Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:9681

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
21-10-2020
Datum publicatie
29-10-2020
Zaaknummer
C/10/594099 / HA ZA 20-336
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ondernemingsrecht. Vordering tot gedwongen overdracht van aandelen (uitstoting) op grond van artikel 2:336 BW afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/594099 / HA ZA 20-336

Vonnis van 21 oktober 2020

in de zaak van

de vennootschap opgericht naar Frans recht

LOGISTIQUE HOLDING S.A.S.,

gevestigd te Aulnay-sous-Bois, Frankrijk,

eiseres,

advocaat mr. M. van Langeveld te Utrecht,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

KIRSHA B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagde,

advocaat mr. E. den Hartog te Capelle aan den IJssel.

Partijen zullen hierna Logistique en Kirsha genoemd worden.

1. De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 23 maart 2020, met producties 1 tot en met 7;

  • -

    de conclusie van antwoord, met producties 1 tot en met 20;

  • -

    de oproepingsbrief van de rechtbank van 1 juli 2020, waarbij een mondelinge behandeling is bepaald;

  • -

    de brief van Kirsha van 24 augustus 2020, met producties 21 tot en met 23;

  • -

    de brief van Logistique van 25 augustus 2020, met producties 8 tot en met 10;

  • -

    de brief van Kirsha van 27 augustus 2020, met productie 24;

  • -

    de op voorhand toegezonden aantekeningen mondelinge behandeling van Logistique;

  • -

    de op voorhand toegezonden spreekaantekeningen van Kirsha;

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandeling, gehouden op 3 september 2020 (via Skype voor bedrijven).

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1.

Logistique houdt 72,56% van de aandelen in Logfret B.V., een onderneming die zich bezighoudt met bemiddeling bij nationaal en internationaal vrachtvervoer en daarmee verwante logistieke werkzaamheden (hierna: Logfret).

2.2.

De overige 27,44% van de aandelen in Logfret worden gehouden door Kirsha.

2.3.

Enig aandeelhouder en bestuurder van Kirsha is de heer [naam persoon] (hierna: [naam persoon] ).

2.4.

Bij de oprichting van Logfret op 28 maart 2006 is Kirsha benoemd tot haar enig bestuurder. Nadat tussen Logistique en Kirsha onenigheid is gerezen, is Kirsha op 12 mei 2017 ontslagen als bestuurder van Logfret. Tussen partijen en aan hen gelieerde (rechts)personen zijn sindsdien meerdere procedures gevoerd.

2.5.

Kirsha houdt 50% van de aandelen in Meer Retail B.V. (hierna: Meer Retail). Tussen Meer Retail als verhuurder en Logfret als huurder bestaat een huurovereenkomst met betrekking tot de bedrijfsruimte aan de [adres] te Ridderkerk.

2.6.

Meer Retail heeft op 12 februari 2019, na daartoe verkregen verlof van de voorzieningenrechter van deze rechtbank, ten laste van Logfret conservatoir derdenbeslag doen leggen onder klanten van Logfret, te weten Jansen Machinefabriek en Konstruktiebedrijf B.V. (handelend onder de naam Jansen Poultry Equipment, hierna: Jansen), Rijk Zwaan Distribution B.V. (hierna: Rijk Zwaan) en Sekisui S-Lec B.V. De vordering waarvoor beslag is gelegd is begroot op € 70.000,00 met inbegrip van rente en kosten en heeft betrekking op achterstallige huur.

2.7.

Bij vonnis in kort geding van deze rechtbank van 20 maart 2019 is Logfret veroordeeld tot betaling aan Meer Retail van € 40.603,80 aan huurachterstand.

2.8.

Bij vonnis van deze rechtbank van 5 juni 2019 zijn Kirsha en [naam persoon] hoofdelijk veroordeeld tot betaling aan Logfret van € 53.814,15, te vermeerderen met wettelijke rente en met beslag- en proceskosten. Daarnaast is Kirsha veroordeeld tot betaling aan Logfret van € 35.000,00 en is [naam persoon] veroordeeld tot betaling van € 36.011,81.

2.9.

Na daartoe verkregen verlof van de voorzieningenrechter van deze rechtbank heeft Kirsha op 20 en 21 januari 2020 ten laste van Logfret conservatoir derdenbeslag doen leggen onder Jansen, Rijk Zwaan, Manter International B.V. en VDL Steelweld B.V. De vordering waarvoor het beslag is gelegd is begroot op € 70.000,00 met inbegrip van rente en kosten. Het betreft een vordering uit hoofde van een rekeningcourantverhouding tussen Kirsha en Logfret.

