Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:9214

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
08-09-2020
Datum publicatie
14-10-2020
Zaaknummer
10/754511-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor mensenhandel gedurende een periode van vier weken. Geen gedwongen prostitutie, maar wel uitbuiting (afnemen verdiende geld).

Veroordeling voor in voorraad hebben van vals geld. Verwerping verweer t.a.v. ontbreken wetenschap valsheid. Vrijspraak van aanwezig hebben van cocaïne, mede i.v.m. ontbreken NFI-rapport.

Gevangenisstraf van 15 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk. Proeftijd 3 jaar en met bijzondere voorwaarden, o.a. contactverbod met het slachtoffer (dadelijk uitvoerbaar). Gedeeltelijke toewijzing vordering benadeelde partij met overweging over schatting gemiddelde inkomsten per dag uit prostitutiewerkzaamheden en immateriële schade.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 3

Parketnummer: 10/754511-20

Datum uitspraak: 8 september 2020

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres

[adres verdachte] , [woonplaats verdachte]

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in

Detentiecentrum Rotterdam,

raadsvrouw mr. K. Kuster, advocaat te Rotterdam.

1. Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 25 augustus 2020.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

Kort weergegeven wordt de verdachte verweten dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan:
feit 1: mensenhandel;

feit 2: het aanwezig hebben van 16,1 gram cocaïne, en

feit 3: het in voorraad hebben van 19 valse bankbiljetten.

3. Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. M. al Mansouri heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 8 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaar en als bijzondere voorwaarden: een meldplicht bij de reclassering, meewerken aan een ambulante behandeling, verblijven bij een instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang, een contactverbod met het slachtoffer, meewerken aan schuldhulpverlening en een inspanningsverplichting tot het verkrijgen en behouden van een zinvolle dagbesteding.

4. Waardering van het bewijs

4.1.

Vrijspraak van het onder 2 tenlastegelegde

4.1.1.

Standpunt officier van justitie

De verdachte heeft bekend dat de gripzakjes die onder hem in beslag genomen zijn cocaïne bevatten. Het middel is door de politie indicatief getest en de uitslag heeft ook uitgewezen dat het cocaïne betreft. Het onder 2 tenlastegelegde kan daarom wettig en overtuigend bewezen worden verklaard.

4.1.2.

Beoordeling

De rechtbank is van oordeel dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 2 tenlastegelegde. De rechtbank overweegt als volgt.

De verdachte heeft verklaard in de veronderstelling te zijn geweest dat hij cocaïne had gekocht. Hij heeft niet verklaard dat hij het middel heeft geprobeerd of het (aan de werking) herkend heeft als cocaïne.

Voor een juridisch toereikende vaststelling van de aard van een aangetroffen middel is niet onder alle omstandigheden een laboratoriumtest vereist. Een indicatieve test kan, samen met voldoende ondersteunend en betekenisvol bewijs, leiden tot die vaststelling. Gelet op de verklaring van de verdachte, bevat het dossier echter onvoldoende ondersteunend bewijs om te komen tot een bewezenverklaring van aanwezigheid van cocaïne. De verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

4.1.3.

Conclusie

Het onder 2 tenlastegelegde is niet wettig en overtuigend bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

4.2.

Bewijswaardering ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde

4.2.1.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 1 tenlastegelegde. Dat sprake is van uitbuiting en gedwongen prostitutie volgt enkel uit de verklaringen van [naam slachtoffer] . Deze verklaringen worden niet ondersteund door de overige inhoud van het dossier. Bovendien zijn de verklaringen van [naam slachtoffer] onbetrouwbaar en ongeloofwaardig, daar zij innerlijk tegenstrijdig zijn.

4.2.2.

Beoordeling

De verdenking van de verdachte komt er – kort gezegd – op neer dat hij zich in de periode van 20 januari tot en met 1 maart 2020 schuldig heeft gemaakt aan mensenhandel.

Feiten en omstandigheden

De rechtbank stelt de volgende feiten en omstandigheden vast.

Verklaringen van de aangeefster

Op 24 februari 2020 gingen verbalisanten van de politie Noord-Nederland naar een vakantiepark te Appelscha. Daar zou het slachtoffer, [naam slachtoffer] , mogelijk gedwongen worden tot seks. Middels haar live locatie, die zij deelde met de melder (haar oud werkgever), werd [naam slachtoffer] aangetroffen met de verdachte, al rijdend in de auto. De verdachte is aangehouden en een alarmpistool en een contant geldbedrag van duizend euro zijn bij hem in beslag genomen. [naam slachtoffer] verklaarde aan de verbalisanten – in het kort – dat zij zich de afgelopen vier tot vijf weken had geprostitueerd in samenwerking met de verdachte. Zij verbleef in zijn woning en ontving daar de klanten. De verdachte bepaalde alles: hij had een werktelefoon voor haar gekocht, bepaalde de prijzen en maakte de afspraken. De prostitutie begon vrijwillig, maar naarmate de tijd vorderde, werd de verdachte steeds dwingender.

