Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:9780

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
04-11-2020
Datum publicatie
04-11-2020
Zaaknummer
ROT 20/2237
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Vereenvoudigde behandeling
Inhoudsindicatie

Uit vaste rechtspraak van de CRvB volgt dat uit een oogpunt van rechtsbescherming het naar aanleiding van een besluit binnen de bezwaartermijn indienen van een brief als bezwaarschrift wordt aangemerkt en het buiten die termijn indienen van een brief als een herzieningsverzoek (bijv. ECLI:NL:CRVB:2005:AU1603 en ECLI:NL:CRVB:2005:AT3785). Voorts is in een eerdere uitspraak van de CRvB overwogen dat onherroepelijkheid geen maatstaf vormt voor het kunnen doen van een herzieningsverzoek in de zin van artikel 4:6 Awb, dit in het licht van de mogelijkheden die artikel 6:19 Awb biedt (ECLI:NL:CRVB:1999:AA5103; zie voorts ECLI:NL:CRVB:2013:BZ8544). Om die reden heeft de griffier het herzieningsbesluit, die ziet op de toepassing van artikel 4:6 Awb, doorgezonden naar de CRvB waar het hoger beroep liep inzake de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar tegen dezelfde handelingen in de zin van artikel 79 Participatiewet als waarop het herzieningsverzoek ziet. Omdat de CRvB het herzieningsbesluit niet heeft aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 6:19 Awb, zal de rechtbank alsnog uitspraak doen over het beroep niet tijdig beslissen, in welke procedure het herzieningsbesluit moet worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 6:20 Awb.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 20/2237

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 november 2020 als bedoeld in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht in de zaak tussen

[Naam], te [Plaats], eiseres,

gemachtigde: mr. K.M. van der Boor,

en

het college van burgemeester en wethouders van Vlaardingen, verweerder.

Procesverloop

Eiseres heeft op 27 april 2020 beroep ingesteld wegens het niet tijdig nemen van een besluit op haar aanvraag van 9 maart 2017 om herziening van haar uitkeringsspecificaties en bijbehorende betalingen over de jaren 2014 tot en met 2017.

Bij besluit van 11 mei 2020 (het herzieningsbesluit) heeft verweerder het herzieningsverzoek afgewezen, omdat geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden.

De griffier van de rechtbank heeft het beroepschrift en het herzieningsbesluit met toepassing van artikel 6:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) doorgestuurd naar de Centrale Raad van Beroep (de Raad) in verband met een bij de Raad aanhangig hoger beroep van eiseres tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 22 augustus 2018 (ECLI:NL:RBROT:2018:6871).

Bij brief van 6 oktober 2020 heeft de griffier van de Raad de rechtbank bericht dat het herzieningsbesluit door de Raad niet wordt aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 6:19 van de Awb en het beroepschrift om die reden teruggezonden naar de rechtbank.

Overwegingen

1. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Awb uitspraak zonder zitting.

2. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen de “uitkeringsspecificaties over de jaren 2014 tot en met 2017” voor zover deze betrekking hebben op de inhoudingen van de inkomsten uit arbeid bij haar voormalige werkgever. Verweerder heeft deze bezwaren niet-ontvankelijk ontvankelijk verklaard. Het hiertegen gerichte beroep heeft deze rechtbank ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 29 september 2020 (ECLI:NL:CRVB:2020:2402) heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

3. Uit vaste rechtspraak van de Raad volgt dat uit een oogpunt van rechtsbescherming het naar aanleiding van een besluit binnen de bezwaartermijn indienen van een brief als bezwaarschrift wordt aangemerkt en het buiten die termijn indienen van een brief als een herzieningsverzoek (bijv. ECLI:NL:CRVB:2005:AU1603 en ECLI:NL:CRVB:2005:AT3785). Voorts is in een eerdere uitspraak van de Raad overwogen dat onherroepelijkheid geen maatstaf vormt voor het kunnen doen van een herzieningsverzoek in de zin van artikel 4:6 van de Awb, dit in het licht van de mogelijkheden die artikel 6:19 van de Awb biedt (ECLI:NL:CRVB:1999:AA5103; zie voorts ECLI:NL:CRVB:2013:BZ8544). Om die reden heeft de griffier het herzieningsbesluit, die ziet op de toepassing van artikel 4:6 van de Awb, doorgezonden naar de Raad waar het hoger beroep liep inzake de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar tegen dezelfde handelingen in de zin van artikel 79 van de Participatiewet als waarop het herzieningsverzoek ziet. Omdat de Raad het herzieningsbesluit niet heeft aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 6:19 van de Awb, zal de rechtbank alsnog uitspraak doen over het beroep niet tijdig beslissen, in welke procedure het herzieningsbesluit moet worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 6:20 van de Awb.

