Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:9581

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
21-10-2020
Datum publicatie
27-10-2020
Zaaknummer
C/10/586193 / HA ZA 19-1085
Rechtsgebieden
Goederenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vordering tot verdeling van een gemeenschap. Gedaagde beroept zich op het bestaan van een bijzondere gemeenschap. Voorlopig oordeel dat de gemeenschap kwalificeert als een maatschap. Mededelingen in de dagvaarding zijn te verstaan als een opzegging van de maatschap. Mondelinge behandeling gelast om nadere inlichtingen te verkrijgen en een schikking te beproeven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/586193 / HA ZA 19-1085

Vonnis van 21 oktober 2020

in de zaak van

[naam eiser] ,

wonende te [woonplaats eiser] ,

eiser,

advocaat mr. C.T. Klepper te Hardinxveld-Giessendam,

tegen

[naam gedaagde] ,

wonende te [woonplaats gedaagde] ,

gedaagde,

advocaat mr. J.W. Prinsen te Ridderkerk.

Partijen zullen hierna [naam eiser] en [naam gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding d.d. 8 november 2019, met producties,

  • -

    de conclusie van antwoord, met producties,

  • -

    de conclusie van repliek tevens houdende overlegging producties tevens houdende wijziging van eis,

  • -

    de conclusie van dupliek, met productie.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1.

Partijen zijn broers en zijn ieder voor gelijke delen eigenaar van:

  1. het pand aan de [adres 1] , een bedrijfsruimte met ondergrond en erf, kadastraal bekend als gemeente Zwijndrecht, sectie [sectienummer 1] , nummer [nummer 1] , groot 36 are en 75 centiaren (verder: [adres 1] );

  2. het pand [adres 2] , een werkplaats met bovenwoning en verdere aangehorigheden, kadastraal bekend als gemeente Dordrecht, sectie [sectienummer 2] , nummer [nummer 2] , groot 45 centiaren;

  3. het pand [adres 3] , een pakhuis met ondergrond en verdere aanhorigheden, kadastraal bekend als gemeente Dordrecht, groot 25 centiaren.

De onder ii en iii vermelde panden vormen één object (verder: [naam object] .

2.2.

Op [naam object] is een hypotheek gevestigd ten gunste van de ABN AMRO Bank N.V. Het saldo van de hypothecaire leningen onder bankrekeningnummer [bankrekeningnummer 1] en bankrekeningnummer [bankrekeningnummer 2] bedraagt per 31 december 2019 in totaal € 56.177,48.

2.3.

Op [adres 1] is een hypotheek gevestigd ten gunste van de Coöperatieve Rabobank U.A. Het saldo van de hypothecaire lening met leningnummer [bankrekeningnummer 3] bedraagt per 31 december 2019 € 58.516,94.

2.4.

Partijen hebben gezamenlijk [naam object] en [adres 1] (tezamen verder: de panden) geëxploiteerd door middel van verhuur aan derden. De uit de panden over het jaar 2019 gegenereerde huuropbrengsten bedragen in totaal € 32.363,06.

2.5.

Eén van de huurders van [adres 1] is [naam bedrijf 1] Enig aandeelhouder en bestuurder van die vennootschap is [naam] , zoon van [naam eiser] .

2.6.

Partijen hebben in het verleden samen de onderneming [naam bedrijf 2] gedreven. Deze vennootschap is in november 2013 failliet verklaard.

2.7.

In opdracht van [naam eiser] heeft Waltmann Makelaars op 22 mei 2019 ten behoeve van een taxatie [naam object] geïnspecteerd. Het daarvan opgemaakte taxatierapport is op 6 augustus 2019 uitgebracht. Dit rapport vermeldt dat de marktwaarde in verhuurde staat van dit object per 6 augustus 2019 is getaxeerd op € 194.000.

2.8.

In opdracht van [naam eiser] heeft Waltmann Makelaars op 6 juni 2019 ten behoeve van een taxatie [adres 1] geïnspecteerd. Het daarvan opgemaakte taxatierapport vermeldt dat de marktwaarde in verhuurde staat van dit object per 6 juni 2019 is getaxeerd op € 255.000.

2.9.

Op [adres 1] is door Smit & De Hart advocaten beslag gelegd ter zekerheid van verhaal van een openstaande vordering op [naam gedaagde] van € 1.619,59 inclusief kosten van beslag.