2.10.

Bij vonnis van deze rechtbank van 26 augustus 2020 is Logfret veroordeeld tot betaling aan Kirsha van € 21.170,59, te vermeerderen met wettelijke rente en proceskosten. In dit vonnis heeft de rechtbank geoordeeld dat het rekeningcourantsaldo ten gunste van Kirsha € 54.350,00 bedraagt en dat Logfret een verrekenbare vordering van € 33.179,41 op Kirsha heeft.

2.11.

[naam persoon] is thans werkzaam voor Visa Global Logistics B.V. (hierna: Visa Global).

3. Het geschil

3.1.

Logistique heeft, na vermindering van eis, gevorderd om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

i. Kirsha te veroordelen om binnen tien dagen na betekening van het te wijzen vonnis - op grond van artikel 2:336 BW - alle door haar gehouden aandelen in Logfret over te dragen aan Logistique tegen de betaling door Logistique van na te melden koopprijs voor de aandelen, met bepaling dat:

a. Logistique uit hoofde van het bepaalde in artikel 3:300 BW zal worden benoemd als vertegenwoordiger van Kirsha voor de levering van de door Kirsha gehouden aandelen in Logfret aan Logistique voor het geval Kirsha niet meewerkt aan die levering;

b. de kooprijs van de door Kirsha gehouden aandelen overeenkomstig het bepaalde in de statuten van Logfret zal worden bepaald door één deskundige, welke deskundige gerechtigd zal zijn tot inzage van alle boeken en bescheiden en tot het verkrijgen van alle daartoe benodigde inlichtingen;

Kirsha te veroordelen in de kosten van deze procedure, waaronder begrepen de kosten van de hiervoor onder i. sub b. bedoelde deskundige en de nakosten, een en ander te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis, en - voor het geval voldoening van de (na)kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt - te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na)kosten te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening.

3.2.

Kirsha heeft de vorderingen gemotiveerd betwist en geconcludeerd tot afwijzing daarvan.

3.3.

Op de stellingen van partijen zal, voor zover van belang, hierna worden ingegaan.

4. De beoordeling

4.1.

Het geschil heeft een internationaalrechtelijk karakter, omdat Logistique een vennootschap opgericht naar Frans recht is, die is gevestigd in Frankrijk. Ambtshalve moet daarom de vraag worden beantwoord of de Nederlandse rechter bevoegd is van de vorderingen kennis te nemen en, zo ja, welk recht op de vorderingen van toepassing is.

4.2.

De vraag of de Nederlandse rechter, in dit geval: deze rechtbank, bevoegd is, moet worden beantwoord aan de hand van de Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 22 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (herschikking) (hierna: Brussel I bis-Vo). Nu sprake is van een burgerlijke- of handelszaak in de zin van artikel 1 Brussel I bis-Vo, Logistique haar vordering heeft ingesteld na 10 januari 2015 zoals vereist in artikel 66 Brussel I bis-Vo en Kirsha, de gedaagde, woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat, te weten Nederland, is Brussel I bis-Vo materieel, temporeel en geografisch van toepassing.

4.3.

De in artikel 4 lid 1 Brussel I bis-Vo neergelegde hoofdbevoegdheidsregel bepaalt dat de gerechten van de lidstaat waar de gedaagde zijn woonplaats heeft rechtsmacht hebben. Nu Kirsha woonplaats heeft in Nederland (Rotterdam) en dat voorts het land van de plaats van vestiging van Logfret is, is deze rechtbank - zoals partijen terecht hebben aangenomen - bevoegd om van de vorderingen kennis te nemen.

4.4.

Partijen gaan voorts terecht uit van de toepasselijkheid van Nederlands recht op deze vordering ex artikel 2:336 BW ter zake van een Nederlandse vennootschap.

4.5.

In deze procedure moet worden beoordeeld of Kirsha de door haar gehouden aandelen in Logfret dient over te dragen aan Logistique. De vorderingen van Logistique zijn gebaseerd op artikel 2:336 lid 1 BW, dat bepaalt dat een of meer houders van aandelen, die alleen of gezamenlijk ten minste een derde van het geplaatste kapitaal verschaffen, van een aandeelhouder die door zijn gedragingen het belang van de vennootschap zodanig schaadt of heeft geschaad, dat het voortduren van zijn aandeelhouderschap in redelijkheid niet kan worden geduld, in rechte kunnen vorderen dat hij zijn aandelen overeenkomstig artikel 2:341 BW overdraagt.

