Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:9301

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
10-08-2020
Datum publicatie
16-10-2020
Zaaknummer
10-042450-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De verdachte woonde samen met de medeverdachte en is veroordeeld voor het opzettelijk aanwezig hebben van 339 hennepplanten. De verdachte is vrijgesproken van het medeplegen van het telen van hennep en van diefstal van energie en stroom. Er is een voorwaardelijke taakstraf opgelegd in plaats van een onvoorwaardelijke taakstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 3

Parketnummer: 10-042450-16

Datum uitspraak: 10 augustus 2020

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres verdachte] , [postcode verdachte] [woonplaats verdachte] ,

gemachtigd raadsman mr. R. Haze, advocaat te Rotterdam.

1. Onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 27 juli 2020 (zulks op de voet van artikel 377, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering) en van 10 augustus 2017.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

Samengevat wordt de verdachte verweten dat zij in vereniging hennep heeft geteeld in de periode van 23 februari 2015 tot en met 19 juli 2015 in Spijkenisse (feit 1), terwijl daarvoor in die periode ook stroom (feit 3) en water (feit 4) is gestolen. Onder 2 is ten laste gelegd dat zij in vereniging opzettelijk 339 hennepplanten aanwezig heeft gehad op 20 juli 2015 en onder 5 is ten laste gelegd dat zij opzettelijk 0,3 gram cocaïne en 3,3 gram MDMA aanwezig heeft gehad.

3. Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. P. Wijnands heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het onder 1, 2, 3, 4 en 5 tenlastegelegde, met dien verstande dat de bewezenverklaring van het onder 5 tenlastegelegde slechts dient te zien op de drugs die in de woning zijn aangetroffen; de verdachte dient partieel te worden vrijgesproken van het opzettelijk aanwezig hebben van de drugs die in de auto van de medeverdachte zijn aangetroffen;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een taakstraf van 120 uur, subsidiair 60 dagen vervangende hechtenis.

4. Waardering van het bewijs

4.1.

Standpunt officier van justitie

De onder 1, 3 en 4 ten laste gelegde feiten kunnen worden bewezen. De verdachte woonde in de ten laste gelegde periode samen met de medeverdachte. De medeverdachte heeft voorgesteld een hennepkwekerij op te zetten in de woning. De verdachte heeft verklaard dat zij het daar niet mee eens was, maar doordat zij met hem samenwoonde in de woning, heeft zij de medeverdachte gelegenheid verschaft om hennep te telen. Omdat zij samenwoonden is bovendien aannemelijk dat zij ook heeft geprofiteerd van de inkomsten. Tevens kan worden bewezen dat de verdachte opzettelijk in vereniging hennepplanten en harddrugs in de woning voorhanden heeft gehad. Gelet op de verklaring van de verdachte dat zij alleen als bijrijder in de auto van de medeverdachte reed, kan niet worden bewezen dat zij de de drugs die in die auto zijn aangetroffen, ook opzettelijk in vereniging aanwezig heeft gehad.

4.2.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft onder verwijzing naar de afgelegde verklaringen vrijspraak bepleit van de onder 1, 3 en 4 ten laste gelegde feiten. De verdachte heeft verklaard dat zij tegen het opstarten van een kwekerij was, en de medeverdachte heeft verklaard dat de verdachte er niets mee te maken heeft gehad. De verdachte en de medeverdachte woonden weliswaar samen in de woning van de medeverdachte, maar uit het dossier blijkt niet van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachte ten aanzien van de ten laste gelegde feiten.

Ten aanzien van de feiten 2 en 5 is aangevoerd dat de drugs van de medeverdachte waren en dat ook hier niet kan worden vastgesteld dat de feiten in vereniging zijn gepleegd, zodat de verdachte ook van deze feiten dient te worden vrijgesproken.

4.3.

Beoordeling

Hennepkwekerij en diefstal van stroom en water (feiten 1, 3 en 4)

Ter zitting heeft niet ter discussie gestaan dat er op 20 juli 2015 een in werking zijnde hennepkwekerij met 339 hennepplanten is aangetroffen in de woning waar de verdachte samenwoonde met de medeverdachte. De rechtbank is van oordeel dat dit op zichzelf nog niet met zich brengt dat de verdachte als medepleger van het telen van die hennep, of van hennep in de ten laste gelegde eerdere periode, kan worden aangemerkt.

