Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:9742

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
04-11-2020
Datum publicatie
09-11-2020
Zaaknummer
C/10/595140 / HA ZA 20-395
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Onrechtmatige daad. Aansprakelijkheid accountant (AA). Schending zorgvuldigheidsnorm. Borgtocht. Artikel 1:88 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/595140 / HA ZA 20-395

Vonnis van 4 november 2020

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres] ,

gevestigd te [vestigingsplaats eiseres] ,

eiseres,

advocaat mr. A. de Groot te Alkmaar,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde 1] ,

gevestigd te [vestigingsplaats gedaagde 1] ,

2. [gedaagde 2],

wonende te [woonplaats gedaagde 2] ,

gedaagden,

advocaat mr. R.P. Gasseling te Rotterdam.

Partijen zullen hierna [eiseres] , [gedaagde 1] , [gedaagde 2] en gedaagden gezamenlijk [gedaagde 2] c.s. genoemd worden.

1. De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 9 april 2020, met producties 1 tot en met 5;

  • -

    de conclusie van antwoord, met één productie;

  • -

    de oproepbrief van de rechtbank voor de mondelinge behandeling van 6 oktober 2020;

  • -

    de producties 6 tot en met 19 van [eiseres] ;

  • -

    de spreekaantekeningen van [eiseres] en [gedaagde 2] c.s.;

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandeling.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1.

Bestuurder en enig aandeelhouder van [eiseres] is mevrouw [naam persoon] , hierna te noemen [naam persoon] .

2.2.

Bestuurder en middellijke aandeelhouder van [gedaagde 1] is [gedaagde 2] .

2.3.

[gedaagde 2] was sinds 1993 als accountant-administratieconsulent werkzaam bij het accountantskantoor BDO. In die hoedanigheid verrichtte [gedaagde 2] voor [naam persoon] en voor [eiseres] administratieve en fiscale werkzaamheden.

2.4.

[gedaagde 2] is per 1 januari 2004 partner geworden bij Borrie Accountants B.V., hierna te noemen Borrie. [naam persoon] is, zowel zakelijk als privé, van accountantskantoor gewisseld zodat [gedaagde 2] haar kon blijven bijstaan als accountant‑administratieconsulent.

2.5.

Op 27 mei 2010 heeft [eiseres] aan [gedaagde 1] een lening verstrekt van € 125.000,00 met een looptijd van 24 maanden vanaf 1 juni 2010.

2.6.

Op 1 juli 2010 heeft [eiseres] aan [gedaagde 1] een lening verstrekt van € 50.000,00 met een looptijd van 48 maanden.

2.7.

Op 12 juni 2012 heeft [eiseres] aan [gedaagde 1] een lening verstrekt van € 30.000,00 met een looptijd van 24 maanden.

2.8.

In ieder van de geldleningsovereenkomsten staat, voor zover van belang, vermeld:

Artikel 5 Zekerheden

Schuldeiser heeft ter meerdere zekerheid van zijn vordering bedongen dat de heer [gedaagde 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] en wonende te [postcode] [plaats] , aan de [adres] , directeur en enig aandeelhouder van

schuldenaar zich persoonlijk en onvoorwaardelijk garant stelt voor het door Schuldenaar terug te betalen overeengekomen bedrag [het bedrag dat bij die overeenkomst is geleend door [gedaagde 1] : toevoeging rechtbank], of bij in gebreke blijven; [het bedrag dat bij die overeenkomst is geleend door [gedaagde 1] : toevoeging rechtbank] vermeerderd met de toepasbare rente tot datum.

2.9. ‘

[gedaagde 1] heeft de door haar geleende bedragen vervolgens uitgeleend aan diverse rechtspersonen en geïnvesteerd in allerhande projecten.

2.10.

[eiseres] heeft op 17 december 2013 een geldlening verstrekt van € 50.000,00 aan een zakelijke relatie van [gedaagde 2] , te weten Rebram General Trading B.V., hierna te noemen Rebram.

2.11.

In de op 1 november 2016 tussen [eiseres] en [gedaagde 1] gesloten overeenkomst staat, voor zover van belang, vermeld:

In aanmerking nemende dat:

Schuldeiser op 1 juli 2010, 27 mei 2010 en 12 juni 2012 aan schuldenaar zakelijke

geldleningen heeft verstrekt van resp € 50.000 ( zegge vijftigduizend euro), € 125.000 (zegge honderd vijfentwintig duizend euro) en € 30.000 (zegge dertigduizend euro)

Schuldeiser op 17 december2013 een lening heeft verstrekt aan Rebram General Trading BV tot een bedrag van € 50.000 die tot op heden [niet; toevoeging rechtbank] is afgelost en waarop € 10.000 rente is bijgeschreven.

