Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:9175

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
18-09-2020
Datum publicatie
15-10-2020
Zaaknummer
7969607 CV EXPL 19-35032
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vordering teruggave borgsom toegewezen, maar wel verrekend met huur auto. Vorderingen administratiekosten en immateriële sv afgewezen vanwege gebrek aan onderbouwing. Gedaagde is niet rechtsgeldig vertegenwoordigd in geding verschenen, dus verstek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 7969607 CV EXPL 19-35032

uitspraak: 18 september 2020

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser bij exploot van dagvaarding van 1 augustus 2019,

gemachtigde: mr. N.D.Z.R. Mohamed Hoessein te Rotterdam,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Europcar Autoverhuur B.V., mede handelend onder de naam Europcar Autoverhuur Rotterdam-Zuid,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagde,

voor wie de heer [naam persoon] is verschenen.

Partijen worden hierna aangeduid als “ [eiser] ” respectievelijk “Europcar”.

1. Het verloop van de procedure

1.1.

Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken:

 de dagvaarding, met producties;

 de aantekeningen van de griffier van het door de heer [naam persoon] (hierna: [naam persoon] ) gegeven mondelinge antwoord tevens eis in reconventie, met producties;

 de conclusie van repliek in conventie tevens conclusie van antwoord in reconventie, met producties;

 de brief van [naam persoon] van 8 november 2019, met producties;

 de conclusie van dupliek in reconventie;

 het tussenvonnis van 21 februari 2020 waarbij een mondelinge behandeling is bepaald, die vanwege de corona-problematiek niet is doorgegaan;

 de brief van 19 maart 2020 van [eiser] , met producties;

 het vonnis van 25 mei 2020 waarbij een nieuwe mondelinge behandeling is bepaald.

1.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 14 augustus 2020. [eiser] is verschenen, bijgestaan door de gemachtigde en zijn echtgenote. [naam persoon] is verschenen, naar zijn zeggen namens Europcar. Van hetgeen ter zitting is verhandeld heeft de griffier aantekening gehouden.

1.3.

De kantonrechter heeft de uitspraak van dit vonnis bepaald op heden.

2. De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, staat tussen partijen, voor zover van belang, het volgende vast.

2.1.

Op 20 juli 2017 heeft [eiser] met Europcar met betrekking tot het voertuig met kenteken [kentekennummer] een huurovereenkomst gesloten.

2.2.

[eiser] heeft conform de huurovereenkomst een borgsom van € 650,00 betaald aan Europcar.

3. Het geschil

3.1.

[eiser] heeft gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, Europcar te veroordelen:

A. binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis de borgsom ad € 650,00 aan [eiser] te doen toekomen, te vermeerderen met de wettelijke rente over iedere dag, een dagdeel daaronder mede begrepen, dat Europcar na ommekomst van de termijn van zeven dagen na betekening van het vonnis met betaling van dit bedrag nalatig blijft;

B. om de administratiekosten/onkosten die [eiser] heeft moeten maken voor onderhavig geschil tot een bedrag van € 150,00 te vergoeden aan [eiser] ;

C. in de kosten van dit geding, met inbegrip van de kosten voor juridische bijstand die [eiser] door deze procedure heeft moeten maken, waaronder begrepen de verschotten en een bedrag aan salaris gemachtigde van [eiser] , te vermeerderen met btw behoudens btw over het verschuldigde griffierecht;

D. om binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis ten aanzien van de immateriële schade een bedrag van € 5.000,00 aan [eiser] te doen toekomen.

3.2.

Aan die vordering heeft [eiser] - samengevat en voor zover thans van belang - het volgende ten grondslag gelegd. [eiser] heeft na afgifte van het huurvoertuig Europcar meerdere malen verzocht de waarborgsom terug te betalen. Europcar heeft zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat [eiser] schade heeft veroorzaakt aan de roldeur en heeft ten onrechte de waarborgsom verrekend met die gestelde schade. [eiser] heeft geruime tijd in onzekerheid geleefd, wat heeft geleid tot stressklachten. Daarom vordert hij van Europcar ook een immateriële schadevergoeding van € 5.000,00.

3.3.

Door [naam persoon] is verweer gevoerd.

4. De beoordeling

4.1.

De kantonrechter zal zich eerst uitlaten over de vraag of Europcar in de procedure is verschenen, nu [eiser] heeft betwist dat [naam persoon] Europcar rechtsgeldig kan vertegenwoordigen.

4.2.

[naam persoon] heeft bij zijn brief van 8 november 2019 een volmacht overgelegd waarin staat dat [naam directeur] , statutair directeur van – onder meer – Europcar hem een volmacht verleent:

“om EUROPCAR in en buiten rechte te vertegenwoordigen terzake van door Europcar ingestelde vorderingen tot verhaal op derden.”