Naar vaste rechtspraak geldt dat wetenschap en zelfs instemming (waarvan in casu niet is gebleken) op zichzelf nog niet leiden tot medeplegen en voorts dat er onvoldoende bewijs is voor medeplegen, indien de bewijsmiddelen in de kern niet meer inhouden dan dat een verdachte aan een ander gelegenheid en middelen heeft verschaft voor het telen van hennepplanten in zijn of haar woning en dat is geprofiteerd of zou worden geprofiteerd van de opbrengst van dat telen.(vgl. HR 19 november 2019 ECLI:NL:HR:2019:1812)

Van die situatie is in het onderhavige geval sprake, waarbij de rechtbank nog opmerkt dat de woning geen eigendom was van de verdachte, maar van de medeverdachte.

Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat niet worden vastgesteld dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachte ten aanzien van de ten laste gelegde hennepteelt

Voor de hennepkwekerij werden ook stroom en water weggenomen op een zodanige manier dat dat buiten de daarvoor bestemde meters om ging. Ook ten aanzien van die feiten kan niet worden bewezen dat de verdachte (mede)pleger is geweest, omdat uit het dossier niet blijkt dat zij opzet heeft gehad op wederrechtelijke toe-eigening van stroom en water.

Dit leidt ertoe dat de onder 1, 3 en 4 ten laste gelegde feiten niet kunnen worden bewezen, zodat de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.

Opzettelijk aanwezig hebben van 339 hennepplanten (feit 2)

Uit het dossier blijkt dat er 339 hennepplanten zijn aangetroffen in de woning. Voor een veroordeling van het onder 2 ten laste gelegde feit is voldoende dat de onder de Opiumwet vallende middelen zich in de machtssfeer van de verdachte bevonden, terwijl zij zich daarvan bewust was. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte zich bewust was van de aanwezigheid van de hennepplanten. Omdat die hennepplanten zich op de zolder van de door de verdachte en de medeverdachte bewoonde woning bevonden, kan ook worden vastgesteld dat die hennepplanten zich in haar machtssfeer bevonden. Het onder 2 ten laste gelegde feit kan derhalve worden bewezen.

Opzettelijk aanwezig hebben van harddrugs (feit 5)

In de auto van de medeverdachte zijn pillen aangetroffen. In de woonkamer van de genoemde woning zijn pillen en poeder aangetroffen. Na onderzoek is vastgesteld dat het om MDMA en cocaïne gaat.

Met de raadsman is de rechtbank van oordeel dat niet bewezen kan worden dat de verdachte die drugs opzettelijk voorhanden heeft gehad. Voor de pillen in de auto geldt dat uit de verklaringen blijkt dat de verdachte slechts als passagier in de auto pleegt te zitten en zij op het moment van aantreffen van de pillen op de ten laste gelegde dag niet in de auto zat.

Van de in de woonkamer van de woning aangetroffen drugs is niet duidelijk geworden waar, en onder welke omstandigheden, de desbetreffende drugs zijn aangetroffen. De medeverdachte heeft bovendien verklaard dat de verdachte niets van zijn drugs afwist. Op grond daarvan kan niet worden vastgesteld dat de verdachte zich bewust is geweest van de aanwezigheid van die drugs.

De verdachte zal van het onder 5 tenlastegelegde dan ook worden vrijgesproken.

4.4.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

zij op 20 juli 2015 te Spijkenisse, gemeente Nissewaard tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk aanwezig heeft gehad 339 hennepplanten, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

5. Strafbaarheid feit

Het bewezen feit levert op:

2.

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit door twee of meer verenigde personen wordt gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het feit is dus strafbaar.

6. Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering straf

7.1.

