Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:9537

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
23-09-2020
Datum publicatie
26-10-2020
Zaaknummer
10/682002-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak ontuchtige handelingen met iemand beneden de leeftijd van 16 jaar wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs. De verklaringen van het slachtoffer en de getuige zijn niet consistent en kunnen niet als vertrekpunt dienen voor het bewijs. De verklaring van de verdachte levert bovendien onvoldoende doorslaggevend steunbewijs op.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummer: 10/682002-19

Datum uitspraak: 23 september 2020

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres verdachte] , [postcode verdachte] [woonplaats verdachte] ,

raadsman mr. A.S. Sewgobind, advocaat te Eindhoven.

1. Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 9 september 2020.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3. Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. E. van Veen heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het tenlastegelegde onder 1 en 2, uitgezonderd het (tong)zoenen en (laten) betasten van penis, billen en borsten;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren met de bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich zal gedragen naar de aanwijzingen van de reclassering, zo lang en zo frequent als de reclassering dit nodig acht, dat de verdachte een ambulante behandeling volgt bij een forensische polikliniek als De Waag of een soortgelijke instelling, zulks ter beoordeling van de reclassering, waarbij de verdachte zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven;

  • -

    oplegging van een contactverbod met [naam slachtoffer] en met haar ouders ( [naam moeder slachtoffer] en [naam vader slachtoffer] ) en een locatieverbod dat de verdachte zich niet mag begeven bij de woning waar [naam slachtoffer] en haar moeder [naam moeder slachtoffer] woonachtig zijn.

4. Waardering van het bewijs

4.1.

Vrijspraak

4.1.1.

Standpunt officier van justitie

De verklaring van [naam slachtoffer] dat de verdachte in haar ‘fluitje’ - haar vagina - is geweest en dat hij met zijn hand tussen haar schaamlippen heen en weer is gegaan in het gezamenlijk bed van de verdachte en zijn ex-partner ( [naam slachtoffer] ’s moeder) is geloofwaardig en betrouwbaar. Er is ook voldoende steunbewijs in de verklaring van de verdachte en in de verklaring van de moeder van [naam slachtoffer] , over wat de verdachte tegen haar heeft gezegd toen zij hem met het verhaal van [naam slachtoffer] confronteerde.

4.1.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak van het tenlastegelegde bepleit wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs.

4.1.3.

Beoordeling

Veel zedenzaken kenmerken zich door de situatie dat enerzijds één persoon stelt slachtoffer te zijn geweest van tenlastegelegde seksuele handelingen, terwijl die anderzijds worden ontkend door de persoon die deze feiten zou hebben gepleegd, terwijl geen andere personen uit eigen waarneming hierover kunnen verklaren. Dit is ook het geval in deze zaak. De belastende verklaring van [naam slachtoffer] staat lijnrecht tegenover de stellig en consistent ontkennende verklaring van de verdachte en er zijn geen getuigen van het vermeende misbruik. De rechtbank dient tegen deze achtergrond zorgvuldig en behoedzaam de afgelegde verklaringen af te wegen.

Volgens artikel 342 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering - dat de tenlastelegging in het geheel betreft en niet op een onderdeel daarvan - kan het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Dit artikel strekt ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing en verbiedt de rechter tot een bewezenverklaring te komen in het geval de door één getuige gerelateerde feiten en omstandigheden op zichzelf staan en deze geen of onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal uit een andere bron. Dit is het zogeheten bewijsminimum. Het hangt van de concrete vastgestelde feiten en omstandigheden van het onderhavige geval af of er sprake is van voldoende steunbewijs.

Uit het dossier blijkt dat de moeder van [naam slachtoffer] , [naam moeder slachtoffer] , in juni 2018 aangifte heeft gedaan van seksueel misbruik van haar dochter [naam slachtoffer] . Zij vertelt in deze aangifte hoe zij van [naam slachtoffer] heeft gehoord over het misbruik. Op 3 juli 2018 heeft vervolgens een studioverhoor van [naam slachtoffer] plaatsgevonden. In dit studioverhoor verklaart [naam slachtoffer] over de seksuele handelingen van de verdachte zoals tenlastegelegd. Deze zouden veelal hebben plaatsgevonden in het bed waar zij vaak samen met haar moeder en de verdachte sliep, maar ook als haar moeder niet thuis was of in de woonkamer. Ook verklaart [naam slachtoffer] over hoe en wanneer zij haar moeder over het misbruik heeft verteld.