4.6.

Ter onderbouwing van haar standpunt dat Kirsha door haar gedragingen het belang van Logfret zodanig schaadt of heeft geschaad dat het voortduren van haar aandeelhouderschap in redelijkheid niet kan worden geduld, heeft Logistique gewezen op (a) de door Kirsha en Meer Retail gelegde conservatoire beslagen onder klanten van Logfret en (b) het beconcurreren van Logfret door [naam persoon] (via Visa Global). Kirsha heeft de verwijten van Logistique gemotiveerd weersproken. Volgens Kirsha is in het onderhavige geval niet voldaan aan de vereisten die artikel 2:336 lid 1 BW stelt.

4.7.

Partijen twisten over de reikwijdte van artikel 2:336 lid 1 BW. Volgens Logistique is voor toepassing van dat artikel niet vereist dat het voortbestaan van de vennootschap direct in gevaar is. Ook als een onderneming (bijvoorbeeld) vleugellam wordt gemaakt, waardoor de vennootschap flinke schade oploopt, maar (vooralsnog) niet dreigt om te vallen, moet het mogelijk zijn een aandeelhouder uit te stoten op grond van het bepaalde in artikel 2:336 e.v. BW, aldus Logistique. In haar visie moet, zoals ook in de literatuur is bepleit, uitstoting ook aan de orde kunnen zijn in het geval, zonder dat het belang van de vennootschap op het spel staat, een aandeelhouder zich zodanig gedraagt dat van de andere aandeelhouders niet kan worden gevergd dat zij de samenwerking met hem voortzetten. Daarbij gaat het volgens Logistique ook om gedragingen van een aandeelhouder buiten de vennootschap. Kirsha heeft zich daartegenover op het standpunt gesteld dat artikel 2:336 lid 1 BW restrictief moet worden uitgelegd. Er moet volgens Kirsha sprake zijn van een impasse in de vennootschap. Daarbij zijn uitsluitend gedragingen die direct verband houden met het functioneren van de aandeelhouder binnen de vennootschap relevant, aldus Kirsha.

4.8.

De rechtbank stelt in dit kader voorop dat, zoals Kirsha ook heeft betoogd, uit de wetsgeschiedenis blijkt dat uitstoting op grond van artikel 2:336 e.v. BW pas aan de orde kan zijn als door het gedrag van de aandeelhouder het functioneren van de vennootschap in gevaar wordt gebracht, omdat de besluitvorming wordt verlamd. Enkel hinderlijk of zelfs onaanvaardbaar gedrag van een aandeelhouder is op zichzelf nog geen reden om hem als aandeelhouder uit te stoten. Het moet gaan om gedragingen van de aandeelhouder als zodanig. Gedragingen die wel schadelijk zijn voor de goede naam en faam van de vennootschap, maar die niet direct verband houden met het functioneren van de aandeelhouder binnen de vennootschap, kunnen volgens de wetsgeschiedenis geen aanleiding zijn voor een vordering tot overdracht. In de parlementaire geschiedenis is overwogen dat niet is gekozen voor de in de literatuur bepleite verruiming - dat voor uitstoting van een aandeelhouder vereist is dat de aandeelhouder zodanig in strijd heeft gehandeld met de redelijkheid en billijkheid van artikel 2:8 BW dat zijn aandeelhouderschap niet langer kan worden geduld - , omdat gedwongen overname van aandelen een verstrekkende maatregel is die alleen gerechtvaardigd is wanneer het functioneren van de vennootschap in gevaar is gebracht. Ook tijdens de parlementaire behandeling van de Wet flexibilisering en vereenvoudiging bv-recht is aan uitbreiding van de uitstotingsgronden aandacht besteed, maar is wetsaanpassing op dit punt afgewezen.

4.9.

De verwijten die Logistique Kirsha maakt zullen in het licht van het voorgaande worden beoordeeld.

Ad (a) de ten laste van Logfret gelegde conservatoire beslagen

4.10.