Partijen deze leningen willen vervangen door een lening van € 265.000 (zegge tweehonderd vijfenzestigduizend euro)

Schuldenaar deze leningen al had moeten aflossen maar dat niet heeft kunnen doen

Schuldenaar tot op heden rente heeft betaald.

Partijen in de afgelopen maanden in overleg zijn overeengekomen dat de afzonderlijke geldleningen zullen worden omgezet in een nieuwe geldlening

Partijen de voorwaarden voor deze geldlening middels deze overeenkomst schriftelijk wensen vast te leggen.

(…)

Artikel 2 Looptijd

De lening heeft een looptijd van 2 maanden, te rekenen vanaf 1 november 2016 en derhalve

eindigend op 31 december 2016. Als de lening dan niet is afgelost gaan partijen in nader overleg over een verlenging met 3 jaar, met aflossing in 6 halfjaarlijkse termijnen en een rente van 5% op jaarbasis.

Artikel 3 Rente/aflossing

3.1

Schuldenaar verplicht zich tot betaling van een rente van 7.5 % per jaar over de verstrekte geldlening tot een bedrag van € 265.000,-; maandelijks te voldoen voor het eerst op 3 november 2016.

3.2

Schuldenaar verplicht zich onvoorwaardelijk tot betaling van een bedrag van € 265.000

(zegge; tweehonderd en vijfenzesigduizend Euro) per 31 december 2016 voor aflossing van de verstrekte lening van € 265.000 ( zegge; tweehonderd en vijfenzestigduizend Euro).

3.3

Schuldenaar mag tussentijdse extra aflossingen doen en zal Schuldeiser daarvan van te voren schriftelijk op de hoogt brengen.

(…)

Artikel 5 Zekerheden

5.1

Partijen komen overeen dat schuldenaar zekerheid stelt voor haar betalingsverplichting door middel van:

- Verpanding van de uitkering van een overlijdensrisico verzekering tot een bedrag van € 300.000 op het leven van de heer [gedaagde 2] gesloten bij Reaal verzekeringen onder polisnummer [nummer polis] .

- Een persoonlijke borgstelling van de [gedaagde 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] en wonende te [postcode] [woonplaats] , aan de [adres] , directeur en enig aandeelhouder van schuldenaar zich persoonlijk en onvoorwaardelijk garant stelt voor het door Schuldenaar terug te betalen overeengekomen bedrag van € 205.000 (zegge; tweehonderd en vijfduizend Euro), welke onvoorwaardelijk gesecureerd mag worden in de vorm van een pandrecht op de door de heer [gedaagde 2] gehouden aandelen (100%) in [naam bedrijf gedaagde 2] te [plaats] indien schuldenaar zich niet houdt aan de in deze geldlening opgenomen voorwaarden omtrent rente en aflossing. De heer [gedaagde 2] mag zolang de geldlening niet is afgelost niet zonder schriftelijke toestemming van de schuldeiser de aandelen verkopen en/of bezwaren.

(…)

2.12.

Per 1 april 2019 is [gedaagde 2] uitgeschreven als accountant‑administratieconsulent uit het beroepsregister van de Koninklijke Nederlandse Beroepsorganisatie van Accountants, hierna te noemen NBA.

2.13.

Op 12 juli 2019 is [gedaagde 1] namens [eiseres] gesommeerd tot betaling van het geleende bedrag van € 265.000,00. In diezelfde brief is [gedaagde 2] verzocht om zijn borgtochtverplichting na te komen en vóór 31 juli 2019 € 205.000,00 aan [eiseres] te voldoen.

2.14.

Bij brief van 22 juni 2020 heeft mevrouw [naam echtgenote gedaagde 2] , echtgenote van [gedaagde 2] , aan [eiseres] bericht dat zij vanwege het ontbreken van haar toestemming voor het aangaan van de borgtocht door [gedaagde 2] , zich beroept op de vernietigingsgrond zoals vermeld staat in artikel 1:89 Burgerlijk Wetboek, hierna BW.

3. Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

1. [gedaagde 1] te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiseres] te voldoen een bedrag in hoofdsom groot € 265.000,00, te vermeerderen met 2,5% rente ingaande 1 januari 2017 tot aan de dag der algehele voldoening en voorts te vermeerderen met de buitengerechtelijke incassokosten ten bedrag van € 3.392,00;

2. [gedaagde 2] te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiseres] te voldoen een bedrag van € 205.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover ingaande 31 juli 2019 tot aan de dag der algehele voldoening, en voorts te vermeerderen met de buitengerechtelijke incassokosten ten bedrage van € 2.800,00;

3. te verklaren voor recht dat [gedaagde 2] jegens [eiseres] aansprakelijk is voor alle door haar geleden en nog te lijden schade voortvloeiend uit de niet nakoming door [gedaagde 1] van haar betalingsverplichtingen uit hoofde van de geldlening bij overeenkomst d.d. 1 november 2016 betreffende de hoofdsom ten bedrage van € 265.000,00, vermeerderd met rente daarover en kosten overeenkomstig het in deze te wijzen vonnis en verminderd met hetgeen daarop door [gedaagde 1] zelf aan [eiseres] betaald wordt, en met veroordeling van gedaagde tot betaling aan [eiseres] van het bedrag van die schade, vermeerderd met de wettelijke rente daarover ingaande op de datum van deze dagvaarding tot aan die der algehele voldoening;

4. met veroordeling van [gedaagde 2] c.s. in de kosten des gedings, te vermeerderen met nakosten in conventie of reconventie ten bedrage van € 131,00, ingeval van betekening te verhogen tot € 199,00, en/of in conventie én reconventie ten bedrage van € 205,00, ingeval van betekening te verhogen tot € 273,00, alsmede indien [gedaagde 2] c.s. niet binnen 14 dagen na aanschrijving daartoe aan het in deze te wijzen vonnis hebben voldaan, na ommekomst van genoemde termijn vermeerderen met de wettelijke rente tot aan de dag der algehele voldoening.”

3.2.

[gedaagde 2] c.s. voeren verweer tegen de vorderingen en concluderen tot afwijzing, met veroordeling van [eiseres] in de kosten van de procedure.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, ingegaan.

4. De beoordeling

Nakoming geldleningsovereenkomst [gedaagde 1]

Hoofdsom

4.1. ‘

[gedaagde 1] heeft de vordering van het door haar van [eiseres] geleende bedrag van € 265.000,00 erkend. [gedaagde 1] heeft aangevoerd dat de redelijkheid en billijkheid met zich meebrengen dat aan haar nog enig respijt voor terugbetaling wordt gegund. [eiseres] heeft gesteld dat de vordering opeisbaar is en er geen gronden zijn voor (verder) uitstel van betaling. [gedaagde 1] heeft vervolgens nagelaten haar stelling te onderbouwen. De vordering in hoofdsom zal dan ook worden toegewezen.

Rente

4.2.

Tussen partijen is in geschil welk rentepercentage na 1 januari 2017 over het geleende bedrag verschuldigd is. [gedaagde 1] stelt dat eind 2016, begin 2017 mondeling met [naam persoon] overeengekomen is, dat vanaf 1 januari 2017 een rentepercentage van 5% zou gelden. Overeenkomstig deze afspraak heeft [gedaagde 1] maandelijks dat rentepercentage aan [eiseres] betaald. [eiseres] heeft nimmer tegen de (hoogte van de) rentebetalingen geprotesteerd. [gedaagde 1] heeft bewijs aangeboden van haar stelling. Volgens [eiseres] is het rentepercentage van 7.5%, zoals vermeld staat in artikel 3 van de overeenkomst van 1 november 2017, onverkort van toepassing. Tussen partijen zijn geen afwijkende afspraken gemaakt, aldus [eiseres] .

4.3. ‘

[gedaagde 1] beroept zich op de rechtsgevolgen van de volgens haar tussen partijen mondeling gesloten overeenkomst over de in haar voordeel gewijzigde hoogte van het rentepercentage, zodat op haar de bewijslast van haar stelling rust. De rechtbank draagt [gedaagde 1] op om te bewijzen dat tussen [eiseres] en [gedaagde 1] is overeengekomen dat vanaf 1 januari 2017 tot het moment dat het door haar geleende bedrag is terugbetaald een rente van 5% per jaar van toepassing is. Ten aanzien van de bewijslevering zal de rechtbank de zaak naar de rol verwijzen zoals in het dictum staat vermeld.

4.4.

Iedere verdere beslissing over de verschuldigdheid van rente wordt aangehouden.

Buitengerechtelijke incassokosten

4.5.