De rechtbank stelt vast dat in de verklaringen van [naam slachtoffer] en [naam moeder slachtoffer] - die voor een belangrijk deel tot stand kwamen in de periode waarin de relatie tussen [naam moeder slachtoffer] en de verdachte met ups en downs tot een einde kwam - op essentiële onderdelen niet gelijkluidend zijn en waarin, wisselend en veranderend wordt verklaard over het eerste onthullingstijdstip c.q. de plaats waar de onthulling door [naam slachtoffer] is gedaan aan haar moeder en over de aard van de seksuele handelingen die daarbij zijn genoemd. Daarnaast blijkt uit de aangifte van [naam moeder slachtoffer] dat de aard van de seksuele handelingen die zouden hebben plaatsgevonden qua ernst en het aantal varianten daarvan in de tijd zijn toegenomen. Het voorgaande blijkt uit het navolgende.

[naam slachtoffer] heeft in het studioverhoor van 3 juli 2018 verklaard dat zij al in januari 2017 in haar bed thuis in [woonplaats slachtoffer] voor het eerst aan haar moeder heeft verteld dat de verdachte met zijn vinger in haar vagina is geweest. Zij heeft dit uitgebreider verteld tijdens de vakantie in juli 2017 in Turkije en heeft dit voorts besproken na het gezamenlijk bekijken met haar moeder van een tv-programma in mei 2018 over seksueel misbruik. [naam slachtoffer] heeft in het studioverhoor bovendien verklaard dat de verdachte haar een tongzoen heeft gegeven en haar billen en borsten heeft betast. [naam moeder slachtoffer] heeft eerder verklaard in haar aangifte op 13 juni 2018 dat [naam slachtoffer] haar pas tijdens voornoemde vakantie in Turkije voor het eerst heeft verteld dat de verdachte aan haar ‘fluitje’ heeft gezeten en dat [naam slachtoffer] naar aanleiding van het tv-programma “Sexting” in mei 2018 heeft verteld dat de verdachte ook met zijn vinger in haar vagina is geweest en dat hij [naam slachtoffer] een tongzoen heeft gegeven. [naam moeder slachtoffer] heeft in het getuigenverhoor van 19 november 2019 bij de rechter-commissaris daarbij verklaard dat zij niet wist dat [naam slachtoffer] haar in januari 2017 over het seksueel misbruik heeft verteld en dat [naam slachtoffer] haar verhaal gaandeweg heeft veranderd.

De rechtbank overweegt dat het niet gaat om details maar om de kern van het verwijt, zodat deze verklaringen niet consistent zijn. Dit doet afbreuk aan de bewijswaarde hiervan.

De rechtbank is daarom terughoudend om de verklaringen van [naam slachtoffer] en die van haar moeder als vertrekpunt te nemen voor het bewijs van het tenlastegelegde. Alleen als het beschikbare steunbewijs van voldoende gewicht is, kan deze terughoudendheid worden weggenomen.

Het door de officier van justitie aangevoerde steunbewijs bestaat allereerst uit de verklaring van de verdachte afgelegd bij de politie en op de terechtzitting. De verdachte heeft verklaard, dat toen [naam slachtoffer] op twee opeenvolgende dagen ergens in het voorjaar van 2017 tussen hem en haar moeder in bed lag, zij de eerste dag zijn hand beet heeft gepakt en dat zij deze naar haar kruis heeft gebracht en de tweede dag voelde de verdachte het elastiek van haar onderbroek toen zijn hand daaronder zat. Hij heeft [naam slachtoffer] daarop aangesproken, aldus de verdachte.

Alhoewel de rechtbank het wel opmerkelijk vindt, dat de verdachte spreekt over seksueel getinte handelingen tussen hem en [naam slachtoffer] , kan deze verklaring toch niet zomaar als doorslaggevend steunbewijs van het tenlastegelegde worden gebruikt, nu de verdachte verklaart dat niet hij maar [naam slachtoffer] deze handelingen pleegde.

Verder heeft de officier van justitie als steunbewijs aangevoerd de verklaring van [naam moeder slachtoffer] . Zij heeft verklaard, dat zij de verdachte in mei 2018 heeft opgebeld en heeft geconfronteerd met de verklaring van [naam slachtoffer] dat de verdachte met zijn vinger in haar vagina is geweest. Volgens [naam moeder slachtoffer] zei de verdachte toen: ‘Ik dacht dat jij het was, want ik lag te slapen’. De verdachte heeft daarover op zitting verklaard, dat hij dat zo niet gezegd heeft, dat hij direct tegen [naam moeder slachtoffer] ontkende dat hij met zijn vinger in de vagina van [naam slachtoffer] was geweest, maar dat hij wel heeft gespeculeerd wat er zou kunnen zijn gebeurd, omdat hij naar een verklaring zocht waarom [naam slachtoffer] dit verteld had aan haar moeder. Deze uitleg van de verdachte is niet op voorhand onaannemelijk.

