Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:9299

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
10-08-2020
Datum publicatie
16-10-2020
Zaaknummer
10/751018-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Taakstraf van 60 uur opgelegd voor eenvoudig witwassen van een contant geldbedrag. Het geld was (deels) afkomstig uit misdrijf omdat de verdachte zijn inkomsten als (thuis)kapper niet had opgegeven bij de Belastingdienst. Het verweer dat het bewijs is verkregen door een onrechtmatige doorzoeking van de auto is verworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 20-10-2020
FutD 2020-3138
NLF 2020/2307 met annotatie van
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 3

Parketnummer: 10/751018-20

Datum uitspraak: 10 augustus 2020

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] ( [geboorteland verdachte] ) op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres verdachte] , [postcode verdachte] [woonplaats verdachte] ,

raadsman mr. M. Baadoudi, advocaat te Haarlem.

1. Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 27 juli 2020.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3. Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. P.A. Willemse heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van de b-variant van het primair tenlastegelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 weken, met aftrek van voorarrest.

4. Waardering van het bewijs

4.1.

Standpunt officier van justitie

Het primair tenlastegelegde (opzet)witwassen van het geldbedrag kan wettig en overtuigend worden bewezen. In het dossier is geen direct bewijs voor de aanwezigheid van een brondelict aanwezig. Wel is er door de wijze waarop het geld is aangetroffen een vermoeden van witwassen. De door de verdachte afgelegde verklaring biedt geen (afdoende) inzicht in de herkomst van het aangetroffen geldbedrag. Mede daarom kan met voldoende mate van zekerheid worden uitgesloten dat het geldbedrag een legale herkomst heeft. Niet kan worden bewezen het verbergen of verhullen van het geldbedrag, zoals ten laste gelegd in de a-variant van het primair tenlastegelegde, maar wel het voorhanden hebben zoals dat in de b-variant ten laste is gelegd.

4.2.

Standpunt verdediging

De raadsman van de verdachte heeft primair aangevoerd dat de verbalisanten de auto van de verdachte onrechtmatig hebben doorzocht, waardoor sprake is van een onherstelbaar vormverzuim in het voorbereidend onderzoek, zoals bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv), Om die reden dient bewijsuitsluiting plaats te vinden en dient de verdachte wegens gebrek aan voldoende zich overigens in het dossier bevindend bewijs te worden vrijgesproken van het tenlastegelegde.

Subsidiair heeft de raadsman bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken, omdat niet kan worden bewezen dat de geldbedragen afkomstig zijn uit enig (eigen) misdrijf.

De verdachte heeft heeft direct na het aantreffen van het geld een plausibele en verifieerbare verklaring afgelegd over de herkomst van het geld. Het Openbaar Ministerie heeft vervolgens nagelaten om in voldoende mate onderzoek te (laten) doen naar de door de verdachte afgelegde verklaring.

4.3.

Beoordeling

Onrechtmatig verkregen bewijs

De rechtbank verwerpt het verweer dat sprake is van onrechtmatig verkregen bewijs. Zij overweegt hiertoe het volgende.

Uit het proces-verbaal van bevindingen [nummer proces-verbaal] blijken onder meer de volgende feiten en omstandigheden:

  • -

    de verdachte, bestuurder van een auto, buigt na het geven van het volgteken door de verbalisanten constant naar rechts, waarbij het lijkt alsof hij iets probeert te verstoppen;

  • -

    de verdachte is in 2017 veroordeeld voor een harddrugsfeit;

  • -

    de verdachte voldoet niet aan de vordering tot uitlevering van aanwezige drugs;

  • -

    in de middenconsole van de auto liggen evenwel voor de verbalisant zichtbaar een aantal zakjes waarin drugs plegen te worden vervoerd en ten minste één zakje met een stof die de verbaliant ambtshalve herkent als cannabis;

  • -

    na overleg tussen de verbalisanten, waarbij de verdachte 15 seconden niet in beeld is bij de verbalisanten, zijn deze zakjes weg;

  • -

    de verdachte stapt pas na aandringen uit zijn auto en is onrustig in zijn bewegingen door voortdurend heen en weer te draaien;

  • -

    bij vervoersfouillering blijkt dat de verdachte drie telefoons op zak heeft.