[eiseres] maakt aanspraak op de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De rechtbank stelt vast dat het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten, hierna het Besluit, van toepassing is nu het verzuim na 1 juli 2012 is ingetreden. De rechtbank stelt tevens vast dat [eiseres] voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Over het door deze rechtbank toe te wijzen bedrag in hoofdsom stelt de rechtbank de hoogte van de buitengerechtelijke incassokosten vast conform het Besluit. Een bedrag van € 3.100,00 aan buitengerechtelijke incassokosten wordt toegewezen.

Onrechtmatige daad [gedaagde 2]

Onrechtmatig handelen

4.6.

[eiseres] heeft gesteld dat [gedaagde 2] onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld door de vertrouwenspositie die hij ten opzichte van [naam persoon] had te misbruiken. [gedaagde 2] heeft [naam persoon] geadviseerd om via haar persoonlijke holding onder onzakelijke voorwaarden geldleningen te verstrekken. De geleende bedragen werden ondanks veelvuldige toezeggingen niet terugbetaald. Door [gedaagde 2] is nagelaten om vóór het sluiten van de geldleningsovereenkomsten te wijzen op de risico’s. [gedaagde 2] heeft er daarnaast bewust voor gezorgd dat de door hem verstrekte garanties geen, dan wel een zeer beperkte zekerheid bieden.

4.7.

[gedaagde 2] betwist dat hij jegens [naam persoon] of jegens [eiseres] onrechtmatig heeft gehandeld. Van enig misbruik van een aanwezige vertrouwenspositie is geen sprake. Ten tijde van het sluiten van de geldleningsovereenkomsten bestond de verwachting dat het volledige bedrag binnen de overeengekomen termijn zou worden terugbetaald. [gedaagde 1] heeft altijd de volgens haar verschuldigde rente tijdig voldaan. [naam persoon] is ook steeds geïnformeerd over de projecten die ervoor zouden moeten zorgen dat [gedaagde 1] aan haar betalingsverplichting zou kunnen voldoen.

4.8.

De rechtbank merkt als eerste op dat accountant-administratieconsulenten in de uitoefening van hun werkzaamheden gebonden zijn aan strenge wettelijke eisen en zij dienen zich te gedragen overeenkomstig de gedragscode zoals die door de NBA is opgesteld. Accountant-administratieconsulenten zijn tevens onderworpen aan tuchtrecht. Dit alles in verband met de bijzondere rol die zij binnen het economische verkeer vervullen en het vertrouwen dat in hun werk moet kunnen worden gesteld.

4.9.

Vanaf 1993 was [gedaagde 2] de vaste accountant-administratieconsulent van [naam persoon] en haar ondernemingen. [gedaagde 2] adviseerde [naam persoon] over tal van fiscale en administratieve onderwerpen, zowel zakelijk als privé. Zo is [gedaagde 2] onder meer nauw betrokken geweest bij de verhuizing van een onderneming van [naam persoon] naar een andere vestigingsplaats, heeft hij geadviseerd over de verkoop van aandelen van een onderneming van [naam persoon] aan haar broer en heeft hij de overlijdensaangifte van de moeder en van de partner van [naam persoon] verzorgd. [naam persoon] had in de persoon van [gedaagde 2] en in het werk dat hij als accountant-administratieconsulent verrichtte veel vertrouwen. Dit blijkt uit de verklaringen tijdens de mondelinge behandeling, de onderwerpen waarbij [naam persoon] [gedaagde 2] betrok en uit het feit dat toen [gedaagde 2] partner werd bij Borrie, [naam persoon] hem naar het nieuwe accountantskantoor volgde.

4.10.

Mede op basis van het in [gedaagde 2] gestelde vertrouwen, heeft [eiseres] meerdere keren aanzienlijke geldbedragen aan de persoonlijke holding van [gedaagde 2] geleend. De geldleningsovereenkomsten zijn door [gedaagde 2] zelf opgesteld. Daarbij is volgens [gedaagde 2] gebruik gemaakt van een standaardmodel dat vaak door zijn accountskantoor werd gebruikt. [gedaagde 2] heeft bij het opstellen van de overeenkomsten en de advisering over de geldleningen geen andere deskundigen betrokken. Evenmin heeft hij aan [naam persoon] geadviseerd om zich te laten bijstaan door een andere deskundige. Dit nu hij naar eigen zeggen geregeld over geldleningen adviseerde en hij een ervaren accountant was.

4.11.

