Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:9300

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
10-08-2020
Datum publicatie
16-10-2020
Zaaknummer
10/750241-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Gevangenisstraf opgelegd van 20 weken voor diefstal van een container door middel van pincodefraude.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 3

Parketnummer: 10/750241-19

Datum uitspraak: 10 augustus 2020

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres verdachte] , [postcode verdachte] [woonplaats verdachte] ,

gemachtigd raadsman mr. H. Raza, advocaat te Rotterdam.

1. Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 27 juli 2020.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3. Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. P.A. Willemse heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 weken, met aftrek van voorarrest.

4. Waardering van het bewijs

4.1.

Bewijswaardering

4.1.1.

Standpunt verdediging

De verdachte dient te worden vrijgesproken van hetgeen ten laste is gelegd. Op basis van het dossier kan niet worden vastgesteld dat het de verdachte is geweest die de container heeft opgehaald en weggereden. Zelfs als dat wel kan worden vastgesteld, zou niet bewezen kunnen worden dat de verdachte het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening had. De container met de goederen is uiteindelijk ook bij de eigenaar afgeleverd.

4.1.2.

Beoordeling

De rechtbank stelt op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen vast dat de verdachte de betreffende container heeft opgehaald bij de ECT. De verdachte heeft dit om te beginnen zelf verklaard. Uit de bewijsmiddelen blijkt daarnaast dat de CargoCard op naam van de verdachte is gebruikt. De verdachte heeft verder verklaard dat die – op naam gestelde –CargoCard in combinatie met een handscan moet worden gebruikt. Tenslotte vertoonde de persoon die op de camerabeelden is vastgelegd als bestuurder van de vrachtwagencombinatie met de container [containernummer] grote gelijkenis met de pasfoto van de verdachte, die op zijn CargoCard staat.

De verdachte, werkzaam voor [naam transportbedrijf] , heeft de container opgehaald, terwijl die opdracht aan Van der Most was uitbesteed. Hoe de verdachte en zijn werkgever aan de pincode zijn gekomen waarmee de container kon worden uitgehaald, is niet bekend geworden. De container had, gelet op de bij de container behorende CMR-vrachtbrief, afgeleverd moeten worden in Venlo. Uit de GPS-gegevens van de trekker blijkt echter dat de container naar bedrijventerrein Zwanengat in Moerdijk is gebracht. Een dag later heeft de verdachte de container daar vroeg in de ochtend weer opgehaald en naar Ridderkerk gebracht. Zijn collega heeft vervolgens de opdracht gekregen om de container naar Venlo te brengen.

De verdachte heeft hiermee naar de uiterlijke verschijningsvorm de container met inhoud aan de heerschappij van de rechthebbende onttrokken en zich daarmee schuldig gemaakt aan diefstal van de container met inhoud. Dat de container daarna alsnog is afgeleverd bij de rechthebbende doet daaraan niet af.

Dit hoeft niet tot een bewezenverklaring te leiden als de verdachte voor deze, voor een bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden, uitleg zou hebben gegeven door bijvoorbeeld te vertellen wie hem de opdracht heeft gegeven om de container naar Moerdijk in plaats van naar Venlo te brengen. Dat heeft verdachte niet gedaan waardoor hij die uiterlijke verschijningsvorm niet heeft weten te weerleggen.

4.1.3.

Conclusie

Het verweer wordt verworpen en het tenlastegelegde feit zal bewezen worden verklaard.

4.2.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

hij op 01 april 2019 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een container met nummer [containernummer] (inhoudende shampooflessen), toebehorende aan [naam bedrijf] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan hem, verdachte, en zijn mededader, zulks nadat hij, verdachte, en zijn mededader), zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft en/of de weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van een valse sleutel, te weten door met een (valselijk verkregen) pincode, die hij, verdachte en zijn mededader niet gerechtigd waren te gebruiken, die container (inhoudende shampooflessen) van de ECT Delta Terminal uit te halen en weg te voeren.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5. Strafbaarheid feit

Het bewezen feit levert op:

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen

goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het feit is dus strafbaar.

6. Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering straf

7.1.

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feit waarop de straf is gebaseerd

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan diefstal van een container met shampoo door middel van pincodefraude. De container is namelijk uitgehaald door gebruik te maken van de voor die container bestemde pincode, terwijl de verdachte en zijn medeverdachte die pincode niet in hun bezit hadden mogen hebben, omdat zij door of namens de rechthebbende niet ingeschakeld waren voor het vervoer van die container.

De container is in plaats van direct naar de rechthebbende in Venlo, (eerst) naar elders gebracht. Na aflevering bij de rechthebbende bleek dat het zegel op de container was verbroken en dat er dozen met shampoo uit de container ontbraken. Die dozen zijn later in een andere container die net als de weggenomen container afkomstig was uit de Verenigde Staten alsnog aangetroffen, maar omdat de kwaliteit van de lading niet meer gewaarborgd kon worden, is de inhoud van beide containers vernietigd. Hierdoor is een flinke schadepost ontstaan.

7.3.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 1 juli 2020, waaruit blijkt dat de verdachte eerder – maar niet in de afgelopen vijf jaar – is veroordeeld voor vermogenscriminaliteit.

7.4.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Gezien de ernst van het feit kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur daarvan heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd. De verdediging heeft verzocht een onvoorwaardelijke gevangenisstraf achterwege te laten en te volstaan met een (maximale) taakstraf. Hiervoor bestaat echter geen aanleiding. De ernst van het feit, die mede blijkt uit de veroorzaakte schade en overlast, verzet zich daartegen.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straffen, waaronder de hieronder besproken verbeurdverklaring, passend en geboden.

8. In beslag genomen voorwerpen

Aan dit vonnis is als bijlage een lijst gehecht van de in beslag genomen voorwerpen, waarvan de inhoud als hier ingelast dient te worden beschouwd.

8.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de in beslag genomen Apple iPhone verbeurd te verklaren en de BQ-telefoon met oplader te onttrekken aan het verkeer.

8.2.

Standpunt verdediging

De raadsman heeft verzocht om teruggave van de iPhone en heeft zich ten aanzien van de BQ-telefoon gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

8.3.

Beoordeling

De in beslag genomen Apple iPhone zal worden verbeurd verklaard. Het voorwerp behoort aan de verdachte toe en het bewezen feit is met behulp van dit voorwerp begaan.

De in beslag genomen BQ-telefoon en de oplader zullen worden onttrokken aan het verkeer.

Het ongecontroleerde bezit daarvan is in strijd met het algemeen belang. Het voorwerp behoort toe aan de verdachte, is bij gelegenheid van het onderzoek naar het door de verdachte begane feit aangetroffen en het kan dienen tot de voorbereiding, het begaan en de belemmering van de opsporing van soortgelijke feiten.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 33, 33a, 36b, 36d en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

10. Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11. Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit,zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 (twintig) weken;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

beslist ten aanzien van de voorwerpen, geplaatst op de lijst van inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, als volgt:
- verklaart verbeurd als bijkomende straf het voorwerp dat op de aan dit vonnis gehechte beslaglijst is genummerd 4;

- verklaart onttrokken aan het verkeer de voorwerpen die op de aan dit vonnis gehechte beslaglijst zijn genummerd 2 en 3.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. R. Brand, voorzitter,

en mrs. F. van Buchem en F. van Laanen, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. J.G. Polke, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 01 april 2019 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een container met nummer [containernummer] (inhoudende shampoo flessen), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam bedrijf] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan hem, verdachte, en/of zijn mededader(s), zulks nadat hij, verdachte, en/of zijn mededader(s), zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van een valse sleutel, te weten door met een (valselijk verkregen) pincode, die hij, verdachte en/of zijn mededader(s) niet gerechtigd was/waren te gebruiken, die container (inhoudende shampoo flessen) van de ECT Delta Terminal op/uit te

halen en/of weg te voeren.