Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:9695

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
16-09-2020
Datum publicatie
29-10-2020
Zaaknummer
C/10/586000 / FA RK 19-9870 (bodemprocedure) en C/10/600002 / FA RK 20-5026 (voorlopige voorziening)
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Schatting nbi / gevolg kinderbijdrage bij uitbreiding zorgregeling.

Man heeft niet voldaan aan de op hem rustende plicht te stellen en vanwege de weerspreking, te onderbouwen wat zijn nbi is. De onjuistheid van het door hem gestelde nbi volgt uit zijn eigen erkenning en getoonde bijschrijvingen op de bankapp van de man tijdens de schorsing getoond.

Het door de vrouw gestelde nbi van de man strookt niet met zijn inkomen in 2019 (een regulier jaar), niet met het voor de rechtbank vaststaande feit dat de man in ieder geval enige gezondheidsproblemen heeft en niet met het feit dat de man steun heeft gekregen vanwege de coronamaatregelen.

De rechtbank stelt het nbi schattenderwijs vast en neemt daarbij in aanmerking dat het in de eerste plaats aan de man is om zijn nbi te onderbouwen.

De rechtbank wijst partijen op gevolg voor de thans op te leggen bijdrage bij uitbreiding van de zorgregeling. In die situatie wordt het door de man te betalen aandeel verminderd met een hogere zorgkorting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team familie

zaak- / rekestnummers: C/10/586000 / FA RK 19-9870 (bodemprocedure) en

C/10/600002 / FA RK 20-5026 (voorlopige voorziening)

Beschikking van 16 september 2020 betreffende de onderhoudsbijdrage/ de zorgregeling/ de voorlopige voorziening op grond van artikel 223 Rv

in de zaak van:

[naam vrouw] ,

wonende te [woonplaats vrouw] ,

hierna te noemen de vrouw,

advocaat mr. M.E. Hoogenraad te Maassluis,

t e g e n

[naam man] ,

wonende te [woonplaats man] ,

hierna te noemen de man,

advocaat mr. M. Heere-Helmink te Rotterdam.

1. De procedure

1.1.

Voor de zaak met kenmerk C/10/586000 / FA RK 19-9870 blijkt het verdere verloop van de procedure uit:

  • -

    het verzoekschrift met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 19 november 2019;

  • -

    het verweerschrift tevens zelfstandig verzoekschrift, ingekomen op 18 maart 2020;

  • -

    de brief met bijlagen van de zijde van de vrouw van 27 augustus 2020;

  • -

    de brief met bijlagen van de zijde van de man van 4 september 2020.

1.2.

Voor de zaak met kenmerk C/10/600002 / FA RK 20-5026 blijkt het verloop van de procedure uit het verzoekschrift van de vrouw, ingekomen op 9 juli 2020.

1.3.

De mondelinge behandeling van de zaken heeft gevoegd plaatsgevonden op

7 september 2020. Daarbij zijn verschenen:

  • -

    de vrouw met mr. P. Hoogenraad, namens haar advocaat mr. M.E. Hoogenraad;

  • -

    de man met zijn advocaat mr. M. Heere-Helmink.

- de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), vertegenwoordigd door [naam vertegenwoordiger] .

2. De vaststaande feiten

2.1.

Uit de vrouw is geboren de minderjarige [naam minderjarige 1] op [geboortedatum minderjarige 1] 2007 te [geboorteplaats minderjarige 1] , hierna ook: [voornaam minderjarige 1] . De minderjarige is erkend door [naam biologische vader] . Bij beschikking van de rechtbank Rotterdam van 30 november 2015 is bepaald dat het gezamenlijk het gezag over [voornaam minderjarige 1] aan de vrouw en de man toekomt en is de geslachtsnaam van [voornaam minderjarige 1] gewijzigd in [naam man] .

2.2.

De minderjarige kinderen geboren uit de relatie van partijen zijn:

  • -

    [naam minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum minderjarige 2] 2014 te [geboorteplaats minderjarige 2] , hierna ook [voornaam minderjarige 2] en

  • -

    [naam minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum minderjarige 3] 2015 te [geboorteplaats minderjarige 3] , hierna ook [voornaam minderjarige 3] .