[naam slachtoffer] heeft aanvullende verklaringen afgelegd op onder andere 1 maart, 3 maart en 15 mei 2020. Deze verklaringen komen er op neer dat zij sinds eind januari bij de verdachte in Rotterdam verbleef. Zij had hem ontmoet via Bullchat, een website waarop zij zich aanbood als prostituee. Zij had enkele seksafspraken gehad voor ze hem ontmoette. Tijdens hun afspraak vertelde hij dat hij verschillende meisjes voor zich had werken in de prostitutie, dat hij fungeerde als een soort beveiliger, dat hij een vuurwapen had en dat er messen onder de bank lagen waar de meisjes bij konden. Een week later hadden ze weer contact en spraken ze af samen te werken. Vanaf dat moment werkte [naam slachtoffer] vanuit de woning van de verdachte en verbleef zij daar.

Zij werkte vijf dagen per week en had meestal twee klanten per dag, soms meer. Het verdiende geld legde ze op een bureau, waar de verdachte het vandaan haalde. Ook had zij escortafspraken, waarbij ze met klanten mee ging. In die gevallen overhandigde ze het geld persoonlijk aan de verdachte. Soms betaalden klanten via Tikkie, op de rekening van de verdachte. De bedoeling was dat [naam slachtoffer] 70% van het geld zou krijgen en de verdachte 30%. [naam slachtoffer] was in de veronderstelling dat ze haar deel van het geld zou krijgen, maar dit is nooit gebeurd. De verdachte beheerde het geld. Hij gebruikte dit geld onder meer om te betalen voor hotels, boodschappen, kleding en telefoons. Het overgebleven geld heeft verdachte voor zichzelf gehouden.

[naam slachtoffer] zag ook andere meisjes die voor of met de verdachte werkten, onder wie de getuige [naam getuige] . De verdachte schold [naam slachtoffer] steeds vaker uit met woorden als ‘hoer’ en ‘slet’ en naarmate de tijd vorderde drong hij er een aantal keer op aan dat [naam slachtoffer] zou werken, ondanks dat ze moe was. Hij gaf haar de medicatie die hij ook gebruikte, benzodiazepine en Xanax.

Op 20 februari 2020 had [naam slachtoffer] een discussie met een klant, waarop de verdachte, die voor de woning in een auto zat met onder meer [naam getuige] , de woning binnenrende met zijn wapen in zijn hand.

Op 24 februari 2020 gingen [naam slachtoffer] en de verdachte voor een midweek naar een bungalowpark in Appelscha om even af te koelen. Er ontstond een ruzie tussen hen over de kosten voor het bungalowpark, die volgens de verdachte te hoog zouden zijn, en hij legde [naam slachtoffer] een “boete” op van € 2000,-, die zij zou moeten aflossen door gang bangs en anale seks te ondergaan. Hierop belde [naam slachtoffer] haar zus, om dit geldbedrag bij haar te lenen. Vlak hierna is verdachte aangehouden en kort daarop is hij weer vrijgelaten.

In de week van 25 februari tot en met 1 maart 2020 is [naam slachtoffer] een aantal keer weggegaan bij en teruggegaan naar de verdachte. Op 29 februari en 1 maart 2020 vonden er incidenten plaats waarbij de verdachte de kleding en schoenen van [naam slachtoffer] vernield heeft en hij haar lichamelijk letsel heeft toegebracht. Daarna heeft [naam slachtoffer] de verdachte niet meer gezien.

Ondersteunende bewijsmiddelen

De verklaringen van [naam slachtoffer] worden op diverse punten ondersteund door de overige inhoud van het dossier.

De verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij ontzettend veel van [naam slachtoffer] hield, dat hij het vreselijk vond dat zij in de prostitutie zat en dat er absoluut geen sprake was van enige vorm van samenwerking tussen hem en haar bij haar prostitutie. Dat de verdachte echter wel degelijk en intensief betrokken was bij het werk van [naam slachtoffer] blijkt uit de verklaringen van [naam slachtoffer] , die wat dit betreft worden ondersteund door andere bewijsmiddelen. Dat zijn ten eerste de resultaten uit het onderzoek naar de bankrekeningen van de verdachte. Uit dat onderzoek is gebleken dat de verdachte betalingen heeft gedaan aan [naam bedrijf] , de onderneming achter websites als [website] . In het dossier is een advertentie van ‘ [werknaam 1] ’opgenomen die op [website] stond. Dat deze bedragen voor een andere website van [naam bedrijf] waren bedoeld is niet aannemelijk geworden.

Ten tweede is op dit punt de verklaring van getuige [naam getuige] ondersteunend. Zij verklaart dat zij en [naam slachtoffer] beiden voor de verdachte in de prostutitie werkten en dat zij ook de verdeling van 30% voor de verdachte en 70% voor zichzelf hanteerde, maar dat bij haar de verdeling wel altijd netjes is verlopen. Zij kende de verdachte dan ook al langer en hij kon haar niet zo makkelijk manipuleren, aldus de getuige. Ook bevestigt zij de verklaring van [naam slachtoffer] als het gaat om het incident dat zich op 20 februari 2020 afspeelde, toen de verdachte met zijn pistool de auto verliet en de woning in rende om een klant van [naam slachtoffer] een lesje te leren.

Tot slot zijn de Whatsappberichten van 8 februari 2020 ondersteunend. Naar het oordeel van de rechtbank zijn deze berichten gewisseld tussen [naam slachtoffer] en de verdachte. Uit die berichten blijkt duidelijk dat de verdachte precies volgde wat [naam slachtoffer] met haar klanten deed en dat hij haar instructies gaf hoe met hen om te gaan.

De verklaringen van [naam slachtoffer] dat zij al haar verdiensten uit de prostitutiewerkzaamheden afstond aan de verdachte en dat de verdachte zich hierdoor bevoordeelde, worden ondersteund door de volgende bewijsmiddelen in onderlinge samenhang.