Van een redelijk bekwaam en redelijk handelend accountant‑administratieconsulent mag worden verwacht dat hij deskundig is op zijn vakgebied en bij de advisering duidelijk op de risico’s van de transactie wijst. Onnodige risico’s dienen zoveel als mogelijk te worden beperkt en gecontroleerd dient te worden of verstrekte garanties voldoende zekerheid bieden.

4.12.

[gedaagde 2] had een persoonlijk belang bij de te verstrekken geldleningen. Om de geldleningen te verkrijgen, is door [gedaagde 2] gebruik gemaakt van het vertrouwen dat [naam persoon] in hem als accountant-administratieconsulent stelde. Zij vertrouwde er op dat zij bij deze zakelijke transactie op een deskundige manier door [gedaagde 2] zou worden geadviseerd.

4.13.

De door [gedaagde 1] geleende gelden zijn gebruikt voor investeringen in diverse bedrijven en projecten. Niet is gebleken dat vóór het sluiten van de geldleningsovereenkomsten in 2010 en in 2012 [gedaagde 2] heeft gewezen op de risico’s die verbonden waren aan de transactie.

4.14.

[naam persoon] mocht erop vertrouwen dat de verstrekte garanties voldoende zekerheid boden. [gedaagde 2] wist, althans had als ervaren accountant‑administratieconsulent moeten weten, dat voor het mogen afgeven van een borgtocht dikwijls de echtgenoot / echtgenote toestemming dient te verlenen. Als [gedaagde 2] van mening was dat voor de door hem afgegeven borgtochten geen toestemming van zijn echtgenote vereist was, dan strookt dat niet met de door hem in deze procedure ingenomen stellingen. Als enige twijfel zou hebben bestaan of de toestemming van de echtgenote vereist was, dan had [gedaagde 2] voor de zekerheid moeten adviseren dat zijn echtgenote om toestemming diende te worden gevraagd. Juist op het risico van de vernietiging van de afgegeven borgtocht had [gedaagde 2] moeten wijzen en daarover had hij correct moeten adviseren.

4.15.

[gedaagde 2] had juist belang bij het verzwijgen dat zijn echtgenote (mogelijk) toestemming voor de borgstelling diende te verlenen. Als [gedaagde 1] niet aan haar betalingsverplichting zou voldoen, zou [eiseres] nakoming van de borgtochtverplichting kunnen vorderen. Door de dan eventueel in te roepen vernietiging, zou [gedaagde 2] niet op die grondslag kunnen worden aangesproken.

4.16.

De verpanding van de overlijdensrisicoverzekering van [gedaagde 2] en de mogelijkheid tot secureren van de aandelen in [gedaagde 1] bieden, zoals [gedaagde 2] ook heel goed moet hebben begrepen, uiteraard niet de vereiste zekerheid. De overlijdensrisicoverzekering gaat pas tot uitkering over op moment van overlijden van [gedaagde 2] (mits de volledige premie tijdig is voldaan en eveneens aan de overige voorwaarden is voldaan) en niet op het moment van opeisbaarheid van de vordering uit de geldleningsovereenkomst. Naast een vordering op een buitenlandse onderneming, waarvan onzeker is of deze ooit geïnd kan worden, heeft [gedaagde 1] geen eigen vermogen. Dat op enig moment na totstandkoming van de geldleningsovereenkomst in november 2016 [gedaagde 1] wel over meer eigen vermogen beschikte dan de hiervoor vermelde vordering, is niet gebleken. De waarde van de aandelen is zeer beperkt en dekt volstrekt niet de opstaande vordering.

4.17.

[gedaagde 2] heeft door de hierboven weergegeven handelswijze in strijd gehandeld met een op hem rustende zorgvuldigheidsnorm en daarmee onrechtmatig jegens [eiseres] gehandeld. [gedaagde 2] is dienovereenkomstig schadeplichtig voor de schade die door [eiseres] als gevolg van zijn handelen is geleden. Bij haar oordeel weegt de rechtbank zwaar mee dat kennelijk zonder enige rekenschap van de gevolgen van zijn handelen, [gedaagde 2] , een accountant-administratieconsulent, zijn belangen voor eigen gewin boven de belangen van zijn cliënte(n) stelde.

4.18.