Alles afwegend is de rechtbank van oordeel dat het door de officier van justitie aangevoerde steunbewijs onvoldoende is om de eerder bij de rechtbank beschreven terughoudendheid weg te nemen.

De rechtbank komt op grond van het bovenstaande tot het oordeel dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is van het onder 1 en 2 tenlastegelegde en zal de verdachte daarvan vrijspreken.

5. Vordering benadeelde partijen

De gemachtigde mr. M.J.M. Hamers heeft zich namens de benadeelde partij [naam benadeelde 1] in het geding gevoegd ter zake de onder 1 en 2 ten laste gelegde strafbare feiten. De gemachtigde vordert namens de benadeelde partij een vergoeding van € 769,90 aan materiële schade en een vergoeding van € 10.000,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het ontstaan van de schade.

De gemachtigde mr. M.J.M. Hamers heeft zich ook namens de benadeelde partij [naam benadeelde 2] in het geding gevoegd ter zake de onder 1 en 2 ten laste gelegde strafbare feiten. De gemachtigde vordert namens de benadeelde partij een vergoeding van € 1.073,68 aan materiële schade en een vergoeding van € 1.500,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het ontstaan van de schade.

5.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie concludeert ten aanzien van de benadeelde partij [naam benadeelde 1] de gehele toewijzing van de vordering met de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De officier van justitie concludeert ten aanzien van de benadeelde partij [naam benadeelde 2] de toewijzing van de verplaatste schade van [naam benadeelde 1] bij niet toewijzing hiervan, toewijzing van de overige materiële schade en een gedeeltelijke toewijzing met betrekking tot de immateriële schade met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

5.2.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft de niet-ontvankelijkheid van de bovengenoemde vorderingen bepleit wegens de door haar bepleite vrijspraak van het tenlastegelegde onder 1 en 2.

5.3.

Beoordeling

De benadeelde partij [naam benadeelde 1] zal in de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard, aangezien de verdachte wordt vrijgesproken van het tenlastegelegde en hem geen straf of maatregel is opgelegd en artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht geen toepassing heeft gevonden.

Nu de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal worden verklaard, zal de benadeelde partij worden veroordeeld in de kosten door de verdachte ter verdediging van de vordering gemaakt, welke kosten tot op heden worden begroot op nihil.

De benadeelde partij [naam benadeelde 2] zal eveneens in de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard, aangezien de verdachte wordt vrijgesproken van het tenlastegelegde en hem geen straf of maatregel is opgelegd en artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht geen toepassing heeft gevonden.

Nu de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal worden verklaard, zal de benadeelde partij worden veroordeeld in de kosten door de verdachte ter verdediging van de vordering gemaakt, welke kosten tot op heden worden begroot op nihil.

5.4.

Conclusie

De verdachte hoeft geen schadevergoeding te betalen aan de benadeelde partijen.

6. Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

7. Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart de benadeelde partijen [naam benadeelde 1] en [naam benadeelde 2] niet-ontvankelijk in hun vorderingen en veroordeelt de benadeelde partijen in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, en begroot deze kosten op nihil.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. M.V. Scheffers, voorzitter,

en mrs. H.I. Kernkamp-Maathuis en F. van Laanen, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. R. van Puffelen, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 23 september 2020.

De jongste rechter en de griffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van

01 maart 2016 tot en met 30 september 2017 te [plaats delict]

(meermalen) (telkens) met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren, te weten

met [naam slachtoffer] (geboren op [geboortedatum slachtoffer] 2006), handelingen heeft gepleegd die

uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam,

namelijk het (meermalen)

- brengen van zijn vinger(s) in haar vagina, althans tussen haar schaamlippen en/of

- betasten van haar schaamstreek en/of

- laten betasten van zijn penis door haar en/of

- ( tong)zoenen van haar en/of

- wrijven over en/of betasten van haar bil(len) en/of borst(en);

art. 244 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van

01 maart 2016 tot en met 30 september 2017 te [plaats delict]

(meermalen) (telkens) et iemand beneden de leeftijd van zestien jaren, te

weten [naam slachtoffer] (geboren op [geboortedatum slachtoffer] 2006), buiten echt ontuchtige

handelingen heeft gepleegd, namelijk het (meermalen)

- betasten van haar schaamstreek en/of

- door haar laten betasten van zijn penis en/of

- ( tong)zoenen van haar en/of

- wijven over en/of betasten van haar bil(len) en/of borst(en);

art 247 Wetboek van Strafrecht

art 248 lid 2 Wetboek van Strafrecht