Ten eerste is uit het onderzoek naar de bankrekeningen van de verdachte gebleken dat hij op verschillende momenten overschrijvingen ontving met in de omschrijving ‘ [werknaam 1] ’. Dit was, blijkens de verklaringen van [naam slachtoffer] en [naam getuige] , de werknaam van [naam slachtoffer] . Deze overschrijvingen zijn afkomstig van verschillende personen en gaan om variërende bedragen, te weten € 30,-, € 40,- en € 75,-.

Ten tweede is door verbalisant [naam agent] op 29 februari 2020 een gesprek opgevangen tussen [naam slachtoffer] en de verdachte. Tijdens dit gesprek hoorde de verbalisant de verdachte zeggen dat hij “financiële intenties” had.

Ten derde heeft [naam slachtoffer] op 13 februari 2020 een WhatsAppgesprek gevoerd met haar privénummer met iemand die haar kende, haar advertentie gezien had en wilde controleren of zij het was. In dat gesprek vertelde zij hem dat zij in principe een geldverdeling had afgesproken met “haar guy”, namelijk dat hij 30% zou krijgen en zij 70%, maar dat ze haar geld nog niet gekregen had. De rechtbank begrijpt dat deze “guy” de verdachte betreft.

Ten vierde is de verdachte op zowel 24 februari als 1 maart 2020 door de politie aangehouden. Op beide momenten is door de verbalisanten een groot geldbedrag in contanten bij hem aangetroffen, te weten € 1.000,- op 24 februari 2020 en € 1.130,- op
1 maart 2020. De verklaring van de verdachte hiervoor, namelijk dat hij dit geld heeft gespaard van zijn uitkering, acht de rechtbank niet aannemelijk, in het licht van de overige inhoud van het dossier.

Betrouwbaarheid verklaringen [naam slachtoffer]

De rechtbank ziet geen aanleiding om aan te nemen dat de verklaringen van [naam slachtoffer] inconsistent en onbetrouwbaar zijn, nu deze verklaringen op verschillende essentiële punten door de overige stukken in het dossier worden ondersteund, zoals hiervoor uiteengezet. Het feit dat [naam slachtoffer] op enkele ondergeschikte en gedetailleerde punten wisselend heeft verklaard, doet naar het oordeel van de rechtbank niets af aan de betrouwbaarheid en geloofwaardigheid van de kern van haar verklaringen. Het verweer van de verdediging wordt verworpen.

Tussenconclusie feiten en omstandigheden

Uit het voorgaande blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat de verdachte nauw betrokken was bij de prostitutiewerkzaamheden van [naam slachtoffer] en dat de verdachte zich al haar verdiensten toeëigende.

Mensenhandel

De vraag die de rechtbank moet beantwoorden, is of de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan mensenhandel zoals tenlastegelegd. De tenlastelegging is geënt op de delictsomschrijvingen van artikel 273f, eerste lid, onderdelen 1, 4, 6 en 9 van het Wetboek van Strafrecht.

Mensenhandel, artikel 273f, lid 1, sub 1

Voor een bewezenverklaring van een tenlastelegging geënt op artikel 273f lid 1 sub 1 moet sprake zijn van een of meer in de in het eerste onderdeel van dit wetsartikel genoemde dwangmiddelen en gedragingen, met het oogmerk van uitbuiting.

Dwangmiddelen

De rechtbank zal de dwangmiddelen op grond waarvan de officier van justitie tot bewezenverklaring heeft geconcludeerd afzonderlijk bespreken.

- Dwang, (dreiging met) geweld of dreiging met een andere feitelijkheid

Uit de verklaringen van [naam slachtoffer] valt niet af te leiden dat de verdachte haar psychisch onder druk zette, geweld tegen haar gebruikte of dat hij daarmee dreigde. Uit het dossier valt weliswaar op te maken dat [naam slachtoffer] bang was dat de verdachte boos zou worden als ze met het werk zou willen stoppen of er negatief over sprak, zoals in het whatsappgesprek met “ [naam ] ”:

[13-02-20 02:15:27] [naam slachtoffer] : Ik wil hem ook niet boos maken

[13-02-20 02:15:38] [naam ] : Benje bang voor hem

[13-02-20 02:15:45] [naam slachtoffer] : Soms

[13-02-20 02:15:59] [naam ] : Kan je stoppen van dit?

[13-02-20 02:15:58] [naam slachtoffer] : Hij kan heel erg omslaan

[13-02-20 02:16:10] [naam ] : Van watje doet

[13-02-20 02:16:44] [naam slachtoffer] : Ik weet het niet

[13-02-20 02:16:55] [naam ] : Schat luister

[13-02-20 02:17:00] [naam ] : Ga uit die wereld

[13-02-20 02:17:02] [naam slachtoffer] : Hij heeft veel op me he

[13-02-20 02:17:06] [naam ] : Schiet niks op

[13-02-20 02:17:18] [naam slachtoffer] : Als ik eruit wil

[13-02-20 02:17:23] [naam slachtoffer] : Maar hij wilt dat niet

[13-02-20 02:17:34] [naam ] : Ja maar ikjou keuze

[13-02-20 02:17:36] [naam slachtoffer] : Ben ik sws de lul

Hieruit volgt echter niet dat de verdachte daadwerkelijk geweld heeft gebruikt of dreigde met geweld om [naam slachtoffer] te dwingen tot prostitutie of het afstaan van haar verdiensten. Ook [naam slachtoffer] zelf verklaart dat niet. De rechtbank merkt daarbij op dat de politie een aantal keren betrokken is geweest in verband met meldingen van mogelijke geweldsincidenten (24 en 29 februari en 1 maart 2020), maar uit het dossier en ook uit de eigen verklaringen van [naam slachtoffer] volgt dat zij vrijwillig in de prostitutie zat en dat haar bezwaar tegen de verdachte hem voornamelijk zit in het feit dat haar uiteindelijk bleek dat hij het door haar verdiende geld afpakte. Zoals hierboven is overwogen, is afdoende gebleken dat hij haar verdiensten heeft afgenomen.