Logistique heeft zich op het standpunt gesteld dat Kirsha opzettelijk schade aan Logfret heeft berokkend, door bewust beslag te leggen onder belangrijke klanten van Logfret, op een moment dat Logfret - mede als gevolg van concurrentie door [naam persoon] via Visa Global - in zwaar weer was komen te verkeren. De betreffende klanten waren in 2017 en 2018 verantwoordelijk voor een aanzienlijk deel van de omzet van Logfret, wat Kirsha als aandeelhouder (en voormalig bestuurder) van Logfret bekend was. Kirsha heeft bewerkstelligd dat de vorderingen van Logfret op haar klanten tot een bedrag van € 280.000,00 werden bevroren, als gevolg waarvan Logfret problemen ondervond met het (tijdig) betalen van haar leveranciers en personeel. Door de beslagen is bovendien het imago van Logfret als betrouwbare partner ernstig beschadigd en bleken de klanten een afwijzende houding aan te nemen wat betreft het verlenen van opdrachten aan Logfret. Logistique heeft voorts aangevoerd dat Kirsha bekend was met andere, minder bezwarende beslagobjecten, zoals beslag onder Logfret zelf op de bedragen die Kirsha (en [naam persoon] ) uit hoofde van het vonnis van deze rechtbank van 5 juni 2019 aan Logfret verschuldigd waren. Kirsha heeft daar - in strijd met de in de Beslagsyllabus vermelde voorwaarden - echter bewust niet voor gekozen. Wat betreft het door Meer Retail gelegde beslag kan geen andere conclusie worden getrokken dan dat Kirsha Meer Retail heeft “ingefluisterd” dat beslag onder de betreffende klanten Logfret het hardst zou treffen, aldus Logistique.

4.11.

Kirsha heeft betwist dat de belangen van Logfret zijn geschaad door het treffen van de conservatoire maatregelen. Zij heeft daartoe aangevoerd dat zij binnen vierentwintig uur na het verkrijgen van vervangende zekerheid heeft ingestemd met opheffing van het conservatoire beslag. Logistique heeft ook niet onderbouwd dat Logfret (imago)schade heeft geleden of problemen heeft ondervonden bij de (tijdige) betaling van haar leveranciers en personeel, aldus Kirsha. Zij heeft voorts aangevoerd dat de door haar getroffen conservatoire maatregelen volledig terecht zijn gebleken. Datzelfde geldt voor het door Meer Retail gelegde beslag, waarbij volgens Kirsha bovendien heeft te gelden dat niet relevant is dat zij aandeelhouder van Meer Retail is. Volgens Kirsha waren er geen minder bezwarende beslagobjecten voorhanden en heeft zij ook op goede gronden de bodemprocedure over de hoogte van de rekeningcourantvordering, die heeft geresulteerd in het vonnis van 26 augustus 2020, kunnen starten. Er was sprake van een af te wikkelen zakelijk geschil. Daardoor werd Logfret niet in haar functioneren belemmerd, aldus Kirsha.

4.12.

De rechtbank is van oordeel dat op dit punt niet is voldaan aan de vereisten van artikel 2:336 lid 1 BW. Zoals ter zitting ook door Logistique is erkend, gaat het hier niet om gedragingen van Kirsha die verband houden met haar functioneren binnen de vennootschap. Het is, aldus Logistique, buiten de vennootschap dat Kirsha “een dolk in de rug van Logfret steekt”. Zoals hiervoor onder 4.8 is overwogen, is er gelet op de huidige wetgeving echter geen grond voor de door Logistique betoogde verruiming van de uitstotingsregeling tot gedragingen van een aandeelhouder buiten de vennootschap. Ook los van het voorgaande kan het doen leggen van conservatoir beslag onder opdrachtgevers van Logfret niet worden aangemerkt als een gedraging die toepassing van de uitstotingsregeling zou kunnen rechtvaardigen. Zoals blijkt uit de hiervoor onder 2.7 en 2.10 bedoelde vonnissen, is in rechte vast komen te staan dat Kirsha en Meer Retail beschikten over een vordering op Logfret die niet werd voldaan. De rechtbank volgt Logistique ook niet in haar standpunt dat (Kirsha had moeten onderzoeken of) er minder bezwarende beslagobjecten voorhanden waren (met betrekking tot de vorderingen van Logfret uit hoofde van het vonnis van 5 juni 2019). Nadat Kirsha het bestaan van de door Logistique bedoelde alternatieve mogelijkheden voor beslaglegging gemotiveerd heeft betwist, is Logistique daarop niet teruggekomen. In rechte kan daarom niet worden uitgegaan van de juistheid van haar stellingen over beschikbaarheid van minder bezwarende beslagobjecten. Een en ander brengt mee dat voor toewijzing van de vorderingen van Logistique in zoverre geen grond bestaat.

Ad (b) Visa Global

4.13.

