Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:9153

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
04-09-2020
Datum publicatie
15-10-2020
Zaaknummer
8412952 CV EXPL 20-9690
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Onbetaalde zorgpremies uit 2012. Beroep op verjaring slaagt. Vordering afgewezen. Afwijzing BIK omdat brieven op één na gedaagde niet hebben bereikt. Al na 17 dagen na de laatste BIK-brief gedagvaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 8412952 CV EXPL 20-9690

uitspraak: 4 september 2020

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

de naamloze vennootschap

Zilveren Kruis Zorgverzekeringen N.V.,

gevestigd te Utrecht,

eiseres bij exploot van dagvaarding van 27 februari 2020,

gemachtigde: Landelijke Associatie Van Gerechtsdeurwaarders B.V. te Groningen,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

procederend in persoon.

Partijen worden hierna aangeduid als “Zilveren Kruis” respectievelijk “ [gedaagde] ”.

1. Het verloop van de procedure

1.1

Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter kennis heeft genomen:

 de dagvaarding, met productie;

 het schriftelijke antwoord van [gedaagde] , met producties;

 de conclusie van repliek, met producties;

 de schriftelijke reactie van [gedaagde] .

1.2

De kantonrechter heeft de uitspraak van dit vonnis bepaald op heden.

2. De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, staat tussen partijen, voor zover van belang, het volgende vast.

2.1

Tussen Zilveren Kruis als zorgverzekeraar en [gedaagde] als verzekeringnemer bestond een zorgverzekeringsovereenkomst.

2.2

Uit hoofde van deze zorgverzekering was [gedaagde] maandelijks bij vooruitbetaling verzekeringspremie verschuldigd.

2.3

[gedaagde] heeft de premies voor de maanden januari 2012 en mei 2012 tot en met december 2012 niet betaald en heeft een betalingsachterstand van € 1.984,16 laten ontstaan.

3. Het geschil

3.1

Zilveren Kruis heeft bij dagvaarding gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] te veroordelen aan haar te betalen € 2.690,48 (bestaande uit € 1.984,16 aan hoofdsom, € 346,20 aan verschenen rente en € 360,12 aan buitengerechtelijke kosten), te vermeerderen met de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW over € 1.984,16 vanaf 19 februari 2020 tot de dag van algehele voldoening, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.

3.2

Aan haar vordering heeft Zilveren Kruis - samengevat en voor zover thans van belang - het volgende ten grondslag gelegd. De premies dienden steeds uiterlijk op de eerste dag van de maand te zijn betaald, zodat [gedaagde] vanaf de tweede dag van de maand van rechtswege in verzuim was. Vanaf de datum van verzuim is [gedaagde] wettelijke rente verschuldigd, die berekend tot 19 februari 2020 € 346,20 bedraagt. Ondanks herhaalde sommaties (productie 2 bij de conclusie van repliek) is [gedaagde] in gebreke gebleven met betaling. Zilveren Kruis heeft op 26 januari 2018 een zogeheten veertiendagenbrief gestuurd naar het adres waar [gedaagde] op dat moment stond ingeschreven in de Basisregistratie Personen (BRP). Deze brief heeft niet tot betaling geleid. Daarom vordert Zilveren Kruis ook buitengerechtelijke incassokosten, ter hoogte van € 360,12 (€ 297,62 plus € 62,50 btw). Voor wat betreft het beroep op verjaring refereert Zilveren Kruis zich aan het oordeel van de kantonrechter. Nu [gedaagde] in de minnelijke fase geen verweer heeft gevoerd, is hij er echter zelf debet aan dat hij in rechte is betrokken. Mocht de kantonrechter oordelen dat de vordering verjaard is, dan dienen de proceskosten om die reden wel voor rekening van [gedaagde] te komen.

3.3

[gedaagde] heeft de vordering betwist en heeft daartoe - samengevat en voor zover thans van belang - het volgende aangevoerd. [gedaagde] is door persoonlijke en zakelijke omstandigheden in een uitzichtloze situatie terechtgekomen. Hij heeft in 2012 meerdere malen telefonisch contact gezocht met Zilveren Kruis om tot een oplossing te komen, maar Zilveren Kruis heeft zich vanaf het begin onbuigzaam opgesteld. Eind 2012 heeft [gedaagde] besloten om Nederland te verlaten en heeft hij alle schuldeisers aangeschreven om zijn persoonlijke situatie onder hun aandacht te brengen. Inmiddels is het 2020, waardoor de vordering van Zilveren Kruis is verjaard. De veertiendagenbrief van 26 januari 2018 kan niet worden aangemerkt als stuitingshandeling, omdat deze naar het adres [adres 1] , [postcode] Rotterdam is verstuurd. [gedaagde] staat sinds 31 maart 2016 ingeschreven in de BRP van de gemeente Capelle aan den IJssel (productie 4 van [gedaagde] ). De brieven die als productie 2 bij de conclusie van repliek zijn overgelegd zijn - met uitzondering van de brief van 22 november 2018 - onjuist geadresseerd. De brieven zijn bovendien niet ondertekend, waardoor ze niet rechtsgeldig zijn, en ze zijn ook niet aangetekend verstuurd. Zilveren Kruis dient aan te tonen dat de brieven [gedaagde] hebben bereikt. De brief van 22 november 2018 bevat wel het juiste adres, maar deze heeft [gedaagde] nooit ontvangen. Eerst in 2020 heeft hij een schrijven van de gemachtigde van Zilveren Kruis ontvangen, maar dit was ruim buiten de wettelijke verjaringstermijn.