- Andere feitelijkheden

Zoals hierboven al is overwogen acht de rechtbank bewezen dat de verdachte [naam slachtoffer] in een positie heeft gebracht en gehouden waarin zij niet of nauwelijks over haar eigen financiële middelen kon beschikken. Er is daarom sprake van andere feitelijkheden.

- Misleiding

De verdachte heeft [naam slachtoffer] door misleiding gedwongen de verdiensten uit haar prostitutiewerkzaamheden aan hem af te staan, door haar het verdiende geld aan hem te laten overdragen en haar te laten geloven dat zij haar deel later terug zou krijgen.

- Misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht

De verdachte heeft voorts misbruik gemaakt van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht. Hiervan is volgens de wetgever sprake als een prostituee verkeert of komt te verkeren in een situatie die niet gelijk is aan de omstandigheden waarin een mondige prostituee in Nederland verkeert. Mondig betekent dat hij of zij zelfstandig kan bepalen of en wanneer en voor wie er wordt gewerkt en ook dat hij of zij zelf de beschikking heeft over de inkomsten uit dat werk (Kamerstukken II 1988/89, 21027, 3, p. 3 e.v. en 5).

Nu de verdachte de opbrengsten van [naam slachtoffer] feitelijk innam en beheerde, en [naam slachtoffer] liet geloven dat zij haar deel zou krijgen, is sprake van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht, waar de verdachte misbruik van heeft gemaakt.

- Misbruik van een kwetsbare positie

Met een kwetsbare positie wordt een situatie bedoeld waarin de betrokkene geen andere werkelijke of aanvaardbare keuze heeft dan het misbruik te ondergaan. De keuzemogelijkheden voor het slachtoffer ontbreken of zijn verminderd.

De rechtbank is van oordeel dat van een dergelijke kwetsbare positie geen sprake is geweest. Het dossier bevat hier onvoldoende aanwijzingen voor.

- Afpersing, fraude, het geven of ontvangen van betalingen of voordelen om de instemming van een persoon te verkrijgen die zeggenschap over het slachtoffer heeft

In het dossier ontbreken aanwijzingen ten aanzien van deze dwangmiddelen. Hier is dan ook geen sprake van.

(oogmerk van) uitbuiting

(Het oogmerk van) uitbuiting is in de wet niet gedefinieerd, anders dan in het tweede lid door de opsomming van een aantal vormen van uitbuiting, waaronder uitbuiting van een ander in de prostitutie. Uitbuiting veronderstelt altijd een zekere mate van onvrijwilligheid of onderwerping van degene die wordt uitgebuit. Het enkele aanwenden van dwangmiddelen levert niet reeds uitbuiting op, maar het oogmerk van uitbuiting brengt met zich dat bij de toepassing van die dwangmiddelen sprake moet zijn van een (voorgenomen) ernstige inbreuk op de lichamelijke en/of geestelijke integriteit en/of de persoonlijke vrijheid (ECLI:GHAMS:2016:5236). In het geval van prostitutiewerkzaamheden zal er - gelet op de aard van het werk en de forse inbreuk op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer - in het geval van gebruik van enig dwangmiddel en enig financieel gewin bij de verdachte al snel sprake zijn van uitbuiting (De rechtbank sluit zich op dit punt aan bij het standpunt van de Nationaal Rapporteur Mensenhandel zoals weergegeven in het Onderzoek naar jurisprudentie in mensenhandelzaken in de periode 2009-2012, “Een Analyse”, p. 27). Wanneer gebruik is gemaakt van enig dwangmiddel, is instemming van het slachtoffer met de beoogde of bestaande uitbuiting niet relevant.

Weliswaar is [naam slachtoffer] vrijwillig de prostitutie in gegaan, maar zij deed dit werk om haar schulden af te kunnen lossen. Nu - zoals hierboven overwogen - vast is komen te staan dat zij al het geld dat zij verdiende heeft afgestaan aan verdachte en dat zij niet zelfstandig over haar geld kon beschikken, is de rechtbank zonder meer van oordeel dat er sprake was van uitbuiting en dat verdachte daar ook op uit was.

Tussenconclusie artikel 273f, lid 1, sub 1

Gelet op hetgeen de rechtbank hiervoor heeft overwogen acht de rechtbank bewezen dat de verdachte door misleiding, andere feitelijkheden en misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht, [naam slachtoffer] heeft gehuisvest om prostitutiewerkzaamheden te verrichten, met het oogmerk van uitbuiting. De rechtbank acht dan ook dit onderdeel van de tenlastelegging bewezen.