2.10.

Het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (verder: LBIO) heeft op [adres 1] en [naam object] beslag gelegd ter zekerheid van verhaal van door [naam gedaagde] verschuldigde alimentatiebedragen.

2.11.

Partijen hebben een gemeenschappelijke bankrekening. De door partijen van die rekening gedane privéopnamen dienen te worden aangemerkt als een voorschot op het te verdelen resultaat van hun gezamenlijke activiteiten.

2.12.

In 2011 zijn op naam van [naam gedaagde] de volgende domeinnamen geregistreerd:

  • -

    [domeinnaam 1]

  • -

    [domeinnaam 2]

  • -

    [domeinnaam 3]

  • -

    [domeinnaam 4]

  • -

    [domeinnaam 5]

  • -

    [domeinnaam 6]

  • -

    [domeinnaam 7]

  • -

    [domeinnaam 8]

De domeinnaam [domeinnaam 1] is in gebruik gegeven aan [naam bedrijf 1]

2.13.

De kosten voor voormelde domeinnamen worden jaarlijks door Vevida, de webhoster, aan [naam gedaagde] gefactureerd en vanaf de gezamenlijke bankrekening van partijen voldaan.

3. Het geschil

3.1.

[naam eiser] vordert na wijziging van eis – samengevat – de verdeling van de gemeenschap vast te stellen dan wel de wijze van de verdeling vast te stellen door:

Primair:

I. [naam gedaagde] te veroordelen tot medewerking aan verdeling/toedeling van het aandeel van [naam eiser] in de panden [naam object] aan [naam gedaagde] middels levering van het aandeel van [naam eiser] in de panden bij notariële akte, welke akte opgemaakt wordt door en verleden wordt ten overstaan van een van de notarissen van Notarispraktijk Interwaert te Hardinxveld-Giessendam, welke medewerking binnen drie maanden na dagtekening van het in deze zaak te wijzen vonnis moet zijn verleend;

II. [naam gedaagde] te veroordelen tot medewerking aan verdeling/toedeling van het aandeel van [naam gedaagde] in het pand [adres 1] aan [naam eiser] in het pand bij notariële akte, welke akte opgemaakt wordt door en verleden wordt ten overstaan van een van de notarissen van Notarispraktijk Interwaert te Hardinxveld-Giessendam, welke medewerking binnen drie maanden na dagtekening van het in deze zaak te wijzen vonnis moet zijn verleend;

III. [naam gedaagde] te veroordelen tot medewerking aan verdeling/toedeling van de domeinnaam [domeinnaam 1] aan [naam eiser] en medewerking aan effectuering middels tenaamstelling van deze domeinnaam op naam van [naam eiser] in de daartoe bestemde registers waaronder in ieder geval de registratie van de webhosting (Vevida), welke medewerking binnen één maand na dagtekening van het in deze zaak te wijzen vonnis moet zijn verleend;

IV. [naam gedaagde] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 75.099,44, te vermeerderen of te verminderen met de baten en lasten vanaf 1 januari 2020 tot aan de dag van de algehele verdeling, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, aan [naam eiser] , vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van de dagvaarding, althans een in goede justitie te bepalen datum, tot de dag van algehele betaling;

Subsidiair:

V. [naam gedaagde] te veroordelen tot medewerking aan verdeling/toedeling van de panden c.q. een aandeel in de panden [naam object] op een in goede justitie te bepalen wijze van verdeling, welke medewerking binnen drie maanden na dagtekening van het in deze zaak te wijzen vonnis moet zijn verleend;

VI. [naam gedaagde] te veroordelen tot medewerking aan verdeling/toedeling van het pand c.q. een aandeel in het pand [adres 1] op een in goede justitie te bepalen wijze van verdeling, welke medewerking binnen drie maanden na dagtekening van het in deze zaak te wijzen vonnis moet zijn verleend;

VII. [naam gedaagde] te veroordelen tot overdracht van de domeinnaam [domeinnaam 1] middels tenaamstelling van deze domeinnaam op naam van [naam eiser] in de daartoe bestemde registers waaronder in ieder geval de registratie van webhosting (Vevida), welke overdracht binnen één maand na dagtekening van het in deze zaak te wijzen vonnis moet zijn verricht.