2.3.

Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 3] .

2.4.

[voornaam minderjarige 1] , [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 3] hebben hun hoofdverblijf bij de vrouw.

3. De beoordeling

3.1.

Voorlopige voorziening op grond van artikel 223 Rv

3.1.1.

De vrouw verzoekt een voorlopige voorziening te treffen in die zin dat een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding wordt bepaald van € 250,- per maand per kind.

3.1.2.

Omdat de voorlopige voorziening gelijktijdig met de hoofdzaak wordt behandeld en in die procedure ook om een kinderbijdrage is verzocht, heeft de vrouw geen belang meer bij een voorlopige beslissing op dit punt. Haar verzoek zal daarom worden afgewezen.

3.2.

Bodemprocedure – de zorgregeling

3.2.1.

Partijen hebben tijdens de mondelinge behandeling overeenstemming bereikt over een zorgregeling van de man met [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 3] . De omgang zal worden hervat op zaterdag 12 september 2020 van 10.00 uur tot 15.00 uur.

Met ingang van zondag 27 september verblijven [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 3] éénmaal per veertien dagen op zondag van 11.00 uur tot 17.00 uur bij de man. De man zal hen telkens ophalen en terugbrengen bij de vrouw. In het weekend waarin geen bezoek plaatsvindt zal de man videobelcontact hebben met [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 3] op zondag om 13.00 uur.

3.2.2.

Verder hebben partijen afgesproken dat zij zich zullen aanmelden bij het wijkteam voor begeleiding en dat zij zich zullen aanmelden bij Enver voor de training ‘ouderschap blijft’ om het vertrouwen en de communicatie op ouderniveau te verbeteren. Dit kan ook de kwaliteit van de zorgregeling ten goede komen. Partijen zijn het erover eens dat de zorgregeling uiteindelijk moet uitkomen op de weekendregeling van zaterdag tot zondag met overnachting. Om dit doel te bereiken:

  • -

    zorgt de man dat hij beschikt over geschikte slaapruimte voor [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 3] ;

  • -

    zorgen partijen dat de zorgregeling goed verloopt;

  • -

    breiden zij de huidige regeling telkens met stappen uit, eventueel met hulp van het wijkteam.

3.2.3.

De raad heeft ouders gewezen op het belang zich aan de overeengekomen regeling te houden, zodat de minderjarigen erop rekenen kunnen hun vader te zien en een uitbreiding na verloop van tijd als vanzelfsprekend kan plaatsvinden.

De raad schat in dat de eerste uitbreiding van de zorgregeling kan plaatsvinden nadat partijen zes keer de onder 3.2.1. vermelde zorgregeling hebben gevolgd, en schat in dat het einddoel mogelijk kan worden bereikt binnen zes maanden.

De rechtbank zal beslissen zoals partijen zijn overeengekomen.

3.3.

Bodemprocedure – de onderhoudsbijdrage

3.3.1.

De vrouw verzoekt vaststelling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen van € 250,- per maand per kind, vanaf 20 oktober 2019.

3.3.2.

De man voert gemotiveerd verweer. Hij verzoekt een kinderbijdrage te bepalen van € 25,- per maand per kind.

3.3.3.

Tussen partijen is de hoogte van de vast te stellen kinderbijdrage in geschil. De rechtbank zal de kinderbijdrage berekenen conform de aanbevelingen opgenomen in het rapport van de Expertgroep Alimentatienormen (Tremarapport).

De ingangsdatum

3.3.4.

Partijen zijn in de loop van de behandeling overeengekomen per welke datum de kinderbijdrage moet worden vastgesteld, namelijk 1 januari 2020. Daarom zal de rechtbank deze datum als ingangsdatum hanteren.

De behoefte

3.3.5.

De man erkent dat hij ook onderhoudsplichtig is voor [voornaam minderjarige 1] . De rechtbank rekent hierna dan ook met een behoefte voor drie minderjarigen.