Mensenhandel, artikel 273f, lid 1, sub 6

Omdat [naam slachtoffer] al het door haar verdiende geld aan verdachte heeft afgestaan en verdachte dit geld voor zichzelf hield en bepaalde waar het aan werd uitgegeven, heeft verdachte opzettelijk voordeel getrokken uit de uitbuiting van [naam slachtoffer] . De rechtbank acht dit onderdeel van de tenlastelegging eveneens bewezen.

Mensenhandel, artikel 273f, lid 1, sub 9

De verdachte heeft door middel van de hiervoor genoemde dwangmiddelen [naam slachtoffer] bewogen om hem te bevoordelen uit de opbrengst van haar prostitutiewerkzaamheden. Ook dit onderdeel van de tenlastelegging acht de rechtbank daarom bewezen.

Mensenhandel, artikel 273f, lid 1 sub 4

De rechtbank acht niet bewezen dat de verdachte [naam slachtoffer] heeft gedwongen of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten van seksuele aard. De prostitutiewerkzaamheden vonden namelijk vrijwillig plaats.

4.2.3.

Conclusie

Het onder 1 tenlastegelegde zal wettig en overtuigend bewezen worden verklaard, met uitzondering van onderdeel 2 en de daarbij behorende gedachtenstrepen.

4.3.

Bewijswaardering ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde

4.3.1.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft vrijspraak gepleit van het onder 3 tenlastegelegde, aangezien de verdachte niet bekend was met de valsheid van de biljetten.

4.3.2.

Beoordeling

Voor een bewezenverklaring van het in artikel 209 van het Wetboek van Strafrecht strafbaargestelde is vereist dat een verdachte wetenschap had van de valsheid van het geld dat hij onder zich heeft op het moment dat hij het geld in handen kreeg. Uit het dossier leidt de rechtbank hieromtrent het volgende af.

Vaststaat dat de verdachte in ieder geval 19 biljetten van € 50 in zijn bezit heeft gehad. Hij bewaarde deze in een pot, afgezonderd van de rest van zijn contante geld.

Voorts blijkt uit de bewijsmiddelen dat de bankbiljetten onmiskenbaar vals zijn. De verbalisanten die de bankbiljetten in beslag hebben genomen, zagen en voelden direct dat deze vals waren. De biljetten zijn vervolgens forensisch technisch onderzocht en uit dit onderzoek is tevens gebleken dat het vals geld betrof. Tot slot heeft [naam slachtoffer] verklaard dat de verdachte haar bij hun eerste afspraak met valse biljetten van € 50 had betaald. Zowel de verbalisanten als [naam slachtoffer] verklaren dat zij vrijwel meteen merkten dat het papier of de structuur anders aanvoelde, dat er geen watermerk in zat en dat de ribbels ontbraken.

De rechtbank oordeelt dat het onder deze omstandigheden niet anders kan dan dat de verdachte wetenschap had van de valsheid van de geldbiljetten, al vanaf het moment dat hij deze ontving.

Uit het feit dat hij eerder vals geld heeft uitgegeven als zijnde echt en onvervalst, namelijk aan [naam slachtoffer] , leidt de rechtbank zijn oogmerk af om dat met deze bankbiljetten ook te doen.

Het verweer wordt verworpen.

4.3.3.

Conclusie

Het onder 3 tenlastegelegde kan wettig en overtuigend worden bewezen.

4.4.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 3 tenlastegelegde heeft begaan op die wijze dat:

1.

hij, in de periode van 20 januari 2020 tot en met 1 maart 2020 te

Rotterdam en/of Appelscha, gemeente Ooststellingwerf en/of elders in Nederland,

een ander, genaamd [naam slachtoffer] (werknaam [werknaam 1] en/of [werknaam 2] ),

(telkens) met één of meer van de onder lid 1, sub 1° van artikel 273f Wetboek

van Strafrecht genoemde middelen, te weten door een

andere feitelijkheid en door misleiding en door misbruik

van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht,

1) heeft gehuisvest met het

oogmerk van uitbuiting (artikel 273f lid 1 sub 1), en

3) heeft gedwongen of bewogen hem, verdachte, te

bevoordelen uit de opbrengst van seksuele handelingen van die [naam slachtoffer] met of

voor een derde tegen betaling (artikel 273f lid 1 sub 9),

enopzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van die

[naam slachtoffer] (artikel 273 f lid 1 sub 6),

waarbij een andere feitelijkheid heeft bestaan uit:

- het brengen en/of houden van die [naam slachtoffer] in een positie waar zij niet over

haar eigen financiële middelen kon beschikken en

- het opleggen van (geldelijke) boetes aan die [naam slachtoffer] ,

3.

hij, op 1 maart 2020 te Rotterdam,

opzettelijk 19 bankbiljetten van 50 euro, waarvan de

valsheid en/of vervalsing hem, toen hij deze ontving bekend was

met het oogmerk om deze als echt en onvervalst uit te geven en/of te doen

uitgeven, in voorraad heeft gehad.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd.

De verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

5. Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

mensenhandel

en

bankbiljetten waarvan de valsheid hem, toen hij ze ontving, bekend was, met het oogmerk om ze als echt en onvervalst uit te geven of te doen uitgeven, in voorraad hebben.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

6. Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering straf

7.1.

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feiten waarop de straf is gebaseerd

De verdachte heeft zich gedurende de periode van eind januari tot eind februari 2020 schuldig gemaakt aan mensenhandel. Hij heeft de aangeefster uitgebuit door haar te huisvesten en te bewegen om het door haar in de prostitutie verdiende geld aan hem af te staan. Daarnaast heeft hij vals geld in voorraad gehad, met het oogmerk om dit als echt en onvervalst uit te geven.