De rechtbank is van oordeel dat aspirant van politie [naam verbalisant] toegang had tot de auto van de verdachte, omdat hem bekend was of redelijkerwijs door hem kon worden vermoed dat daarmee middelen als bedoeld in lijst I of II, behorend bij de Opiumwet, werden vervoerd of dat deze daarin bewaard werden of aanwezig waren en die toegang redelijkerwijs voor de vervulling van zijn taak nodig was (artikel 9, eerste lid, onder a, van de Opiumwet).

In het proces-verbaal wordt voorts gerelateerd dat verbalisant [naam verbalisant] vervolgens op de grond bij de bijrijdersstoel een laptoptas ziet staan en dat hij deze in beslag neemt. De rechtbank overweegt in dit verband dat een opsporingsambtenaar te allen tijde bevoegd is tot inbeslagneming van daarvoor vatbare voorwerpen (artikel 9, derde lid, van de Opiumwet) en dat alle voorwerpen die kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen, voor inbeslagneming vatbaar zijn (artikel 94, eerste lid, Sv). Onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 22 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5848 overweegt de rechtbank dat voor de waarheidvinding onderzoek mag worden gedaan aan in beslag genomen voorwerpen. Nu de desbetreffende tas eerst door de verbalisant aan een onderzoek is onderworpen nadat dat deze – als daarvoor vatbaar – door hem in beslag was genomen, is van een doorzoeking als in het verweer bedoeld geen sprake geweest.

Dit geldt ook ten aanzien van de plastic tas met geld. Uit het proces-verbaal volgt immers dat de verbalisant in de eerste tas grote hoeveelheden bankbiljetten zag, waaronder een biljet van honderd euro en meerdere biljetten van vijfhonderd euro. De verbalisant heeft vervolgens aan de verdachte, jegens wie daardoor (ook) een verdenking van witwassen was gerezen, medegedeeld dat hij de auto en alles wat daarin aanwezig was, in beslag nam. Eerst daarna heeft hij zijn onderzoek voortgezet, de andere tas gezien en daarin gekeken.

Ten overvloede overweegt de rechtbank dat ook als wel sprake was geweest van een doorzoeking, de geschetste feiten en omstandigheden naar haar oordeel voldoende zouden zijn voor een verdenking als bedoeld in artikel 96b Sv, namelijk ter zake artikel 11 tweede lid van de Opiumwet.

Overigens is niet aannemelijk geworden dat de politie disproportioneel heeft gehandeld.

Overwegingen primaire tenlastelegging onder a

Primair, onder a, wordt de verdachte verweten dat hij de aard, herkomst of vindplaats van de aangetroffen € 21.815 heeft verborgen of verhuld, of heeft verhuld wie de rechthebbende is.

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van verbergen of verhullen. Uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan immers niet meer worden afgeleid dan dat het geld, dat van de verdachte is, in zijn auto bij de bijrijdersstoel is aangetroffen in een laptoptas en een plastic tas.

Van dit deel van de tenlastelegging wordt de verdachte daarom vrijgesproken.

Overwegingen primaire tenlastelegging onder b

Primair, onder b, wordt de verdachte verweten dat hij het aangetroffen geld heeft verworven, voorhanden gehad, overgedragen, omgezet of gebruikt, terwijl hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat dit onmiddellijk of middellijk afkomstig was uit enig misdrijf. De tenlastelegging is in zoverre toegeschreven op de artikelen 420bis en 420quater van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr).

