Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:9644

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
09-10-2020
Datum publicatie
28-10-2020
Zaaknummer
KTN-8030574_09102020
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

schade; energiediefstal

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Zaaknummer: 8030574 \ CV EXPL 19-39165

uitspraak: 9 oktober 2020

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

STEDIN NETBEHEER B.V.,
gevestigd te Rotterdam,

eiseres,

gemachtigde: mr. A. Ester,

tegen


[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats gedaagde] ,

gedaagde,

gemachtigde: mr. G.J.C.R. Romet.

Partijen worden hierna aangeduid als “Stedin” en “ [gedaagde] ”.

1. Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure volgt uit het volgende:

  • -

    het exploot van dagvaarding van 2 september 2020, met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord, met producties;

  • -

    de door Stedin overgelegde producties;

  • -

    de conclusie van repliek;

  • -

    de conclusie van dupliek.

De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

2. De vaststaande feiten

Uitgegaan wordt van de volgende feiten:

1. Op 12 februari 2019 heeft Stedin, vergezeld van de politie-eenheid Rotterdam, de woning gelegen aan het adres [adres] (hierna: de woning)
bezocht, aangezien de politie aldaar op 12 februari 2019 een hennepkwekerij verdeeld over meerdere ruimten had ontdekt. [gedaagde] was op dat moment huurder van de woning en contractant met betrekking tot het transport en de leverantie van gas en elektriciteit op het adres van de woning.

2. Door de medewerker van Stedin is op 19 februari 2019 vastgesteld dat er in de woning een illegaal aangelegde aftakking was aangebracht op het onbemeterde deel van het elektriciteitsnet. Tevens waren er hoofdzekeringen bijgeplaatst, als gevolg waarvan een grotere hoeveelheid elektrisch vermogen kon worden afgenomen. Aan de bovenzijde van de hoofdzekeringen was een illegale aansluiting bijgeplaatst en aangesloten vóór de elektriciteitsmeter zodat alle elektriciteit die via deze aansluiting werd afgenomen niet door de meter werd geregistreerd.

3. Bij brief van 22 februari 2019 heeft Stedin [gedaagde] aansprakelijk gesteld voor de door haar geleden schade.

3. De vordering, de grondslag en het verweer

3.1

Stedin heeft gevorderd om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] te veroordelen tot betaling aan haar van in totaal € 5.386,80 aan hoofdsom, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 maart 2019, althans de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding, tot aan de dag van algehele voldoening, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.

3.2

Tegen de achtergrond van de vaststaande feiten heeft Stedin aan haar eis het volgende ten grondslag gelegd. [gedaagde] heeft met de diefstal van elektriciteit door middel van het (laten) bijplaatsen van een illegale aansluiting ten gunste van de hennepkwekerij onrechtmatig jegens Stedin gehandeld en is derhalve gehouden tot betaling van de door Stedin geleden schade aan onbemeten afgenomen elektriciteit van € 3.192,02 en een bedrag van € 2.194,78 aan kosten voorde werkzaamheden van de binnen- en buitendienst van Stedin en de daarbij gebruikte materialen alsmede het capaciteitstarief dat in rekening zou zijn gebracht indien er legaal zou zijn afgenomen.
Stedin heeft haar schade als volgt gespecificeerd:

Omschrijving Aantal PPE Bedrag
Elektriciteit afname 2019 62.724 € 0,05089 € 3.192,02
Kosten onrechtmatig handelen 1 € 965,06000 € 965,06

Herstellen energietransport 1 € 144,70000 € 144,70

Capaciteitstarief E € 1.085,02 +

Totalen € 5.386,80

3.3

[gedaagde] heeft geconcludeerd tot afwijzing van de vordering. Op wat hij in dit kader heeft aangevoerd, zal – voor zover van belang – bij de beoordeling van het geschil worden ingegaan.

4. De beoordeling van het geschil

4.1

Als onweersproken staat vast dat [gedaagde] in meerdere ruimten van de door hem gehuurde woning een hennepkwekerij heeft geëxploiteerd, dat er een illegale aftakking was aangebracht op het onbemeterde deel van het elektriciteitsnet, zodat niet alle elektriciteit via deze aansluiting niet door de meter werd geregistreerd, en dat bij de elektriciteitsmeter in de woning hoofdzekeringen zijn bijgeplaatst als gevolg waarvan een grotere hoeveelheid elektrisch vermogen kon worden afgenomen. [gedaagde] heeft weliswaar betwist dat hij aanpassingen aan de meter heeft verricht en hij stelt dat de kwekerij is ingericht door ‘ongure lieden’, maar hij heeft erkend dat hij op de hoogte was van de kwekerij en deze lieden toegang heeft verschaft tot de woning. Als onbetwist huurder, zijnde degene die formeel de zeggenschap heeft over de woning, diende [gedaagde] er zorg voor te dragen dat de in die woning aanwezige elektriciteitsvoorziening niet onrechtmatig werd gebruikt. Daarbij is in beginsel niet relevant of hijzelf degene is die buiten de meter om stroom afneemt of dat een ander dat doet, tenzij hij voor het handelen van een derde gelet op de omstandigheden niet verantwoordelijk kan worden gehouden. Dergelijke omstandigheden zijn gesteld noch gebleken. [gedaagde] is dan ook gehouden de als gevolg hiervan door Stedin geleden schade te vergoeden.