Naar het oordeel van de rechtbank verdient mensenhandel een forse bestraffing, gelet op de inbreuk die daarbij wordt gemaakt op fundamentele rechten als de menselijke waardigheid en de persoonlijke vrijheid. Mensenhandel is een zeer vergaande manier van uitbuiting, waarbij de lichamelijke en geestelijke integriteit van de slachtoffers geheel ondergeschikt wordt gemaakt aan het geldelijk gewin van de daders. Door het handelen van de verdachte zal [naam slachtoffer] , naar de ervaring leert, nog gedurende lange tijd psychische en emotionele schade ondervinden.

Het uitgeven van vals geld is een ernstige inbreuk op de rechtsorde, omdat het een bedreiging is voor betrouwbaar betalingsverkeer dat een essentiële voorwaarde vormt voor een goed functionerende economie.

De rechtbank neemt het de verdachte zeer kwalijk dat hij zich bij het plegen van de feiten uitsluitend heeft laten leiden door geldelijk gewin en puur persoonlijk belang en zich op geen enkele manier heeft bekommerd om de gevolgen voor de benadeelde(n).

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

7.3.1.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 6 augustus 2020, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

7.3.2.

Rapportage

Reclassering Nederland heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 29 mei 2020. Dit rapport houdt – kort weergegeven – het volgende in.

Wij zien een duidelijke tweedeling tussen het delictgedrag waarvan betrokkene wordt verdacht en de verklaringen tegen hem, en de indruk qua persoonlijkheid die hij maakt na de gesprekken en referentonderzoek. Opvallend zijn de positieve berichten die wij van en over betrokkene horen, betreffende zijn maatschappelijke inzet en proactieve houding, om zijn leven op de rails te krijgen. Dit staat in schril contrast met de verdenkingen tegen hem.

Betrokkene heeft een belast en turbulent verleden. Hij heeft zes jaar in jeugdinrichtingen verbleven tijdens de PIJ-maatregel, is lange tijd dakloos geweest en heeft een periode opgenomen gezeten bij BAVO Europoort voor psychosociale problemen. Voorafgaande aan de huidige preventieve hechtenis pakte hij echter zijn leven proactief en positief op. Hij werkte bij de radio, wilde een opleiding gaan volgen, woonde bij een begeleid woontraject en was bezig samen met stichting Corridor om zijn schulden aan te pakken.

Door de huidige preventieve hechtenis is het begeleid woontraject en schuldenaanpak gestagneerd en afgebroken waardoor we indicaties zien voor een begeleidingstraject in juridisch kader. Wij denken dat er noodzaak is voor nader onderzoek naar zijn persoonlijkheid alvorens wij een passend plan van aanpak kunnen opstellen betreffende het inzetten van gedragsverandering. Dit kan als bijzondere voorwaarden worden uitgevoerd.

Bij een veroordeling adviseren wij een (deels) voorwaardelijke straf met de onderstaande bijzondere voorwaarden.

 Meldplicht bij reclassering

 Ambulante behandeling

 Begeleid wonen of maatschappelijke opvang

 Contactverbod

 Meewerken aan schuldhulpverlening

 Inspanningsverplichting

7.4.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Gezien de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf van langere duur. Bij de bepaling hiervan heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd. De rechtbank komt tot een andere bewezenverklaring dan de officier van justitie en daarom ook tot een lagere straf dan de officier van justitie heeft geëist.

Nu de reclassering begeleiding en bijzondere voorwaarden noodzakelijk acht, zal de rechtbank een deel van de voorgenomen straf voorwaardelijk opleggen, met de voorwaarden die hierna worden genoemd. Dit voorwaardelijk strafdeel dient er tevens toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.

Omdat er – mede gezien de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon van de verdachte – ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte weer een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, zal de op te leggen bijzondere voorwaarde, inhoudende een contactverbod met het slachtoffer dadelijk uitvoerbaar worden verklaard.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.

8. Vordering benadeelde partij / schadevergoedingsmaatregel

Ter zake van het onder 1 ten laste gelegde feit heeft [naam benadeelde] zich als benadeelde partij in het geding gevoegd met een vordering tot vergoeding van € 10.000,- aan materiële schade en € 10.000,- aan immateriële schade.

8.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering voor wat betreft de materiële schade en gematigde toewijzing voor wat betreft de immateriële schade, tot een bedrag van € 7.500,-, het totale bedrag van € 17.500,- te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

8.2.

Standpunt verdediging

Omdat vrijspraak van het onder 1 ten laste gelegde feit is bepleit, heeft de verdediging primair verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering.

Subsidiair is niet-ontvankelijkheid bepleit omdat de vordering voor wat betreft de materiële schade onvoldoende onderbouwd is, de berekening uitgaat van meer gewerkte dagen dan waarover [naam benadeelde] zelf heeft verklaard en de vordering in algemene zin te ingewikkeld is en aldus een onevenredige belasting voor het strafproces vormt. Bij de immateriële schade is voorts uitgegaan van een te hoge categorie, gelet op de duur van de vermeende uitbuiting.

8.3.

Beoordeling

Materiële schade

Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij door het onder 1 bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De gevorderde schadevergoeding is door de verdachte niet voldoende gemotiveerd weersproken.

