosten van het geding in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

5.4.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Witkamp en in het openbaar uitgesproken op 16 oktober 2020.

47295/21915