Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:9158

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
11-09-2020
Datum publicatie
15-10-2020
Zaaknummer
8429386 CV EXPL 20-10313
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Toewijzing betaling restant tandartsrekening ad € 16,96. Compensatie proceskosten. Onaanvaardbaar dat in verhouding hoge proceskosten voor rekening gedaagde zouden komen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 8429386 CV EXPL 20-10313

uitspraak: 11 september 2020

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Infomedics B.V., mede handelend onder de namen Infomedics Factoring, UwNota.nl, DFA Services en Infomedics DFA,

gevestigd te Almere,

eiseres bij exploot van dagvaarding van 10 maart 2020,

gemachtigde: Bosveld Incasso en Gerechtsdeurwaarders te Amersfoort,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

procederend in persoon.

Partijen worden hierna aangeduid als “Infomedics” respectievelijk “ [gedaagde] ”.

1. Het verloop van de procedure

1.1

Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken:

 de dagvaarding, met producties;

 de aantekeningen van de griffier van het telefonische antwoord van [gedaagde] ;

 de conclusie van repliek, met producties;

 de aantekeningen van de griffier van de telefonische reactie van [gedaagde] ;

 de e-mail van 20 juli 2020 van [gedaagde] , met productie.

1.2

De kantonrechter heeft de uitspraak van dit vonnis bepaald op heden.

2. De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, staat tussen partijen, voor zover van belang, het volgende vast.

2.1

Tandarts [naam tandarts] (hierna: de tandarts) heeft op 14 augustus 2019 bij [gedaagde] een tandheelkundige behandeling uitgevoerd.

2.2

Een bedrag van € 67,86, zijnde een deel van de totale kosten (van € 84,82) voor deze behandeling, is betaald door de zorgverzekeraar van [naam tandarts] .

2.3

De tandarts heeft de vordering gecedeerd aan Infomedics.

3. Het geschil

3.1

Infomedics heeft bij dagvaarding gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, gedaagde te veroordelen aan haar te betalen € 57,59 ((€ 84,82 aan hoofdsom plus € 0,63 aan wettelijke rente plus € 40,00 aan buitengerechtelijke incassokosten) minus een betaling van € 67,86), te vermeerderen met de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW over € 57,59 met ingang van 3 maart 2020 tot de dag van algehele voldoening, met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van de procedure.

3.2

Aan haar vordering heeft Infomedics, naast de onder 2.1 en 2.3 genoemde vaststaande feiten, - samengevat en voor zover thans van belang - het volgende ten grondslag gelegd.

[gedaagde] heeft voor de kosten van de onder 2.1 bedoelde behandeling een nota van
13 september 2019 ontvangen voor een hoofdsom van € 84,82 (productie 1 van Infomedics). [gedaagde] is ondanks aanmaning niet tot betaling overgegaan. Infomedics maakt daarom aanspraak op de wettelijke rente over de hoofdsom, die berekend tot 3 maart 2020 neerkomt op € 0,63 en buitengerechtelijke incassokosten van € 40,00. Voordat Infomedics haar vordering uit handen gaf aan haar gemachtigde, heeft Infomedics een bedrag van € 67,86 ontvangen van [gedaagde] . Conform artikel 6:44 BW is deze betaling eerst in mindering gebracht op de incassokosten, vervolgens op de verschenen rente en ten slotte op de hoofdsom en de lopende rente.

3.3

[gedaagde] heeft de vordering betwist en heeft daartoe - samengevat en voor zover thans van belang - het volgende aangevoerd. [gedaagde] erkent dat hij nog een deel van de rekening moet betalen, maar hij betwist de verschuldigdheid van de bijkomende kosten en de proceskosten. De oorspronkelijke factuur heeft hij nooit ontvangen. Uit navraag bij de tandarts bleek dat de factuur naar zijn oude adres is verzonden, terwijl [gedaagde] tijdig zijn adreswijziging heeft doorgegeven aan de tandartsassistente. Zij heeft bevestigd dat er een aantekening van het nieuwe adres in zijn dossier staat. Ook de aanmaningen en herinneringen zijn verstuurd naar zijn oude adres en heeft [gedaagde] nooit ontvangen. Op 20 juli 2020 heeft [gedaagde] het bedrag van € 16,96 betaald.