De rechtbank gaat bij de berekening van de hoogte van de schadevergoeding uit van de periode en het aantal gewerkte dagen zoals deze uit het dossier volgen. Dit komt neer op vier weken van vijf dagen. De gemiddelde inkomsten per dag worden geschat op € 250,- per dag. De rechtbank heeft bij deze schatting aansluiting gezocht bij de in recente uitspraken gehanteerde maatstaf bij het schatten van inkomsten uit prostitutiewerkzaamheden. De vordering zal daarom tot een bedrag van (4 x 5 x 250 = ) € 5.000,- worden toegewezen. Voor het overige zal de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard.

Immateriële schade

Voorts is vast komen te staan dat aan de benadeelde partij door het onder 1 bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Die schade zal naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op € 2.500,-, zodat de vordering tot dit bedrag zal worden toegewezen, met niet-ontvankelijk verklaring van hetgeen aan hoofdsom meer is gevorderd.

Wettelijke rente

De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 1 maart 2020.

Proceskosten

Nu de vordering van de benadeelde partij in overwegende mate zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

8.4.

Conclusie

De verdachte moet de benadeelde partij een schadevergoeding betalen van € 7.500,-, vermeerderd met de wettelijke rente en kosten als hieronder in de beslissing vermeld.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14e, 36f, 57, 209 en 273f van het Wetboek van Strafrecht.

10. Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11. Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 en 3 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 (vijftien) maanden;

bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 6 (zes) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;

verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 3 jaar;

tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarde niet naleeft en ook als de veroordeelde gedurende de proeftijd een bijzondere voorwaarde niet naleeft of een voorwaarde die daaraan van rechtswege is verbonden;

stelt als algemene voorwaarde:

de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken;

stelt als bijzondere voorwaarden:

1. de veroordeelde zal zich melden bij Reclassering Nederland, zo lang en frequent als die reclasseringsinstelling noodzakelijk vindt;

2. de veroordeelde zal zich gedurende de proeftijd onder ambulante behandeling stellen van De Waag, PsyQ of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, of zoveel korter als de reclassering verantwoord vindt; de veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling; het innemen van medicijnen kan onderdeel zijn van de behandeling;

3. de veroordeelde zal verblijven in de instelling voor begeleid wonen/maatschappelijke opvang Exodus, of een soortgelijke instelling, en zal zich houden aan de aanwijzingen die door of namens de directeur van die instelling worden gegeven, gedurende één jaar na ingang van de proeftijd, of zoveel langer (binnen de proeftijd) als de reclassering verantwoord vindt;

4. de veroordeelde zal op geen enkele wijze contact (laten) opnemen, zoeken of hebben met [naam slachtoffer] , geboren [geboortedatum slachtoffer] te [geboorteplaats slachtoffer] , gedurende drie jaren na heden, of zoveel korter als het Openbaar Ministerie verantwoord vindt; de politie ziet toe op de handhaving van dit verbod;

5. de veroordeelde zal meewerken aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen; de veroordeelde zal de reclassering inzicht geven in zijn financiën en schulden;

6. de veroordeelde heeft een inspanningsverplichting tot het verkrijgen en/of behouden van dagbesteding in de vorm van een opleiding of werk;

verstaat dat van rechtswege de volgende voorwaarden zijn verbonden aan de hierboven genoemde bijzondere voorwaarden

- de veroordeelde zal ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verlenen aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden;

- de veroordeelde zal medewerking verlenen aan reclasseringstoezicht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht;

geeft aan genoemde reclasseringsinstelling opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden, met uitzondering van de onder nummer 4 genoemde bijzondere voorwaarde, en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

beveelt dat de onder nummer 4 genoemde bijzondere voorwaarde dadelijk uitvoerbaar is;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;


veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam benadeelde] , geboren [geboortedatum benadeelde] te [geboorteplaats benadeelde] , te betalen een bedrag van € 7.500,-
(zegge: vijfenzeventighonderd euro), bestaande uit € 5.000,- aan materiële schade en € 2.500,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 1 maart 2020 tot aan de dag der algehele voldoening;

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij te betalen € 7.500,- (hoofdsom, zegge: vijfenzeventighonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 maart 2020 tot aan de dag van de algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal van de hoofdsom te vervangen door 72 dagen gijzeling. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. R. Brand, voorzitter,

en mrs. W.J.M. Diekman en C. Vogtschmidt, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. C.J. Voogel-van Buuren, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

De voorzitter en de jongste rechter zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij, in of omstreeks de periode van 20 januari 2020 tot en met 1 maart 2020 te

Rotterdam en/of Appelscha, gemeente Ooststellingwerf en/of een of meer

plaatsen in Drenthe en/of elders in Nederland,

een ander, genaamd [naam slachtoffer] (werknaam [werknaam 1] en/of [werknaam 2] ),

(telkens) met één of meer van de onder lid 1, sub 1° van artikel 273f Wetboek

van Strafrecht genoemde middelen, te weten door dwang en/of geweld en/of een

andere feitelijkheid en/of dreiging met geweld of een andere feitelijkheid

en/of door afpersing en/of door fraude en/of door misleiding, door misbruik

van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik

van een kwetsbare positie of door het geven of ontvangen van betalingen of

voordelen om de instemming van een persoon te verkrijgen die zeggenschap over die [naam slachtoffer] heeft,