Uit het dossier, noch uit het onderzoek ter terechtzitting, is de rechtbank gebleken dat de verdachte het aangetroffen geld heeft omgezet of gebruikt. Evenmin blijkt daaruit dat de verdachte toen hij dat geld verwierf, wist of redelijkerwijs moest vermoeden, dat het onmiddellijk of middellijk afkomstig was uit enig misdrijf. Ook blijkt daaruit niet dat sprake is van medeplegen. In zoverre wordt de verdachte vrijgesproken.

De rechtbank overweegt als volgt ten aanzien van het ten laste gelegde voorhanden hebben van het geld, terwijl de verdachte wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat dit – onmiddellijk of middellijk – afkomstig was uit enig misdrijf.

Uit de bewijsmiddelen volgt dat het geld dat de verdachte voorhanden had, afkomstig was uit zijn thuiskapperswerkzaamheden. Dit, nadat zijn kapsalon in januari 2017 was gesloten. De verdachte heeft verklaard dat hij in 2017 en 2018 geen belasting heeft betaald. Uit de bewijsmiddelen blijkt ook dat voor deze inkomsten en omzet geen belastingaangiften zijn gedaan. Dat had de verdachte wat betreft de inkomstenbelasting 2017 en de omzetbelasting 2017 en 2018 op 12 april 2019 – de ten laste gelegde datum waarop het geld is aangetroffen – al wel moeten doen. Het is een misdrijf om geen belastingaangifte te doen binnen de daarvoor gestelde termijn. Naar vaste rechtspraak heeft te gelden dat vermogensbestanddelen waarover men de beschikking heeft doordat belasting is ontdoken, kunnen worden aangemerkt als voorwerpen “afkomstig (…) van enig misdrijf” in de zin van de artikelen 420bis en 420quater Sr (vgl. HR. 7 oktober 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BD2774) en HR 9 oktober 2012 (ECLI:NL:HR:2012:BX4563)).

Daarmee staat vast dat in ieder geval een gedeelte van het geld afkomstig was uit misdrijf, te weten dat gedeelte dat aan belasting afgedragen had moeten worden.

Overigens is niet vereist dat het voorwerp geheel uit misdrijf afkomstig is. Ook indien sprake is van een geldbedrag dat deels bestaat uit crimineel geld en deels uit legaal geld, is sprake van een voorwerp dat uit misdrijf afkomstig is (vgl. HR 23 november 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN0578).

Het voorhanden hebben van (een gedeelte van) geld dat ter beschikking is gekregen als vergoeding voor verrichte werkzaamheden levert witwassen op, indien, naar de verdachte wist, die inkomsten aan de belastingheffing waren onttrokken.

Op grond van het vorenstaande komt de rechtbank tot het oordeel dat de verdachte geld voorhanden had, terwijl hij wist dat dit onmiddellijk afkomstig was uit enig misdrijf.

Bewezenverklaring primaire tenlastelegging

De rechtbank acht, primair, wettig en overtuigend bewezen dat:

hij op 12 april 2019 te Capelle aan den IJssel

een voorwerp, te weten één geldbedrag, tot een totaal van 21.815,- euro, of daaromtrent, voorhanden heeft gehad , terwijl hij, verdachte, wist dat dat geldbedrag – onmiddellijk – afkomstig was uit enig misdrijf.

De rechtbank spreekt de verdachte vrij van hetgeen overigens primair ten laste is gelegd.

Overwegingen en bewijsbeslissing subsidiaire tenlastelegging

Voor zover het primair tenlastegelegde niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, wordt de verdachte subsidiair verweten dat hij het aangetroffen geld heeft verworven of voorhanden gehad, terwijl hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat dit onmiddellijk of middellijk afkomstig was uit enig eigen misdrijf. De tenlastelegging is in zoverre toegeschreven op de artikelen 420bis.1 en 420quater.1 Sr.