Meer subsidiair:

VIII. de wijze van verdeling door de rechtbank zelf vast te stellen, rekening houdende naar billijkheid zowel met de belangen van partijen als met het algemeen belang;

Zowel primair, subsidiair als meer subsidiair:

IX. te bepalen dat bij gebreke van de vereiste wilsverklaringen van [naam gedaagde] strekkende tot uitvoering van datgene waartoe hij op basis van de voreringen onder I tot en met III en V tot en met VIII veroordeeld wordt, binnen de daartoe gestelde termijn, dit vonnis in de plaats van deze wilsverklaring zal treden;

X. [naam gedaagde] te veroordelen in de buitengerechtelijke kosten van deze procedure, alsmede in de kosten van dit geding, waaronder begrepen een salaris voor de advocaat.

3.2.

[naam gedaagde] voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1.

Kern van het geschil is of en zo ja op welke wijze de zakelijke gebondenheid tussen partijen dient te worden beëindigd. Partijen zijn het er over eens dat tussen hen een gemeenschap van goederen bestaat, maar zijn verdeeld over de juridische kwalificatie van die gemeenschap, de vraag of daarvan thans de verdeling kan worden gevorderd en zo ja, op welke wijze die verdeling dient plaats te vinden en welke waarde daarbij aan de panden dient te worden toegekend.

4.2.

[naam eiser] stelt dat de gezamenlijke eigendom van de panden een gemeenschap tussen partijen in de zin van artikel 3:166 BW oplevert. Volgens hem is de verhouding tussen partijen zodanig verstoord dat er wel een verdeling móet plaatsvinden en is er geen sprake meer van samenwerking tussen partijen. Hij wil een gehele ontvlechting van de zakelijke verbondenheid tussen partijen. Daarbij dienen niet alleen de panden met de daaraan verbonden hypothecaire schulden te worden betrokken, maar ook de onder 2.12 vermelde domeinnamen (verder: de domeinnamen), een schuld aan [naam bedrijf 1] uit een rekening-courantverhouding tussen deze vennootschap en partijen, de gemeenschappelijke bankrekening van partijen, het resultaat van de verhuur over 2019, een rekening-courant tussen partijen en een kapitaalsaldo.

Omtrent de domeinnamen stelt [naam eiser] dat deze tot de gemeenschap behoren omdat ze werden gebruikt ten behoeve van de gezamenlijke zakelijke activiteiten van partijen en de aan de domeinnamen verbonden kosten werden voldaan van de gemeenschappelijke rekening. [naam gedaagde] nam bij de zakelijke activiteiten van partijen de administratie en marketing gerelateerde activiteiten voor zijn rekening, waardoor de domeinnamen op zijn naam zijn gezet, aldus [naam eiser] .

Hij wil – zo begrijpt de rechtbank zijn stellingen – dat de gemeenschap aldus wordt verdeeld dat aan hem wordt toegedeeld het pand [adres 1] , de hypothecaire schulden, de schuld aan [naam bedrijf 1] en de domeinnaam [domeinnaam 1] en dat aan [naam gedaagde] het pand [naam object] en de overige domeinnamen worden toegedeeld. Daarbij dient de waarde van de panden te worden gebaseerd van de taxaties van Waltmann Makelaars in mei en juni 2019.

Verder stelt [naam eiser] dat op basis van de door hem overgelegde definitieve jaarcijfers over 2019 rekening dient te worden gehouden met een resultaat van de huur over 2019 ad € 32.363,06, een saldo kapitaal ad € 10.510,22, een rekening-courant schuld van [naam gedaagde] van € 17.291,63, een rekening-courantschuld van hemzelf van € 16.236,23 en overname door hem van de privéschulden van [naam gedaagde] aan Smit & de Hart ad € 1.619,59 , het LBIO ad € 23.871,61 en de bij uitvoering van de verdeling door [naam gedaagde] verschuldigde overdrachtsbelasting. Een en ander resulteert volgens [naam eiser] in de in r.o. 3.1 sub IV vermelde geldvordering.

4.3.

[naam gedaagde] stelt dat tussen partijen een duurovereenkomst bestaat, waardoor de gemeenschap een bijzondere gemeenschap is waarop de artikelen 3:189 BW e.v. van toepassing zijn. De duurovereenkomst is tot stand gekomen doordat partijen voorafgaand en ten tijde van de koop en levering van de panden hebben afgesproken dat deze zijn aangeschaft om in de toekomst van de huuropbrengsten voor ieder van hen op fifty/fifty-basis inkomsten te verwerven, en zolang die duurovereenkomst voortduurt kan [naam eiser] niet in zijn vordering tot verdeling worden ontvangen, aldus [naam gedaagde] . Volgens hem zijn voor opzegging van de duurovereenkomst zwaarwegende gronden vereist en ontbreken deze.

