Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:9321

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
19-10-2020
Datum publicatie
22-10-2020
Zaaknummer
C/10/591704 / HA RK 20-150
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Verzoek om een vereffenaar te benoemen. Het verzoek wordt op grond van artikel 4:204 lid 1 onder c BW in samenhang gelezen met artikel 4:204 lid 2 BW toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ERF-Updates.nl 2020-0250
Jurisprudentie Erfrecht 2021/20 met annotatie van Anken, J.M. van
JERF Actueel 2020/343
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

Zittingsplaats Rotterdam

zaaknummer / rekestnummer: C/10/591704 / HA RK 20-150

Beschikking van 19 oktober 2020

in de zaak van

1. [naam verzoekster] ,

wonende te [woonplaats verzoekster] ,

verzoekster,

advocaat mr. C. Uluman te Apeldoorn,

2. [naam verzoeker],

wonende te [woonplaats verzoeker] ,

verzoeker.

Belanghebbende:

[naam belanghebbende] ,

wonende te [woonplaats belanghebbende] .

Omdat verzoekers dezelfde achternaam hebben worden zij hierna bij hun voornaam ‘ [naam verzoekster] ’ en ‘ [naam verzoeker] ’ genoemd. Belanghebbende wordt hierna ‘ [naam belanghebbende] ’ genoemd.

1. Het procesverloop

1.1.

Op 18 februari 2020 is ter griffie ingekomen het verzoekschrift van [naam verzoekster] en [naam verzoeker] om een vereffenaar te benoemen, met producties.

1.2.

[naam verzoekster] , [naam verzoeker] en [naam belanghebbende] zijn bij brieven van 10 maart 2020 uitgenodigd voor een mondelinge behandeling op 8 mei 2020. Deze mondelinge behandeling is vanwege de sluiting van de rechtbank door het coronavirus niet doorgegaan.

1.3.

Bij brief van 4 juni 2020 heeft de rechter aan [naam verzoekster] en [naam verzoeker] gevraagd om het verzoek nader toe te lichten.

1.4.

Bij brief van 19 juni 2020 hebben [naam verzoekster] en [naam verzoeker] hierop gereageerd. Bij brief van 26 juni 2020 hebben [naam verzoekster] en [naam verzoeker] een brief van de kantonrechter mr. A.J.L.M. van der Wildt van 10 december 2018 overgelegd.

1.5.

Op 1 oktober 2020 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. [naam verzoekster] en [naam verzoeker] zijn verschenen, samen met mr. Uluman en mr. R. Milek. [naam belanghebbende] is niet verschenen.

2. De vaststaande feiten

2.1.

Op 13 mei 2017 is te Rotterdam overleden de heer [naam erflater] , geboren op [geboortedatum erflater] te [geboorteplaats erflater] , laatstelijk wonende aan het adres [adres erflater] , [woonplaats erflater] (hierna: erflater).

2.2.

Erflater was in de eerste echt gehuwd met [naam 1] die in 1981 is overleden. Uit dit huwelijk zijn twee kinderen geboren, te weten [naam verzoekster] en [naam verzoeker] .

2.3.

Erflater was in de tweede echt gehuwd met [naam belanghebbende] .

2.4.

Erflater heeft geen testament opgesteld. Volgens het versterferfrecht zijn [naam belanghebbende] , [naam verzoekster] en [naam verzoeker] de erfgenamen van erflater. De wettelijke verdeling is van toepassing, zodat [naam belanghebbende] als langstlevende echtgenote van rechtswege alle goederen van de nalatenschap heeft gekregen en de schulden van de nalatenschap moet voldoen. [naam verzoekster] en [naam verzoeker] hebben hierdoor een geldvordering op [naam belanghebbende] verkregen ter grootte van hun erfdeel.

2.5.

Bij beschikking van 1 augustus 2018 heeft de kantonrechter te Rotterdam op verzoek van [naam verzoekster] en [naam verzoeker] bevolen dat een boedelomschrijving wordt opgemaakt van de nalatenschap van erflater. De kantonrechter heeft notaris mr. F.M. Konijnenberg te Rotterdam aangewezen om dit te doen. Deze notaris heeft haar taak moeten neerleggen, omdat de benodigde informatie niet werd overgelegd door [naam belanghebbende] .

2.6.

[naam verzoekster] en [naam verzoeker] hebben vervolgens de kantonrechter verzocht om een dwangsom toe te wijzen, omdat [naam belanghebbende] haar medewerking niet heeft verleend aan het opmaken van een boedelbeschrijving. Bij beschikking van 24 juli 2019 heeft de kantonrechter dit verzoek afgewezen.

3. Het verzoek

3.1.

Het verzoek strekt tot benoeming van een vereffenaar in de nalatenschap van erflater. [naam verzoekster] en [naam verzoeker] hebben tevens verzocht om de beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren en [naam belanghebbende] te veroordelen in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.

3.2.

[naam verzoekster] en [naam verzoeker] hebben aan hun verzoek ten grondslag gelegd dat op grond van artikel 4:204 BW een vereffenaar benoemd moet worden. [naam verzoekster] en [naam verzoeker] willen hun geldvorderingen ten laste van [naam belanghebbende] vaststellen. [naam belanghebbende] verstrekt echter geen informatie en werkt niet mee, zodat de geldvorderingen niet vastgesteld kunnen worden.

4. De beoordeling

4.1.

Erflater woonde op het moment dat hij overleed in Rotterdam. Gelet op deze woonplaats is de rechtbank Rotterdam, op grond van artikel 268 lid 1 Rv, bevoegd om van de zaak kennis te nemen.