Dat [gedaagde 2] voor zijn advisering over de geldleningen niet heeft gefactureerd, maakt de beoordeling niet anders. In de relatie tussen [naam persoon] en [gedaagde 2] bestond een nauwe verwevenheid tussen beroepsmatig handelen en privé handelen. Onder die omstandigheden was het voor [naam persoon] niet altijd even duidelijk in welke hoedanigheid [gedaagde 2] haar adviseerde. Daarnaast heeft juist de hoedanigheid van [gedaagde 2] ervoor gezorgd dat [naam persoon] zich niet heeft laten adviseren door een andere deskundige. Eventuele onduidelijkheid over in welke hoedanigheid de advisering plaatsvond, komt voor rekening van [gedaagde 2] .

Schade

4.19.

Tegen de omvang van de gevorderde schade is geen verweer gevoerd. Door de rechtbank wordt de door [eiseres] geleden schade op tenminste € 205.000,00 vastgesteld. Voor dit bedrag heeft [gedaagde 1] in 2010 en 2012 geld van [eiseres] geleend en voor dit bedrag heeft [gedaagde 2] zich ook borg gesteld. Voornoemd bedrag zal hierna worden toegewezen.

4.20.

Door het plegen van een onrechtmatige daad jegens [gedaagde 1] is [gedaagde 2] overeenkomstig artikel 6:83 sub b BW van rechtswege in verzuim geraakt. Over het reeds thans toegewezen bedrag zal overeenkomstig de vordering de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf 31 juli 2019 worden toegewezen.

4.21.

De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten worden afgewezen nu niet is gesteld dat buitengerechtelijke werkzaamheden ter incassering van de vordering op [gedaagde 2] zijn verricht.

Oorspronkelijke vordering op Rebram

4.22.

De rechtbank acht zich nog onvoldoende voorgelicht of [gedaagde 2] tevens aansprakelijk is voor de schade die [eiseres] lijdt als gevolg van het oninbaar zijn van de vordering op Rebram en het vervolgens na schuldovername niet betalen van die vordering door [gedaagde 1] . Partijen zullen in de gelegenheid worden gesteld om zich daarover bij akte uit te laten. Overeenkomstig artikel 22 Wetboek van Rechtsvordering beveelt de rechtbank [eiseres] en [gedaagde 2] c.s. om alle beschikbare schriftelijke stukken die betrekking hebben op de advisering en totstandkoming van de geldleningsovereenkomst van 17 december 2013 tussen Rebram en [eiseres] en de correspondentie die nadien over deze geldlening is gevoerd, bij akte over te leggen.

4.23.

Gelet op het hiervoor overwogene zal de rechtbank thans niet verder ingaan op de overige stellingen van partijen.

4.24.

Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

5. De beslissing

De rechtbank:

5.1.

veroordeelt [gedaagde 1] om aan [eiseres] € 268.100,00 te betalen,

5.2.

veroordeelt [gedaagde 2] om aan [eiseres] € 205.000,00 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf 31 juli 2019 tot aan de dag van de algehele voldoening,

5.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.4.

draagt [gedaagde 1] op te bewijzen dat tussen [gedaagde 1] en [eiseres] is overeengekomen dat vanaf 1 januari 2017 tot het moment van algehele terugbetaling over het door [gedaagde 1] geleende bedrag een rentepercentage van 5% per jaar van toepassing is,

5.5.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 2 december 2020 voor uitlating door [gedaagde 1] of zij bewijs wil leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en / of door een ander bewijsmiddel,

5.6.

bepaalt dat [gedaagde 1] , indien zij geen bewijs door getuigen wil leveren maar wel bewijsstukken wil overleggen, die stukken direct in het geding moet brengen,

5.7.

bepaalt dat [gedaagde 1] , indien zij getuigen wil laten horen, de getuigen en de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten in de maanden januari tot en met maart 2021 direct moet opgeven, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald,

5.8.

bepaalt dat dit getuigenverhoor zal plaatsvinden op de terechtzitting van een nog aan te wijzen rechter van deze rechtbank,

5.9.

bepaalt dat [gedaagde 1] en [eiseres] uiterlijk tien dagen voor het eerste getuigenverhoor alle beschikbare bewijsstukken aan de rechtbank en de wederpartij moeten toesturen,

5.10.

bepaalt dat [gedaagde 2] c.s. als eerste in de gelegenheid worden gesteld om een akte uitlaten, met de over te leggen bescheiden zoals onder 4.22 is overwogen, op de rol van 2 december 2020 te nemen;

5.11.

verstaat dat [eiseres] bij antwoordakte zal mogen reageren;

5.12.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. N. Freese en ondertekend en in het openbaar uitgesproken door mr. J.F. Koekebakker, rolrechter, op 4 november 2020.

[1729;44481]