Daarnaast voert [naam gedaagde] als verweer dat de vorderingen afgewezen dienen te worden omdat [naam eiser] nalatig is gebleven om naar behoren die informatie te verschaffen die noodzakelijk is voor toewijzing van zijn vorderingen.

Voor zover van belang verzet [naam gedaagde] zich tegen de door [naam eiser] voorgestane wijze van verdeling en betwist hij de deugdelijkheid van de door Waltmann Makelaars verrichte taxaties. Tevens betwist [naam gedaagde] het bestaan van een schuld aan [naam bedrijf 1] , de gestelde gezamenlijke eigendom van de domeinnamen, de juistheid van de door [naam eiser] overgelegde jaarcijfers 2019, waaronder de rekening-courantschuld van hemzelf en van [naam eiser] , en het bestaan, althans de gestelde omvang van zijn privéschulden aan Smit & De Hart en het LBIO.

4.4.

Artikel 3:189 lid 1 BW bevat een limitatieve opsomming van bijzondere gemeenschappen. Daartoe behoort onder meer de maatschap zolang deze niet ontbonden is. Een maatschap is een (vormvrije) overeenkomst waarbij twee of meer personen zich ten opzichte van elkaar verbinden om iets in gemeenschap te brengen met het oogmerk het daaruit ontstane voordeel met elkander te delen; het vereist de wil van de betrokken partijen om op basis van gelijkwaardigheid met elkaar samen te werken ten einde een bepaald doel te bereiken. Deze gelijkwaardigheid behoeft niet volstrekt te zijn, voldoende is dat er geen verhouding van ondergeschiktheid is. Een maatschap wordt onder meer ontbonden door middel van opzegging (artikel 7A:1683 BW). Tenzij anders is overeengekomen, is die opzegging vormvrij. Een opzegging is echter vernietigbaar, indien deze in strijd is met de redelijkheid en billijkheid (art. 7A:1686 lid 1 BW).

4.5.

Naar het voorlopig oordeel van de rechtbank zou de gemeenschap tussen partijen als een maatschap gekwalificeerd kunnen worden. Niet alleen de door [naam gedaagde] gestelde duurovereenkomst, waarvan [naam eiser] het bestaan betwist, wijst daarop, maar ook diverse stellingen van [naam eiser] . Immers, de gemeenschappelijke bankrekening en rekening-courantverhouding tussen partijen waarop [naam eiser] zich beroept en zijn stelling dat de gestelde schuld aan [naam bedrijf 1] in de zakelijke ontvlechting dient te worden betrokken wijzen op het bestaan van een te vereffenen afgescheiden vermogen. Ook wijst het beroep van [naam eiser] met betrekking tot de gezamenlijke eigendom van de domeinnamen op een verdergaande samenwerking tussen partijen dan hetgeen de gemeenschappelijke eigendom van de panden vereist.

4.6.

Gelet op de over en weer ingenomen standpunten vindt de rechtbank het gewenst eerst alsnog een mondelinge behandeling te gelasten om partijen in de gelegenheid te stellen te reageren op de voorlopige kwalificatie van de gemeenschap als een maatschap en om meer duidelijkheid te krijgen over de samenwerking tussen partijen en over andere omstandigheden die relevant zijn voor de beantwoording van de vraag of er sprake is van een maatschap. In dat verband wenst de rechtbank door partijen met name nader geïnformeerd te worden over:

 hetgeen waaruit de samenwerking tussen partijen sinds de verkrijging van de panden heeft bestaan;

 de wijze waarop de gemeenschappelijke bankrekening, de rekening-courant en het kapitaal saldo tot stand zijn gekomen;

 de wijze waarop de domeinnamen in de samenwerking tussen partijen passen.

4.7.