Ter bepaling van de behoefte dient eerst het eigen aandeel van partijen in de kosten van de minderjarigen te worden bepaald aan de hand van het netto besteedbaar gezinsinkomen op het moment van het feitelijk uiteengaan van partijen te verhogen met het kindgebonden budget. Tussen partijen is niet in geschil dat het netto besteedbaar gezinsinkomen op het moment van het feitelijk uiteengaan van partijen (begin 2019) totaal € 2.600,- netto per maand bedroeg.

De rechtbank volgt de vrouw niet in haar standpunt dat het jaarinkomen van 2018 moet dienen als grondslag. De man stelt onweersproken dat het jaarinkomen van 2018 niet representatief is, omdat dit veel hoger was dan partijen gewend waren. Zij hebben om die reden in 2018 ook meer dan gemiddeld geld kunnen uitgeven aan vakantie. De vrouw weerlegt dit niet.

3.3.6.

Voormeld netto besteedbaar gezinsinkomen van partijen van € 2.600,- gevoegd bij het voor de minderjarigen toepasselijke aantal kinderbijslagpunten (10), levert op basis van de tabel eigen aandeel kosten van kinderen, die is opgenomen als bijlage bij het Tremarapport, een bedrag op van € 589,- per maand. Geïndexeerd naar 2020 levert dat op een bedrag van € 604,- per maand.

Draagkrachtberekening

3.3.7.

Vervolgens moet worden beoordeeld in welke verhouding deze behoefte van de minderjarigen tussen de ouders moet worden verdeeld. Dit gebeurt naar rato van beider draagkracht.

Hiertoe moet eerst het huidige netto besteedbaar inkomen (nbi) van partijen vastgesteld worden.

Gezien de ingangsdatum van de vaststelling van de bijdrage wordt gerekend met de tarieven 2020-1.

3.3.8.

Tussen partijen is niet in geschil dat het huidige nbi van de vrouw € 2.390,- per maand bedraagt.

3.3.9.

Op de man rust de plicht om te stellen en vanwege de weerspreking door de vrouw, te onderbouwen wat zijn nbi is. De onjuistheid van zijn stelling dat zijn nbi € 1.050,- is, volgt al uit zijn eigen erkenning – in tweede instantie en pas nadat de vrouw dit benoemt en de rechtbank doorvraagt – dat hij wekelijks ook € 200,- tot € 250,- ontvangt uit het calamiteitenfonds. Vervolgens betwist de vrouw ook gemotiveerd de stelling van de man dat € 1.050,- plus voormelde wekelijkse toelage van € 200 tot € 250,-, zijn nbi is. Op de bankapp die de man haar tijdens de schorsing van de mondelinge behandeling heeft getoond, heeft zij bijschrijvingen gezien die duiden op inkomen uit taxiwerkzaamheden.

Het nbi dat de man heeft volgens de stelling van de vrouw, € 3.131,-, strookt niet met het inkomen van € 2.600,- dat de man had in 2019 (een regulier jaar), niet met het voor de rechtbank vaststaande feit dat de man in ieder geval enige gezondheidsproblemen heeft en niet met het feit dat de man steun heeft gekregen vanwege de coronamaatregelen. De rechtbank zal het nbi daarom schatten en daarbij in aanmerking nemen dat het in de eerste plaats aan de man is om zijn nbi te onderbouwen. De rechtbank stelt het nbi schattenderwijs vast op € 2.500,- per maand.

3.3.10.

De draagkracht van de vrouw wordt, omdat het nbi hoger is dan € 1.660,-, vastgesteld aan de hand van de volgende formule: 70% x [nbi – (0,3xnbi + 975)] en bedraagt € 489,- per maand.

3.3.11.

De draagkracht van de man wordt, omdat het nbi hoger is dan € 1.660,-, vastgesteld aan de hand van de volgende formule: 70% x [nbi – (0,3xnbi + 975)] en bedraagt € 542,- per maand.

Draagkrachtvergelijking

3.3.12.