4. Met betrekking tot het beroep wegens niet tijdig beslissen oordeelt de rechtbank als volgt.

5. Uit artikel 6:12, eerste lid, van de Awb volgt dat indien het beroep is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit dan wel het niet tijdig bekendmaken van een van rechtswege verleende beschikking, het niet aan een termijn is gebonden. In het vierde lid is verder bepaald dat het beroep niet-ontvankelijk is indien het beroepschrift onredelijk laat is ingediend.

6. Gelet op de beslistermijn van acht weken na de indiening van het herzieningsverzoek op 9 maart 2017, was de beslistermijn ruimschoots verstreken toen eiseres verweerder in februari 2018 in gebreke stelde. Door vervolgens met instellen van beroep te wachten tot 27 april 2020 is het in beginsel onredelijk laat ingediend. Hierbij neemt de rechtbank in navolging van rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in aanmerking dat in beginsel binnen een jaar na afloop van de (oorspronkelijke) beslistermijn beroep zal moeten worden ingesteld wegens niet tijdig beslissen (ECLI:NL:RVS:2018:1025 in samenhang met ECLI:NL:RVS:2015:308).

7. Indien eiseres op basis van correspondentie of andere toezeggingen mocht verwachten dat verweerder een besluit op de aanvraag zou nemen en zij daarom heeft gewacht met het instellen van beroep vanwege het uitblijven van een besluit, dan kan een langere periode als redelijk gelden (vgl. ECLI:NL:HR:2014:3607 en ECLI:NL:RVS:2015:2144). Eiseres stelt dat verweerder meerdere malen te kennen heeft gegeven dat het herzieningsverzoek nog zou worden afgewikkeld en ter onderbouwing hiervan in haar beroepschrift van 27 april 2020 naar een bijlage verwezen. De rechtbank is echter niet duidelijk geworden uit welke bijlage dit volgens eiseres volgt. Dat eiseres, naar zij stelt, heeft gewacht met het instellen van beroep in afwachting van de uitspraak van de Raad over de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar kan hier niet aan afdoen.

8. De stelling van betrokkene in het beroepschrift dat in de brief van 20 april 2017, waarbij bezwaargronden zijn aangevoerd, tevens het verzoek om herziening is herhaald, kan – wat daar verder van zij – evenmin leiden tot een ontvankelijk beroep wegens niet tijdig beslissen, omdat het om de hiervoor genoemde redenen (eveneens) onredelijk laat is ingediend.

9. Het beroep wegens niet-tijdig beslissen is daarom niet-ontvankelijk. Gelet hierop komt de rechtbank niet toe aan het verzoek van eiseres om toepassing te geven aan artikel 8:55c van de Awb.

10. Met betrekking tot het beroep van rechtswege tegen het herzieningsbesluit geldt naar vaste rechtspraak dat de niet-ontvankelijkheid van het beroep wegens niet tijdig beslissen niet in de weg staat aan het in het beroep van rechtswege betrekken van dit besluit (bijv. ECLI:NL:RVS:2014:3999 en ECLI:NL:CRVB:2010:BO4793). In dit verband is voorts van belang dat indien geen beroep wegens niet tijdig beslissen zou lopen of wanneer dit beroep zou zijn ingetrokken, alsnog bezwaar gemaakt zou kunnen worden. Overigens heeft eiseres bezwaar tegen het herzieningsbesluit gemaakt, dat verweerder gelet op artikel 6:20, derde lid, van de Awb heeft doorgezonden naar de rechtbank. In beginsel dient alvorens beroep kan worden ingesteld eerst bezwaar te worden gemaakt. De rechtbank ziet geen reden om in deze zaak van dit uitgangspunt af te wijken. Te minder nu het herzieningsbesluit niet vermeldt waarom volgens verweerder geen sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden.

11. Ten overvloede wijst de rechtbank erop dat verweerder in de heroverweging de vrijheid toekomt om binnen of buiten het beoordelingskader van artikel 4:6 van de Awb te treden en dat bij onverkorte toepassing van artikel 4:6 van de Awb nog een aanvullende toets aan evidente onredelijkheid plaats vindt door de rechter (bijv. ECLI:NL:CRVB:2017:991), op welke toets ook door het bestuursorgaan zelf in bezwaar kan worden geanticipeerd (zie in gelijke zin ECLI:NL:RBROT:2020:7256).

12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

 verklaart het beroep niet-ontvankelijk;

 verwijst het beroep tegen het herzieningsbesluit ter behandeling als bezwaar naar verweerder.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J. de Gans, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Stijnen, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 4 november 2020.

De rechter en de griffier zijn verhinderd de uitspraak te ondertekenen

griffier rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden gedaan bij de rechtbank. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.