Zoals hiervoor uiteen gezet, leidt het primair, onder b, tenlastegelegde weliswaar tot een bewezenverklaring, maar deze bewezenverklaring leidt – zoals hierna zal blijken – niet tot een kwalificatie als het kennelijk – blijkens de primair/subsidiair-constructie – door de steller van de tenlastelegging beoogde strafbare feit van artikel 420bis Sr. Dit betekent dat het primair tenlastegelegde niet tot een veroordeling leidt en de rechtbank toekomt aan het subsidiair tenlastegelegde.

Bewezenverklaring subsidiaire tenlastelegging

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, en op grond van hetgeen hierna, bij de strafbaarheid van het feit, wordt overwogen ten aanzien van de afkomst uit eigen misdrijf, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan op die wijze dat:

hij op 12 april 2019, te Capelle aan den IJssel, een voorwerp, te weten één geldbedrag, tot een totaal van 21815,- euro, of daaromtrent, voorhanden heeft gehad, terwijl hij, verdachte, wist dat dat voorwerp onmiddellijk afkomstig was uit enig eigen misdrijf.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de bewezenverklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

5. Strafbaarheid feit

Overwegingen en kwalificatiebeslissing primaire bewezenverklaring

Uit de bewijsvoering vloeit rechtstreeks voort dat sprake is van – kort gezegd – het voorhanden hebben van een voorwerp dat onmiddellijk afkomstig is uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf.

Vaste rechtspraak van de Hoge Raad, onder meer in zijn arrest van 13 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2842, ten aanzien van het verwerven of voorhanden hebben van voorwerpen die “onmiddellijk” uit “eigen” misdrijf afkomstig zijn, is dat die gedragingen niet zonder meer als gewoon (schuld)witwassen kunnen worden gekwalificeerd. Wanneer het gaat om gewoon (schuld)witwassen bestaande in het verwerven of voorhanden hebben van een voorwerp dat onmiddellijk afkomstig is uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf, moet uit de motivering van de uitspraak kunnen worden afgeleid dat de gedragingen van de verdachte ook (kennelijk) gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het voorwerp. Deze rechtspraak over de kwalificeerbaarheid van gewoon (schuld)witwassen houdt in dat indien vaststaat dat het enkele verwerven of voorhanden hebben door de verdachte van een voorwerp dat onmiddellijk afkomstig is uit een door hemzelf begaan misdrijf, niet kan hebben bijgedragen aan het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat voorwerp, die gedraging niet als (schuld)witwassen kan worden gekwalificeerd.

Nu niet is gebleken van gedragingen van de verdachte die gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het geld dat onmiddellijk afkomstig was uit zijn eigen misdrijf, levert het primair bewezenverklaarde geen strafbaar feit op. De verdachte wordt in zoverre ontslagen van alle rechtsvervolging.

Overwegingen en kwalificatiebeslissing subsidiaire bewezenverklaring

Het subsidiair bewezen verklaarde feit levert op:

eenvoudig witwassen.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het feit is dus strafbaar.

6. Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering straf

7.1.

Algemene overweging

De straffen die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feit waarop de straf is gebaseerd

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het eenvoudig witwassen van een contant geldbedrag. Hij heeft de inkomsten uit zijn werkzaamheden als thuiskapper niet opgegeven bij de Belastingdienst. Witwassen tast de integriteit van het financiele en economische verkeer aan en ondermijnt de legale economie.

De verdachte heeft op geen enkel moment, ook niet ter terechtzitting, enige blijk gegeven de strafwaardigheid van het bewust niet doen van belastingaangifte (en daarmee het bezitten van zwart geld) in te zien en stelt uitsluitend zijn eigen belang voorop. De rechtbank acht die houding zeer zorgelijk.