De door [naam gedaagde] gestelde duurovereenkomst staat niet in de weg aan verdeling van de tussen partijen gevormde gemeenschap tussen partijen, en dat geldt (uiteindelijk) ook indien die overeenkomst als een maatschap moet worden aangemerkt. Immers, niet gesteld is dat partijen een regeling van de opzegging zijn overeengekomen, zodat de beweerdelijke overeenkomst tussen partijen in beginsel opzegbaar is. De dagvaarding vermeldt uitdrukkelijk dat [naam eiser] de zakelijke verbondenheid tussen partijen geheel wil ontvlechten, en voor zover nodig is dat te verstaan als een opzegging van de gestelde overeenkomst. In samenhang beschouwd met de gevorderde verdeling maakt dat immers duidelijk dat [naam eiser] de samenwerking tussen partijen zo spoedig mogelijk (formeel) wil beëindigen. Een opgave van de redenen voor de opzegging is niet vereist, zodat de stelling van [naam gedaagde] dat daarvoor zwaarwegende redenen zijn vereist niet wordt gevolgd en ook niet op de door [naam eiser] opgegeven redenen behoeft te worden ingegaan. Op grond van de hoofdregel van artikel 150 Rv dient degene die zich op een uitzondering op het beginsel van opzegbaarheid beroept, de daaraan ten grondslag liggende feiten en omstandigheden te stellen en bij betwisting te bewijzen. Dergelijke feiten of omstandigheden heeft [naam gedaagde] niet gesteld.

Indien er sprake is van een maatschap is deze door de opzegging ontbonden. Daarmee eindigt de contractuele verplichting tot verwezenlijking van het doel van de samenwerking en begint de vereffening (liquidatie) van het samenwerkingsverband. Na afronding van de vereffening eindigt de gebondenheid van de maten jegens elkaar en derden, en dient het resterende vermogen te worden verdeeld. Ingevolge artikel 3:189 lid 2 BW gelden daarbij artikel 3:190-194 BW en artikel 3:166-188 BW voor zover daar in artikel 3:190-194 BW niet van wordt afgeweken.

4.8.

[naam eiser] heeft zich ingespannen om door middel van overlegging van diverse producties, zoals kadastrale gegevens, taxatierapporten, een (periodieke) balans en winst- en verliesrekening, mutatieoverzichten) de rechtbank de gegevens te verschaffen voor de beoordeling van zijn vorderingen. Dat er, zoals uit het vorenstaande en navolgende blijkt, nog gegevens ontbreken brengt in deze stand van de procedure niet mee dat de vorderingen afgewezen dienen te worden. Het daartoe strekkende verweer van [naam gedaagde] is prematuur. Immers, [naam eiser] is nog niet in de gelegenheid gesteld de naar het oordeel van de rechtbank ontbrekende gegevens te verstrekken. Bovendien staat het de rechter vrij om naar eigen inzicht te beslissen indien niet wordt voldaan aan een bevel om bepaalde gegevens te verstrekken.

4.9.

Gelet op het vorenstaande wil de rechtbank in verband met de gevoerde discussie over de wijze van verdeling van de gemeenschap en de waarde van de goederen ter gelegenheid van vorenbedoelde mondelinge behandeling door partijen eveneens geïnformeerd worden over:

 de vraag of de gemeenschap andere schulden heeft dan de gestelde schuld aan [naam bedrijf 1] ;

 de wijze waarop [naam gedaagde] vanaf 2013 is geïnformeerd over het beheer van de panden en de financiële stand van zaken;

 de persoon van de deskundige en de aan deze te stellen vragen indien de rechtbank over wil gaan tot benoeming van een deskundige ten einde voorgelicht te worden over de huidige waarde van de panden;

 het standpunt van partijen ter zake verdeling door middel van verkoop aan derden;

 de rechtsgrond voor een verplichting van [naam gedaagde] tot betaling aan [naam eiser] indien deze privé-schulden van [naam gedaagde] voldoet;

 de waarde van de domeinnamen.

Daarnaast wil de rechtbank – zoveel als mogelijk geadstrueerd met bescheiden –

door [naam eiser] geïnformeerd worden over:

 de opbouw van de rekening-courantvordering op hemzelf;

 de achtergrond en de hoogte van de gestelde schuld aan [naam bedrijf 1] en de bewijsmiddelen voor het bestaan van die schuld, waarbij aandacht verdient dat [naam eiser] twee verschillende bedragen noemt, te weten € 22.456,64 en € 9.598,14;

 het saldo van de hypothecaire schulden;

 het saldo van de gemeenschappelijke bankrekening;

 het (verwachte) resultaat van de verhuur over 2020;

 wijzigingen in de rekening-courant tussen partijen en het kapitaalsaldo sinds de conclusie van repliek;

en door [naam gedaagde] geïnformeerd worden over:

 de stand van zaken t.a.v. de ten laste van hem gelegde beslagen op de panden.