4.3.

Uit dit stuk blijkt niet dat [naam persoon] (ook) gemachtigd is om Europcar in rechte te vertegenwoordigen als sprake is van een tegen Europcar ingestelde vordering. Ook blijkt hieruit niet dat [naam persoon] gemachtigd is om namens Europcar een tegenvordering in te dienen. Gelet hierop is in het tussenvonnis van 21 februari 2020 opgenomen:

“Tussen partijen is discussie ontstaan over de geldigheid van de machtiging aan de zijde van Europcar. Tijdens de zitting zal degene die namens Europcar verschijnt deugdelijk gemachtigd dienen te zijn en duidelijkheid dienen te verschaffen over de eerder afgegeven machtiging.”

4.4.

Ter zitting heeft [naam persoon] dezelfde volmacht overgelegd, althans een stuk met dezelfde tekst als de eerder overgelegde volmacht, zij het dat ter zitting overgelegde stuk ziet op het jaar 2020. [naam persoon] heeft daarbij verklaard dat eerder overgelegde volmacht feitelijk zag op het jaar 2018 en dat hij de jaartallen 2018 zelf in 2019 heeft gewijzigd.

4.5.

De kantonrechter stelt vast dat met het ter zitting overgelegde stuk nog immer niet gebleken is dat [naam persoon] gemachtigd is om Europcar in rechte te vertegenwoordigen inzake de door [eiser] tegen Europcar ingestelde vorderingen en evenmin dat hij een tegenvordering mocht indienen namens Europcar. Daar komt bij dat geen van de overgelegde stukken feitelijk ziet op het jaar 2019. Dat betekent dat Europcar niet is verschenen in deze procedure.

4.6.

Europcar is correct opgeroepen en ook de overige bij de wet voorgeschreven formaliteiten zijn in acht zijn genomen. Daarom zal verstek tegen haar worden verleend.

4.7.

Bij gebreke van verweer daartegen, moet worden uitgegaan van de juistheid van de stellingen van [eiser] . Nu de vorderingen de kantonrechter niet ongegrond of onrechtmatig voorkomen zullen deze, behoudens voor zover hierna anders bepaald, worden toegewezen.

4.8.

Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat [eiser] de huur voor het voertuig van € 135,83 niet heeft voldaan en dat de huur normaal gesproken met de borgsom wordt verrekend. Dit betekent dat ter zake van de terug te betalen borgsom een bedrag van (€ 650,00 -/- € 135,83) € 514,17 zal worden toegewezen, nu voor het meerdere een deugdelijke grondslag ontbreekt. De gevorderde wettelijke rente is op de wet gegrond en zal worden toegewezen over het bedrag van € 514,17.

4.9.

De vordering tot betaling van € 150,00 aan administratiekosten/onkosten is op geen enkele wijze onderbouwd en zal daarom worden afgewezen.

4.10.

Op grond van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) heeft de benadeelde voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding:

a. indien de aansprakelijke persoon het oogmerk had zodanig nadeel toe te brengen;

b. indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast;

c. indien het nadeel gelegen is in aantasting van de nagedachtenis van een overledene en toegebracht is aan de niet van tafel en bed gescheiden echtgenoot, de geregistreerde partner of een bloedverwant tot in de tweede graad van de overledene, mits de aantasting plaatsvond op een wijze die de overledene, ware hij nog in leven geweest, recht zou hebben gegeven op schadevergoeding wegens het schaden van zijn eer of goede naam.

4.11.

De enkele stelling van [eiser] dat hij geruime tijd in onzekerheid heeft geleefd en dat deze onzekerheid stressklachten en een verslechtering van zijn gezondheid teweeg heeft gebracht, is onvoldoende om tot het oordeel te komen is voldaan aan (één van) de in artikel 6:106 BW gestelde vereisten. De vordering tot betaling van immateriële schadevergoeding zal reeds daarom worden afgewezen.

4.12.

Nu het gevorderde grotendeels wordt afgewezen ziet de kantonrechter aanleiding om de proceskosten te compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5. De beslissing

De kantonrechter:

5.1.

veroordeelt Europcar om binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis aan [eiser] tegen kwijting te betalen € 514,17, vermeerderd met de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW daarover over iedere dag, een dagdeel daaronder mede begrepen, dat Europcar na ommekomst van de termijn van zeven dagen na betekening van dit vonnis met betaling van dit bedrag nalatig blijft;

5.2.

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;

5.3.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het méér of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.M. van Kalmthout en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

44478