7.3.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 1 juli 2020, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

7.4.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Gezien de aard en ernst van het feit zal de rechtbank een taakstraf van na te noemen duur opleggen. Aangezien de rechtbank komt tot de bewezenverklaring van een minder ernstige vorm van witwassen dan de officier van justitie heeft gevorderd, komt zij – anders dan de officier van justitie – niet tot een gevangenisstraf. Bij het bepalen van de aard en de duur van de straf houdt zij er verder rekening mee dat het in beslag genomen geld verbeurd zal worden verklaard. Dit dient mede de speciale preventie: de verdachte dient zich er terdege van bewust te zijn dat zijn gedrag – ook maatschappelijk gezien – onacceptabel is en moet begrijpen dat dit niet nog eens moet gebeuren.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straffen, waaronder de hieronder besproken verbeurdverklaring, passend en geboden.

8. In beslag genomen voorwerpen

Aan dit vonnis is als bijlage een lijst gehecht van de in beslag genomen voorwerpen, waarvan de inhoud als hier ingelast dient te worden beschouwd.

8.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd het in beslag genomen geldbedrag verbeurd te verklaren.

8.2.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft verzocht om teruggave van het in beslag genomen geldbedrag.

8.3.

Beoordeling

Het in beslag genomen geldbedrag zal worden verbeurd verklaard. Het bewezen feit is met betrekking tot dit geldbedrag begaan.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 9, 22c, 22d, 33, 33a en 420bis.1 van het Wetboek van Strafrecht.

10. Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11. Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte het primair, onder a, ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte het primair, onder b, en het subsidiair ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

stelt vast dat het primair, onder b, bewezen verklaarde geen strafbaar feit oplevert en ontslaat de verdachte ten aanzien daarvan van alle rechtsvervolging;

stelt vast dat het subsidiair bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 60 (zestig) uren, waarbij de Reclassering Nederland dient te bepalen uit welke werkzaamheden de taakstraf dient te bestaan;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering wordt gebracht volgens de maatstaf van twee uren per dag, zodat na deze aftrek 56 (zesenvijftig) uren te verrichten taakstraf resteert;

beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 28 dagen;

beslist ten aanzien van de voorwerpen, geplaatst op de lijst van in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, als volgt:
- verklaart verbeurd als bijkomende straf voor het subsidiaire feit de geldbedragen die op de aan dit vonnis gehechte lijst zijn genummerd 1, 2 en 3.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. R. Brand, voorzitter,

en mrs. F. van Buchem en F. van Laanen, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. J.G. Polke, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

De voorzitter en de jongste rechter zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

Primair

hij op of omstreeks 12 april 2019 te Capelle aan den IJssel, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, eenmaal of meermalen

a)

van een of meer voorwerpen, te weten een of meer geldbedrag(en) tot een totaal van 21.815,- euro, of daaromtrent, althans één of meer geldbedrag(en),de werkelijke aard en/of herkomst en/of de vindplaats heeft verborgen en/of heeft verhuld, dan wel verborgen heeft gehouden of heeft verhuld wie de rechthebbende op dit voorwerp/deze voorwerpen is/zijn, en/of dit voorwerp/deze voorwerpen geld voorhanden heeft/hebben gehad dan wel

b)

van een of meer voorwerpen, te weten één of meer geldbedrag(en), tot een totaal van 21.815,- euro, of daaromtrent, althans (telkens) één of meer geldbedrag(en), heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen en/of heeft omgezet, en/of

van een of meer voorwerpen, te weten een of meer geldbedrag(en) tot een totaal van 21.815,- euro, of daaromtrent, althans (telkens) een of meer geldbedrag(en), gebruik heeft gemaakt, terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(s), wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden, dat dat/die geldbedrag(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig(e) misdrijf/misdrijven;

Subsidiair

hij in of omstreeks 12 april 2019, te Capelle aan den IJssel, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, eenmaal of meermalen, een voorwerp, te weten één of meer geldbedrag(en), tot een totaal van 21815,- euro, of daaromtrent, heeft verworven en/of

voorhanden heeft gehad, terwijl hij, verdachte, wist en/of redelijkerwijs moest vermoeden dat dat voorwerp onmiddellijk afkomstig was uit enig eigen misdrijf.