3.4

Op hetgeen partijen verder nog hebben aangevoerd, wordt hierna, voor zover voor de uitkomst van de procedure van belang, teruggekomen.

4. De beoordeling

4.1

De kantonrechter stelt voorop dat al bij de eerste brief van Infomedics aan [gedaagde] , de nota van 13 september 2019 met een betaaltermijn van 30 dagen, het bedrag van € 67,86 op het totaalbedrag van € 84,82 in mindering is gebracht, omdat dit is betaald door de zorgverzekeraar van [gedaagde] . Uit deze nota volgt dat [gedaagde] nog een bedrag van € 16,96 diende te voldoen. Dit laatste bedrag komt ook terug in de herinnering van 25 oktober 2019 (productie 3 van Infomedics) en de aanmaning van 6 februari 2020 (productie 1).

De stelling van Infomedics, dat de hoofdsom € 84,82 bedroeg en naderhand een betaling door [gedaagde] van € 67,86 heeft plaatsgevonden (randnummer 8 van de dagvaarding), is dus blijkens haar eigen producties niet juist. Daarom gaat de kantonrechter er hierna van uit dat het bedrag dat Infomedics van [gedaagde] te vorderen had € 16,96 bedroeg.

4.2

Bij de e-mail van 20 juli 2020 heeft [gedaagde] een betalingsbewijs in het geding gebracht met betrekking tot de betaling op die datum (“vandaag”) onder vermelding van kenmerk [kenmerknummer] van een bedrag van € 16,96 aan Infomedics. Nu Infomedics niet meer in de gelegenheid is gesteld om te reageren op deze betaling, kan in rechte niet uitgegaan worden van de ontvangst door Infomedics van deze betaling. Vanzelfsprekend geldt dat, indien Infomedics deze betaling van € 16,96 van [gedaagde] heeft ontvangen, dit bedrag in mindering strekt op de vordering.

4.3

Infomedics maakt aanspraak op vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten. [gedaagde] heeft de verschuldigdheid daarvan gemotiveerd betwist.

4.3.1

Artikel 6:96 lid 6 BW vereist voor toewijzing van de vordering tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten dat [gedaagde] door Infomedics vruchteloos is aangemaand tot betaling binnen een termijn van veertien dagen aanvangende de dag na aanmaning, onder vermelding van de gevolgen van het uitblijven van betaling (hierna: de veertiendagenbrief).

4.3.2

Een dergelijke aanmaning is aan te merken als een verklaring als bedoeld in artikel 3:37 lid 3 BW. Daarom heeft deze aanmaning pas werking indien deze de schuldenaar heeft bereikt. Op Infomedics rust de bewijslast dat aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW is voldaan. Die bewijslast omvat ook dat en op welke dag [gedaagde] de veertiendagenbrief heeft ontvangen.

4.3.3

Infomedics heeft diverse aanmaningen overgelegd, waarvan alleen de aanmaningen van 25 oktober 2019 (productie 3 van Infomedics) en 6 februari 2020 (productie 1) voldoen aan de eisen van artikel 6:96 BW. De brief van 25 oktober 2019 is verzonden naar het oude adres van [gedaagde] , de brief van 6 februari 2020 naar het huidige adres van [gedaagde] . Nu [gedaagde] de ontvangst van beide veertiendagenbrieven betwist, is het aan Infomedics feiten en omstandigheden te stellen en zo nodig te bewijzen waaruit volgt dat die brieven door haar zijn verzonden naar een adres waarvan zij redelijkerwijs mocht aannemen dat [gedaagde] daar door (de gemachtigde van) Infomedics kon worden bereikt, en dat en op welke dag de brieven daar zijn aangekomen (HR 25 november 2016 ECLI:NL:HR:2016:2704).

4.3.4

De kantonrechter stelt vast dat Infomedics haar stelling, dat zij navraag heeft gedaan bij de zorgverlener, maar dat die geen adreswijziging van [gedaagde] heeft ontvangen, niet met bewijsstukken heeft onderbouwd. Infomedics heeft in haar conclusie van repliek verder geen (concrete) feiten en omstandigheden gesteld met betrekking tot ontvangst van bedoelde brieven. Aldus is nadere bewijslevering op dit punt niet aan de orde en is de conclusie dat niet is komen vast te staan dat [gedaagde] de veertiendagenbrieven heeft ontvangen. De vordering tot vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten dient dan ook te worden afgewezen.