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feit waarop de straf is gebaseerd

De verdachte heeft samen met haar medeverdachte opzettelijk een grote hoeveelheid hennepplanten, te weten 339 planten, aanwezig gehad in de woning waarin zij samenwoonden. Daarmee heeft de verdachte bijgedragen aan het in stand houden van het criminele circuit. Het gaat om een stof die schadelijk is voor de volksgezondheid. Daarnaast leiden (soft)drugs veelal – direct en indirect – tot vele andere vormen van criminaliteit en tot gevaar voor de openbare orde en de woon- en leefomgeving.

7.3.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 2 juli 2020, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld.

7.4.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Voor de aanwezigheid van hennep in deze omvang wordt normaal gesproken een onvoorwaardelijke taakstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd. Gezien de hierna genoemde omstandigheden zal de rechtbank echter een voorwaardelijke taakstraf van na te noemen duur opleggen.

Bij de berechting van een zaak waarbij geen sprake is van bijzondere omstandigheden, heeft als uitgangspunt te gelden dat de behandeling van de zaak op de terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar na aanvang van de redelijke termijn. De redelijke termijn vangt aan op het moment dat een verdachte in redelijkheid de verwachting kan hebben dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het Openbaar Ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. De inverzekeringstelling van een verdachte kan als een zodanige handeling worden aangemerkt. De verdachte is in de onderhavige zaak op 20 juli 2015 in verzekering gesteld. Op deze datum is de redelijke termijn daarom aangevangen.

Naar het oordeel van de rechtbank is er in deze zaak geen sprake van bijzondere omstandigheden.

Tussen 20 juli 2015 en de datum van het eindvonnis ligt een periode van ruim vijf jaar. Nu in deze zaak, zoals hiervoor is overwogen, wordt uitgegaan van een redelijke termijn van twee jaar, is er in deze zaak sprake van een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) van drie jaar. Nu deze overschrijding niet is toe te rekenen aan de verdachte en voorts door de officier van justitie niet kon worden verklaard, dient dit gecompenseerd te worden. De rechtbank zal dit doen door de voorgenomen taakstraf geheel voorwaardelijk op te leggen, met de voorwaarde die hierna wordt genoemd en door geen voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. De rechtbank heeft daarbij ook meegewogen dat de verdachte niet langer samen is met de medeverdachte, dat zij na het bewezenverklaarde feit niet meer met justitie in aanraking is gekomen en ook overigens niet is gebleken van enige problemen op bepaalde leefgebieden.

De voorwaardelijke taakstraf dient er tevens toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen. Omdat de verdachte na het plegen van het feit, inmiddels vijf jaar geleden, als hiervoor overwogen, niet opnieuw strafbare feiten heeft gepleegd, zal een proeftijd van één jaar worden opgelegd.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 47 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet.

9. Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

10 .Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte de onder 1, 3, 4 en 5 ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) uren, waarbij de Reclassering Nederland dient te bepalen uit welke werkzaamheden de taakstraf dient te bestaan;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering wordt gebracht volgens de maatstaf van twee uren per dag, zodat na deze aftrek 114 (honderdveertien) uren te verrichten taakstraf resteert;

beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 57 dagen;

bepaalt dat deze taakstraf, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;

verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 1 (één) jaar;

tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarde niet naleeft;

stelt als algemene voorwaarde:

- de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. R. Brand, voorzitter,

en mrs. F. van Buchem en F. van Laanen, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. J.G. Polke, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

zij in of omstreeks de periode van 23 februari 2015 tot en met 19 juli 2015 te Spijkenisse, gemeente Nissewaard tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;

2.

zij op of omstreeks 20 juli 2015 te Spijkenisse, gemeente Nissewaard tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 339 hennepplanten, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel

aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

3.

zij in of omstreeks in of omstreeks de periode van 23 februari 2015 tot en met 20 juli 2015 te Spijkenisse, gemeente Nissewaard tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid stroom/elektriciteit, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Eneco, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of haar mededaders;

4.

zij in of omstreeks de periode van 23 februari 2015 tot en met 20 juli 2015 te Spijkenisse, gemeente Nissewaard tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid water, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Evides, in elk

geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of haar mededaders;

5.

zij op of omstreeks 20 juli 2015 te Spijkenisse, gemeente Nissewaard tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad

ongeveer 0,3 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of ongeveer 3,3 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, zijnde cocaïne en/of MDMA (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.