4.10.

Voornoemde stukken alsmede alle overige stukken waarop een partij zich nog wenst te beroepen dienen tijdig – uiterlijk veertien dagen vóór de zitting – aan de wederpartij en aan de rechtbank te worden toegezonden.

4.11.

Als er na de zitting verder wordt geprocedeerd, is het uitgangspunt dat vonnis wordt bepaald; er zal derhalve in beginsel geen gelegenheid worden geboden voor het nemen van nadere conclusies. De rechtbank gaat ervan uit dat partijen alle eventueel relevante bewijsstukken waarover zij beschikken, voor de zitting in het geding hebben gebracht.

4.12.

Ter zitting zal de gelegenheid worden geboden om de feitelijke en juridische standpunten toe te lichten aan de hand van tevoren opgestelde korte spreekaantekeningen.

De rechtbank verzoekt partijen in de spreekaantekeningen geen stellingen te herhalen en de omvang beperkt te houden (maximaal 4 pagina’s A4).

4.13.

De zitting zal tevens worden benut om te onderzoeken of een minnelijke, zakelijke, regeling tussen partijen tot de mogelijkheden behoort.

4.14.

De rechtbank wijst erop dat zij uit een niet verschijnen van een partij op de mondelinge behandeling de gevolgtrekkingen - ook in het nadeel van die partij - kan maken die zij geraden zal achten.

4.15.

Voor partijen bestaat ook de mogelijkheid zelf gezamenlijk hun conflict(en) op te lossen via bemiddeling door een onafhankelijke derde, de mediator. Als zij daarvoor kiezen wordt de onderhavige procedure tijdelijk stilgelegd. Het mediationbureau van de rechtbank kan partijen desgewenst nader informeren over de verschillende aspecten van mediation en hen helpen bij het vinden van een geschikte mediator met ervaring in zakelijke verdelingen. Partijen kunnen desgewenst (graag tevoren aangeven zij dit wensen) aansluitend aan de comparitie of kort daarna een oriënterend gesprek hebben met een medewerker van het mediationbureau. Zij kunnen ook tevoren zelf het mediationbureau contacteren. Het is bereikbaar op het telefoonnummer 088-3611947 en het e-mailadresmediatonbureau.rotterdam@rechtspraak.nl.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1.

beveelt een mondelinge behandeling om inlichtingen van partijen te verkrijgen (zie r.o. 4.6 en 4.9) en om te onderzoeken of een zakelijke regeling van het geschil tot de mogelijkheden behoort op de terechtzitting van mr. M. de Geus in het gerechtsgebouw aan het adres Steegoversloot 36, 3311 PP Dordrecht op een door de rechtbank vast te stellen datum en tijd,

5.2.

bepaalt dat partijen binnen veertien dagen na het wijzen van dit vonnis door middel van een B5-formulier opgave dienen te doen van de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten op in de maanden november 2020 tot en met maart 2021, waarna dag en uur van de mondelinge behandeling zullen worden bepaald,

5.3.

bepaalt dat bij gebreke van de gevraagde opgave(n) de rechtbank het tijdstip van de mondelinge behandeling zelfstandig zal bepalen,

5.4.

bepaalt dat na de vaststelling van het tijdstip van de mondelinge behandeling dit in beginsel niet zal worden gewijzigd,

5.5.

wijst partijen er op, dat voor de zitting twee uur zal worden uitgetrokken,

5.6.

bepaalt dat alle stukken waar een partij zich ter zitting op wenst te beroepen – voor zover zij niet reeds tot de processtukken behoren – uiterlijk veertien dagen vóór de zitting dienen te worden toegezonden aan de wederpartij en aan de rechtbank:

Administratie handel en haven, afdeling planningsadministratie, kamer E13.31,

Postbus 50954, 3007 BR Rotterdam.

Voorts verzoekt de rechtbank partijen een extra exemplaar te verzenden naar het e-mailadres: handel.planning.rb.rotterdam@rechtspraak.nl

5.7.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. de Geus en ondertekend en in het openbaar uitgesproken door mr. J.F. Koekebakker , rolrechter, op 21 oktober 2020.

2515/638