Omdat de gezamenlijke draagkracht van partijen hoger is dan de behoefte van de minderjarigen moet de behoefte over partijen worden verdeeld. Ieders aandeel wordt berekend volgens de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte, oftewel:

het deel van de man bedraagt: € 542 / € 1.031 x € 604 = € 318,-

het deel van de vrouw bedraagt: € 489 / € 1.031 x € 604 = € 286,- +

samen € 604,-

Van de totale behoefte van de minderjarigen komt dus een gedeelte van € 318,- per maand ofwel € 106,- per maand per kind voor rekening van de man en een gedeelte van € 286,- per maand ofwel € 95,- per maand per kind voor rekening van de vrouw.

Zorgkorting

3.3.13.

Gezien de overeengekomen zorgregeling van één dag per veertien dagen met [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 3] stelt de rechtbank vast dat de man gemiddeld minder dan één dag per week de zorg heeft voor deze minderjarigen. Hierbij hoort een zorgkorting van 5%.

Voor de minderjarige [voornaam minderjarige 1] wordt geen zorgkorting in aanmerking genomen omdat er geen omgang is en er geen verzoek tot omgang is gedaan.

3.3.14.

Omdat de behoefte van de minderjarigen € 201,- per maand per kind bedraagt, beloopt de zorgkorting voor [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 3] een bedrag van € 10,- per maand per kind.

3.3.15.

Omdat de gezamenlijke draagkracht van partijen hoger is dan de behoefte van de minderjarigen, wordt de eerder berekende bijdrage van de man verminderd met dit bedrag, zodat de man als kinderbijdrage ten behoeve van [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 3] aan de vrouw moet betalen € 96,- per maand per kind en voor [voornaam minderjarige 1] € 106,- per maand.

Overigens, wanneer de zorgregeling met [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 3] uitgebreid zal zijn naar een weekendregeling van zaterdag tot zondag met overnachting, betekent dit een verhoging van de zorgkorting naar 15%. In die situatie wordt het door de man te betalen aandeel voor [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 3] verminderd met een hogere zorgkorting dan onder 3.3.14. is vermeld.

Conclusie

3.3.16.

Gezien het voorgaande is een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige [voornaam minderjarige 1] van € 106,- per maand in overeenstemming met de wettelijke maatstaven, alsmede van € 96,- per maand per kind ten behoeve van [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 3] .

3.3.17.

Op deze alimentatie is van rechtswege de wettelijke indexering van toepassing.

3.4.

Proceskosten

3.4.1.

Gelet op de aard van de procedure bepaalt de rechtbank dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.

4. De beslissing

De rechtbank:

in de voorlopige voorziening:

4.1.

wijst af het verzoek;

4.2.

compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

in de bodemprocedure:

4.3.

neemt op de onderlinge regeling die partijen over de zorgregeling hebben getroffen, te weten:

  • -

    De omgang van de man met de minderjarigen [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 3] zal worden hervat op zaterdag 12 september 2020 van 10.00 uur tot 15.00 uur.

  • -

    Met ingang van zondag 27 september 2020 verblijven de minderjarigen éénmaal per veertien dagen op zondag van 11.00 uur tot 17.00 uur bij de man.

  • -

    De man zal de minderjarigen telkens ophalen en terugbrengen bij de vrouw.

  • -

    In het weekend waarin geen bezoek plaatsvindt zal de man videobelcontact hebben met de minderjarigen op zondag om 13.00 uur.

  • -

    Partijen zullen de regeling bij goed verloop in onderling overleg uitbreiden naar uiteindelijk een weekend van zaterdag tot zondag met overnachting, waarbij de man ervoor zorgt dat hij over geschikte slaapruimte voor de kinderen beschikt.

4.4.

bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van 1 januari 2020, als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding, voor de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling zal uitkeren,

  • -

    voor de minderjarige [naam minderjarige 1] , € 106,- per maand en

  • -

    voor de minderjarigen [naam minderjarige 2] en [naam minderjarige 3] , € 96,- per maand per kind;

4.5.

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

4.6.

compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

4.7.

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.J. Klomp, rechter, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier M.H. van Leeuwen op 16 september 2020.

Voor zover in deze beschikking een of meer eindbeslissingen zijn opgenomen, staat tegen deze beschikking hoger beroep open bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.

Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden voor het instellen van hoger beroep.