1) heeft geworven, vervoerd, overgebracht, gehuisvest en/of opgenomen met het

oogmerk van uitbuiting (artikel 273f lid 1 sub 1), en/of

2) heeft gedwongen of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten

van arbeid of diensten (van seksuele aard) dan wel enige handeling heeft

ondernomen waarvan hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en) of

redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat die [naam slachtoffer] zich daardoor beschikbaar

zou stellen tot het verrichten van arbeid of diensten (van seksuele aard)

(artikel 273f lid lsub 4), en/of

3) heeft gedwongen of bewogen hem, verdachte, en/of zijn mededader(s) te

bevoordelen uit de opbrengst van seksuele handelingen van die [naam slachtoffer] met of

voor een derde tegen betaling (artikel 273f lid 1 sub 9),

en/of

(telkens) opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van die

[naam slachtoffer] (artikel 273 f lid 1 sub 6),

waarbij dat geweld of een andere feitelijkheid en/of die dreiging met geweld

of een andere feitelijkheid heeft/hebben bestaan uit:

- het mishandelen van die [naam slachtoffer] en/of het duwen en/of trekken aan het

lichaam van die [naam slachtoffer] (waardoor verdachte en die [naam slachtoffer] van de trap zijn

gevallen) en/of

- het kapot snijden en/of trekken van kleding en/of schoenen van die [naam slachtoffer]

en/of

- het dwingen, althans bewegen, van die [naam slachtoffer] om (onvrijwillig) onveilige

en/of door die [naam slachtoffer] als vernederend ervaren en/of deviante seksuele

handelingen van potentiële prostitutieklanten te ondergaan en/of te dulden

en/of

- het bedreigen van die [naam slachtoffer] en/of familie van die [naam slachtoffer] met de dood

en/of

- het opsluiten en/of opgesloten houden, althans het beperken van de

bewegingsvrijheid, van die [naam slachtoffer] en/of

- het zich op boze en/of agressieve en/of (anderszins) dreigende en/of

overheersende en/of denigrerende toon/wijze te uiten tegen die [naam slachtoffer] en/of

- het onder controle houden en/of onder druk zetten van die [naam slachtoffer] (onder

andere door die [naam slachtoffer] voortdurend te blijven benaderen via de telefoon

en/of door telefoongesprekken van die [naam slachtoffer] over te nemen en/of via een

open telefoonverbinding mee te luisteren met telefoongesprekken) waardoor het

voor die [naam slachtoffer] werd bemoeilijkt zich aan die controle en/of die

prostitutiewerkzaamheden te onttrekken en/of

- het brengen en/of houden van die [naam slachtoffer] in een positie waar zij niet over

haar eigen financiële middelen en/of bankpas kon beschikken en/of

- het opleggen van (geldelijke) boetes aan die [naam slachtoffer] ,

en/of waarbij voornoemde (onder 2) "enige handeling" heeft bestaan uit:

- het laten verblijven van die [naam slachtoffer] in zijn, verdachtes, woning en/of het

ter beschikking stellen van die woning als werkplek (voor

prostitutiewerkzaamheden van die [naam slachtoffer] ) en/of

- het boeken en/of ter beschikking stellen van hotelkamer(s) en/of

vakantiehuisje(s) als werkplek voor die [naam slachtoffer] en/of

- het (laten) regelen van (een) werkplek(ken) voor die [naam slachtoffer] en/of

- het maken van foto's voor advertenties op één of meer website(s) waarin die

[naam slachtoffer] werd aangeboden voor prostitutiewerkzaamheden en/of

- het geven van uitleg en/of instructie aan die [naam slachtoffer] met betrekking tot de

door die [naam slachtoffer] te verrichten prostitutiewerkzaamheden en/of

- het onderhouden van contacten met en/of het maken van afspraken met

(potentiële) (prostitutie)klant(en) voor die [naam slachtoffer] en/of het maken van

afspraken met die (potentiële) klant(en) over de aard van de

prostitutiewerkzaamheden en/of de daarvoor te betalen bedragen en/of

- het bepalen welke klanten die [naam slachtoffer] moest aannemen voor haar

prostitutiewerkzaamheden en/of

- het instrueren van die [naam slachtoffer] (per telefoon) wanneer zij klaar moest staan

voor prostitutiewerkzaamheden en/of

- het ter beschikking stellen van een (werk)telefoon voor de

prostitutiewerkzaamheden van die [naam slachtoffer] en/of

- het ter beschikking stellen van werkkleding (lingerie) voor de

prostitutiewerkzaamheden van die [naam slachtoffer] en/of

- het ter beschikking stellen van condooms en/of glijmiddel en/of

seksattributen voor de prostitutiewerkzaamheden van die [naam slachtoffer] en/of

- het ter beschikking stellen van medicijnen en/of drugs voor die [naam slachtoffer]

en/of (potentiële) prostitutieklanten en/of

- het begeleiden van die [naam slachtoffer] bij/naar escortwerkzaamheden

2.

hij, op of omstreeks 01 maart 2020 te Rotterdam, althans in Nederland,

opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 16,1 gram cocaïne, in elk geval een

hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne

een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I,

dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

3.

hij, op of omstreeks 01 maart 2020 te Rotterdam,

opzettelijk 19, althans een of meer, bankbiljetten van 50 euro, waarvan de

valsheid en/of vervalsing hem, toen hij deze ontving bekend was

met het oogmerk om deze als echt en onvervalst uit te geven en/of te doen

uitgeven, in voorraad heeft gehad.