4.4

[gedaagde] heeft ook de verschuldigdheid van de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW gemotiveerd betwist.

4.4.1

Artikel 6:119 BW bepaalt dat de wettelijke rente verschuldigd is over de tijd dat de schuldenaar met voldoening van een geldsom in verzuim is geweest. Voor het antwoord op de vraag of [gedaagde] op enig moment in verzuim is geraakt, is het volgende van belang.

4.4.2

In de nota van 13 september 2019 staat dat de vervaldatum van die nota 13 oktober 2019 is. Na het verstrijken van een fatale termijn treedt het verzuim van rechtswege in (artikel 6:83 lid 1 BW). [gedaagde] heeft echter de ontvangst van deze nota bij antwoord betwist. Voor deze nota geldt eveneens dat deze is aan te merken als een verklaring als bedoeld in artikel 3:37 lid 3 BW en pas werking heeft indien deze de schuldenaar heeft bereikt. Op Infomedics rust de bewijslast dat daarvan sprake is.

4.4.3

Met hetgeen Infomedics in de conclusie van repliek (randnummer 4) tegen de betwisting van de ontvangst door [gedaagde] heeft ingebracht, is het bewijs niet geleverd. Het verzuim is daarom niet ingetreden. De kantonrechter zal de gevorderde € 0,63 aan verschenen wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW daarom afwijzen.

4.4.4

Met betrekking tot de gevorderde lopende wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW oordeelt de kantonrechter als volgt. [gedaagde] heeft de dagvaarding van 10 maart 2020 ontvangen en was dus in ieder geval vanaf dat moment bekend met de nota van
13 september 2019. De kantonrechter zal [gedaagde] daarom veroordelen tot betaling van de wettelijke rente over € 16,96 berekend vanaf de datum van de dagvaarding (10 maart 2020) tot het moment van betaling.

4.5

Tot slot heeft [gedaagde] verweer gevoerd tegen de door Infomedics gevorderde proceskosten.

4.5.1

Op grond van artikel 6:2 lid 1 BW zijn schuldeiser en schuldenaar verplicht zich jegens elkaar te gedragen overeenkomstig de eisen van redelijkheid en billijkheid. Hieruit volgt dat niet zonder redelijke grond een gerechtelijke procedure moet worden gestart.

4.5.2

In dit geval had Infomedics een zorgvuldige afweging moeten maken of het noodzakelijk was om [gedaagde] in rechte te betrekken, onder meer gelet op de kosten die een rechtszaak voor een schuldenaar met zich brengt.

Door de onderhavige procedure wordt [gedaagde] geconfronteerd met € 124,00 aan griffierecht, € 86,85 aan dagvaardingskosten en € 72,00 aan salaris voor de gemachtigde. Er zijn in totaal dus € 282,85 aan extra kosten gemaakt. Dit bedrag aan extra kosten staat naar het oordeel van de kantonrechter niet in verhouding tot de hoofdsom van € 16,96.

Dit geldt te meer nu het de gemachtigde van Infomedics ten tijde van dagvaarding duidelijk had moeten zijn dat eerdere brieven naar het oude adres van [gedaagde] waren verstuurd. De dagvaarding is immers wel betekend op diens huidige adres en de gemachtigde van Infomedics heeft kort daarvoor, op 6 februari 2020, nog aanleiding gezien om een nieuwe veertiendagenbrief te sturen naar dat adres, waarvan overigens ook niet is bewezen dat deze [gedaagde] heeft bereikt. Het is naar het oordeel van de kantonrechter zeer aannemelijk dat het bedrag van € 16,96 ook zonder een gerechtelijke procedure door [gedaagde] zou zijn betaald, mits de nota en herinneringen hem hadden bereikt.

4.5.3

Gelet op deze omstandigheden is het in dit geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat de proceskosten voor rekening van [gedaagde] komen. De proceskosten zullen daarom worden gecompenseerd in die zin dat ieder der partijen de eigen kosten draagt.

5. De beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt [gedaagde] om aan Infomedics tegen kwijting te betalen € 16,96 aan hoofdsom, vermeerderd met de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf 10 maart 2020 tot aan de dag van algehele betaling;

compenseert de proceskosten in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt;

verklaart dit vonnis, voor zover het de veroordeling betreft, uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het méér of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. K.J. Bezuijen en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

44478