4.2

[gedaagde] heeft de hoogte van de door Stedin gevorderde schade betwist. Hij heeft aangevoerd dat de door Stedin vastgestelde kweekduur en de daartoe gehanteerde methodiek onjuist is.

4.3

Stedin heeft de kosten van het niet-geregistreerde elektriciteitsverbruik geschat op een bedrag van € 3.192,02. Dit bedrag is gebaseerd op 728 dagen in de periode van 21 februari 2017 tot 12 februari 2019. Stedin heeft deze kweekperiode afgeleid uit de volgende omstandigheden: de aangetroffen kweek, de mate van vervuiling van het pand in het algemeen, de als gevolg van langdurig gebruik sterk ingebrande assimilatielampen, die blijkens de foto’s een dikke laag stof bevatten, door langdurig gebruik ter plaatse verkleurde houten latten, de mate van vervuiling (ter plaatse) van het aanwezige koolstoffilter dat duidt op meerdere oogsten, dikke kalkaanslag op het vloerzeil, aanzienlijke klakaanslag op het watervat, resten van een eerdere oogst en het hoge waterverbruik. Stedin heeft ter ondersteuning bij de inval gemaakte foto’s overlegd. Voor de berekening van de illegaal afgenomen elektriciteit stelt Stedin, op grond van een gematigde gemiddelde schatting in het voordeel van de hennepkweker op basis van onderzoek van de Universiteit van Wageningen omtrent de groeiduur van hennep en de technische parameters voor het bepalen van de energiebehoefte daarvan in een binnencultuur, te zijn uitgegaan van een gemiddelde duur voor een volledige hennepoogst van 70 dagen en een deel van aangetroffen kweek van 28 dagen, hetgeen neerkomt op 10 oogsten. Rekening houdend met de aangetroffen apparatuur (1 heater, 2 afzuigmotors, 1 ventilator en 6 stuks assimilatieverlichting) en het gemiddeld verbruik en gebruik van deze apparatuur heeft Stedin het verbruik berekend op 62.724.480 Watt, zijnde 62.724 kWh.

4.4

Met het exploiteren van een hennepkwekerij in de woning heeft [gedaagde] Stedin in de positie gebracht dat zij de illegale stroomafname heeft moeten schatten. Gezien de gedocumenteerde wijze waarop Stedin dat heeft gedaan, mag van [gedaagde] verwacht worden dat hij zijn betwisting deugdelijk motiveert. Daartoe zal hij ten minste concreet en met argumenten moeten aangeven op welke punten de berekening van Stedin niet juist is.
is daar onvoldoende in geslaagd. Zo heeft hij geen concrete feiten en omstandigheden aangevoerd waaruit kan worden afgeleid dat de aanpassingen aan de meter op een latere datum dan 21 februari 2017 zijn uitgevoerd en/of dat de kwekerij op een latere datum in bedrijf is gekomen. [gedaagde] heeft weliswaar betwist dat sprake zou zijn van een hoger waterverbruik, maar uit het door Stedin bij akte van 23 januari 2020 als productie 15 overgelegde overzicht van het waterverbruik in de woning en de als productie 16 overgelegde foto van de meter op 12 februari 2019, welke door [gedaagde] niet zijn weersproken, blijkt dat het gemiddelde daadwerkelijke waterverbruik tussen 28 mei 2015 en 26 mei 2016 18 m³ bedroeg en dat dit in de periode tussen 26 mei 2016 en 12 februari 2019 is gestegen tot gemiddeld 63,88 m³ ((421 m³ - 248 m³) / 32,5 maand x 12 maanden). In tegenstelling tot wat [gedaagde] heeft aangevoerd betreft dit een aanmerkelijke stijging die de stellingen van Stedin dat er in die periode een hennepkwekerij in de woning was, ondersteund. [gedaagde] heeft voorts aangevoerd dat Stedin mogelijkheden zou hebben om de kweekduur nauwkeuriger vast te stellen, maar dit is door hem niet onderbouwd. Door hem is ook op geen enkele wijze geconcretiseerd hoeveel oogsten zijns inziens daadwerkelijk hebben plaatsgevonden en waarom het aantal van iets meer dan 10 oogsten waar Stedin van uitgaat niet zou kunnen kloppen. De kantonrechter passeert het verweer van [gedaagde] op dit punt dan ook als onvoldoende onderbouwd en ziet gelet op het vorenoverwogene geen aanleiding om hem nog in de gelegenheid te stellen tot het leveren van nader bewijs.

4.5

Het door Stedin gevorderde bedrag voor de werkzaamheden van de binnen- en buitendienst van Stedin en de gebruikte materialen en het capaciteitstarief dat ook in rekening zou zijn gebracht indien er legaal zou zijn afgenomen van in totaal € 2.194,78 zal, mede gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, als onvoldoende weersproken worden toegewezen.

4.6

De onweersproken gebleven rente zal, als op de wet gegrond, worden toegewezen.

4.7

Nu is geoordeeld dat de gevorderde hoofdsom toewijsbaar is en [gedaagde] in de buitengerechtelijke fase niet bereid is gebleken dit bedrag te betalen, had Stedin voldoende belang bij het instellen van de onderhavige procedure. [gedaagde] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten daarvan.

5. De beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt [gedaagde] om aan Stedin te betalen € 5.386,80 aan hoofdsom, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW over dit bedrag vanaf 10 maart 2019 tot aan de dag van algehele voldoening;

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Stedin vastgesteld op € 571,18 aan verschotten en € 600,- aan salaris voor de gemachtigde;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.H. Poiesz en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

590