4.2.

[naam belanghebbende] is bij brief van 27 juli 2020 uitgenodigd voor de mondelinge behandeling op 1 oktober 2020. Een kopie van deze brief is desgevraagd ook verzonden aan de heer [naam 2] (de zoon van [naam belanghebbende] ), omdat hij zich telefonisch bij de rechtbank als zaakwaarnemer van [naam belanghebbende] had aangemeld. Op 24 september 2020 heeft [naam 3] de rechtbank bericht dat de heer [naam 2] (zijn vader) op 2 september 2020 is overleden en veronderstelt hij dat de zitting van 1 oktober 2020 niet kan doorgaan. De griffier heeft vervolgens partijen per brief van 28 september 2020 laten weten dat de zitting door zal gaan. Deze brief is zowel naar het adres van [naam belanghebbende] verzonden als naar het adressen van [naam 2] en [naam 3] . Ondanks deze brieven is van de zijde van [naam belanghebbende] niemand verschenen op de zitting van 1 oktober 2020. De rechtbank heeft ook geen ander bericht van [naam belanghebbende] ontvangen. Gelet hierop is er geen verweer van [naam belanghebbende] bekend.

4.3.

De rechtbank is van oordeel dat het verzoek op grond van artikel 4:204 lid 1 onder c BW in samenhang gelezen met artikel 4:204 lid 2 BW kan worden toegewezen en overweegt daartoe als volgt.

4.4.

Op grond van artikel 4:204 lid 1 onder c BW kan op verzoek van een of meer andere schuldeisers van een erfgenaam, wanneer hun belangen door een gedraging van de erfgenamen of van de executeur ernstig worden geschaad, een vereffenaar worden benoemd.

[naam verzoekster] en [naam verzoeker] zijn schuldeisers van [naam belanghebbende] , want zij hebben allebei een geldvordering op haar ten laste van hun erfdeel. Dat de geldvorderingen van [naam verzoekster] en [naam verzoeker] nog niet opeisbaar zijn, maakt het voorgaande niet anders. Zij zijn immers nu al schuldeisers van [naam belanghebbende] . Naar het oordeel van de rechtbank worden de belangen van [naam verzoekster] en [naam verzoeker] ernstig geschaad door het gedrag van [naam belanghebbende] . [naam verzoekster] en [naam verzoeker] willen de omvang van deze hun geldvorderingen vaststellen, maar [naam belanghebbende] werkt daaraan niet mee. Nu het voor [naam verzoekster] en [naam verzoeker] zonder de informatie van [naam belanghebbende] niet mogelijk is om zelf hun geldvorderingen vast te stellen, worden zij ernstig in hun belangen geschaad.

4.5.

Het feit dat sprake is van de wettelijke verdeling staat niet aan de benoeming van een vereffenaar in de weg, want op grond van het tweede lid van artikel 4:204 BW is artikel 4:204 lid 1 onder c BW van overeenkomstige toepassing op het geheel van de goederen die hebben behoord tot de huwelijksgemeenschap van de erflater en zijn echtgenoot, de in die gemeenschap gevallen of daarop verhaalbare schulden, alsmede hetgeen daarvoor in de plaats is getreden.

4.6.

Bij gebreke van verweer tegen het verzoek om een vereffenaar te benoemen, is de rechtbank van oordeel dat het verzoek gelet op wat hiervoor is overwogen kan worden toegewezen op grond van artikel 4:204 lid 1 onder c BW in samenhang gelezen met artikel 4:204 lid 2 BW. De rechtbank weegt daarbij mee dat het op dit moment onduidelijk is of er nog andere schuldeisers van de nalatenschap zijn, hetgeen eveneens een belang is om een vereffenaar te benoemen. De vereffenaar heeft immers tot taak om de schulden van de nalatenschap te voldoen.

4.7.

De heer mr. J.C.A.M. Huntjens, werkzaam bij Huntjens erfrecht en vereffening te Dordrecht, heeft zich bereid verklaard om tot vereffenaar benoemd te worden in de nalatenschap van erflater. Hij zal daarom tot vereffenaar benoemd worden. De vereffenaar moet deze benoeming bekend maken in de (digitale) Staatscourant.

4.8.

Vanwege de aard van het geschil is de rechtbank van oordeel dat de proceskosten moeten worden gecompenseerd in die zin dat iedere erfgenaam zijn eigen kosten draagt.

5. De beslissing

De rechtbank

benoemt mr. J.C.A.M. Huntjens, kantoorhoudende aan de Kuipershaven 26, 3311 AL te Dordrecht, tot vereffenaar van de nalatenschap van:

de heer [naam erflater] ,

geboren op [geboortedatum erflater] te [geboorteplaats erflater] ,

laatstelijk wonende aan het adres [adres erflater] , [woonplaats erflater] ,

overleden op 13 mei 2017 te Rotterdam,

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

verzoekt de griffier de benoeming onverwijld in te schrijven in het boedelregister van de rechtbank op voet van het bepaalde in artikel 4:206 lid 6 BW;

verzoekt de griffier de kantonrechter te Rotterdam, locatie Rotterdam, op de hoogte te stellen van deze benoeming;

draagt de vereffenaar op de benoeming bekend te maken in de (digitale) Staatscourant;

compenseert de proceskosten, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mr. G.A.F.M. Wouters en in het openbaar uitgesproken op 19 oktober 2020.1

3120

1 Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Den Haag. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.