Logistique heeft voorts aangevoerd dat Logfret bewust wordt gedwarsboomd door de concurrentie van Visa Global, die dezelfde diensten aanbiedt aan bestaande (en bij Kirsha bekende) klanten van Logfret. [naam persoon] , middellijk aandeelhouder van Logfret, is tevens middellijk aandeelhouder en bestuurder van Visa Global, aldus Logistique. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft Logistique verwezen naar de door haar overgelegde producties 8 en 9, waaruit volgt dat door [naam persoon] op 27 juni 2020 aan een (voormalige) klant van Visa Global, die aankondigde te zullen overstappen naar Logfret, een financieel rapport over Logfret is toegezonden, waarin onder meer staat vermeld dat sprake is van “toegenomen zorgen om stabiliteit” en “grote kans op faillissement”. Logistique heeft tevens verwezen naar de door haar als productie 10 overgelegde e-mail van 10 juli 2020 van een medewerker van Visa Global aan een klant van Logfret, waarin staat vermeld: “(…) Als je aangeeft wat je bij Logfret betaalt, of wat je maximaal (…) wilt betalen (…), kan ik kijken of we dat kunnen matchen (…)”. Volgens Logistique staan deze gevallen niet op zichzelf en zijn deze waarschijnlijk te verklaren door de slechte verstandhouding die tussen Kirsha en Logistique is ontstaan na het ontslag van Kirsha als bestuurder van Logfret. De handelingen van Kirsha kwalificeren zowel afzonderlijk als in onderling verband bezien als gedragingen die het belang van Logfret schaden, aldus Logistique.

4.14.

Kirsha heeft zich op het standpunt gesteld dat de stellingen van Logistique in dit kader niet ter zake doen, omdat op grond van de wetsgeschiedenis de gedragingen van een aandeelhouder die de vennootschap concurrentie aandoet niet relevant zijn in het kader van de uitstotingsregeling. Bovendien is in een eerdere procedure al geoordeeld dat van onrechtmatige concurrentie geen sprake is geweest, aldus Kirsha.

4.15.

Ook op dit punt kan niet worden geoordeeld dat is voldaan aan de vereisten van artikel 2:336 lid 1 BW. De door Logistique gestelde gedragingen, wat daar ook van zij, betreffen het handelen van [naam persoon] . Dat handelen is niet zonder meer toe te rekenen aan Kirsha en betreft in ieder geval geen handelen van Kirsha als aandeelhouder van Logfret. Ter zitting heeft [naam persoon] in dit kader desgevraagd verklaard dat hij weliswaar participeert in Visa Global, maar dat hij dit niet via Kirsha doet.

4.16.

Opgemerkt wordt in dit kader nog dat uit de wetsgeschiedenis blijkt dat indien één van de aandeelhouders de vennootschap oneerlijke concurrentie aandoet (wat in het onderhavige geval, gelet op de betwisting daarvan door Kirsha, niet vaststaat), daaraan niet door toepassing van de geschillenregeling een einde kan worden gemaakt. Ook kan voor een vordering tot uitstoting geen aanleiding zijn als, bijvoorbeeld door het ontstaan van concurrentieverhoudingen buiten de vennootschap om, de samenwerking met de andere aandeelhouders wordt verstoord, zolang althans het belang van de vennootschap niet op het spel staat. Partijen zijn het erover eens dat in het onderhavige geval de besluitvorming niet wordt verlamd en het functioneren van de vennootschap niet in gevaar is. Logistique heeft in dit kader in haar spreekaantekeningen vermeld dat Kirsha zich binnen de vennootschap, dat wil zeggen in en rondom de algemene vergaderingen, weinig constructief opstelt, maar dat zij, mede gelet op de omvang van haar belang in de vennootschap, niet de besluitvorming frustreert of verlamt. Ook in zoverre is er voor toewijzing van de vorderingen van Logistique dan ook geen aanleiding.

Conclusie

4.17.

Conclusie van het voorgaande is dat de vorderingen van Logistique bij gebreke van een grondslag zullen worden afgewezen.

4.18.

Logistique zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Kirsha worden vastgesteld op:

- griffierecht € 656,00

- salaris advocaat € 1.086,00 (2,0 punten × tarief € 543,00)

Totaal € 1.742,00

5. De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt Logistique in de proceskosten, aan de zijde van Kirsha tot op heden vastgesteld op € 1.742,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. C. Bouwman en ondertekend en in het openbaar uitgesproken door mr. J.F. Koekebakker, rolrechter, op 21 oktober 2020.

1977/1729