4. De beoordeling

4.1

De onbetaalde zorgpremies zien alle op 2012. De kantonrechter zal daarom beginnen met de beoordeling van het beroep op verjaring dat [gedaagde] heeft gedaan.

4.2

Op grond van artikel 3:307 lid 1 BW verjaart een rechtsvordering tot nakoming van een verbintenis uit overeenkomst tot een geven of een doen door verloop van vijf jaren na aanvang van de dag, volgende op die waarop de vordering opeisbaar is geworden. Artikel 3:317 lid 1 BW bepaalt dat de verjaring wordt gestuit door onder meer een schriftelijke aanmaning. Als dat is gebeurd, gaat de verjaringstermijn van vijf jaar opnieuw lopen.

4.3

Uit het door Zilveren Kruis bij dagvaarding overgelegde overzicht blijkt dat de oudste vordering een factuur voor onbetaald gelaten premie van januari 2012 betreft en de jongste vordering een onbetaalde gelaten premie van december 2012. Zilveren Kruis heeft onbetwist gesteld dat deze vorderingen opeisbaar zijn geworden op de eerste dag van de desbetreffende premiemaand. De verjaring moet dus uiterlijk tussen januari 2017 en december 2017 zijn gestuit.

4.4

Zilveren Kruis heeft bij de conclusie van repliek aanmaningen overgelegd van 12 januari 2012, 10 februari 2012, 21 mei 2012, 8 oktober 2012, 27 november 2012, 16 oktober 2017, 11 januari 2018, 26 januari 2018 (de eerdergenoemde veertiendagenbrief), 22 november 2018 en 10 februari 2020. [gedaagde] heeft de ontvangst van de aanmaningen betwist, met uitzondering van de brief van 10 februari 2020.

4.5

De kantonrechter stelt voorop dat Zilveren Kruis met de brieven van 11 januari 2018, 26 januari 2018, 22 november 2018 en 10 februari 2020 de verjaring van de premievorderingen niet heeft gestuit, nu deze brieven alle dateren van na vijf jaar na de opeisbaarheid van de vorderingen (zie 4.3).

4.6

Het gaat dus om de vraag of Zilveren Kruis met één of meer andere brieven - die van 12 januari 2012, 10 februari 2012, 21 mei 2012, 8 oktober 2012, 27 november 2012 of 16 oktober 2017 - de verjaring van één of meer premievorderingen heeft gestuit.

4.7

Op grond van artikel 3:37 lid 3 BW moet een tot een bepaalde persoon gerichte verklaring, om haar werking te hebben, die persoon hebben bereikt. Met betrekking tot een schriftelijke verklaring geldt als uitgangspunt dat deze de geadresseerde heeft bereikt als deze door hem is ontvangen. Volgens rechtspraak van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2013:BZ4104) moet de afzender stellen en zo nodig bewijzen dat de verklaring is verzonden, dat het adres een adres is ‘waarvan de afzender redelijkerwijs mocht aannemen dat de geadresseerde aldaar door hem kon worden bereikt’ en dat de verklaring is aangekomen.

4.8

Ook met de brief van 16 oktober 2017 is de verjaring niet gestuit, nu [gedaagde] - onbetwist - heeft gesteld dat hij op die datum niet in de BRP stond ingeschreven op het adres waarnaar de brief is verzonden, [adres 1] te Rotterdam, maar op het adres [adres 2] te Capelle aan den IJssel. Van het adres [adres 1] te Rotterdam mocht Zilveren Kruis dus niet redelijkerwijs aannemen dat [gedaagde] aldaar door hem kon worden bereikt.

4.9

De brieven van 12 januari 2012, 10 februari 2012, 21 mei 2012, 8 oktober 2012, 27 november 2012 zijn alle verzonden naar het adres [adres 3] , [potcode] te Nieuwlande. Tussen partijen is niet in geschil dat [gedaagde] in die periode woonachtig was op dat adres.

Nu Zilveren Kruis zich beroept op de rechtsgevolgen van haar stelling dat de verjaring door de voornoemde aanmaningen is gestuit, rusten op haar de stelplicht en de bewijslast ten aanzien van de ontvangst van de aanmaningen door [gedaagde] .

Doordat [gedaagde] de ontvangst van de aanmaningen heeft betwist en door Zilveren Kruis niet is gesteld of gebleken is dat zij de aanmaningen, bijvoorbeeld, per aangetekende post heeft verzonden, kan niet worden vastgesteld dat de aanmaningen daadwerkelijk door [gedaagde] zijn ontvangen en dus aan het vereiste van artikel 3:37 lid 3 BW is voldaan. De gevolgen van haar keuze om de poststukken niet aangetekend te versturen dienen voor rekening en risico te komen van Zilveren Kruis. Het enkele feit dat de door Zilveren Kruis bedoelde brieven door haar (gemachtigde) zijn gezonden aan het volgens haar juiste (BRP) adres van [gedaagde] wil nog niet zeggen dat deze [gedaagde] daadwerkelijk hebben bereikt.

4.10

Nu de ontvangst van de aanmaningen niet vaststaat, moet worden vastgesteld dat de verjaringstermijn niet volgens de vereisten van artikel 3:317 lid 1 BW is gestuit. Het beroep op verjaring slaagt dus. Hetgeen partijen overigens hebben aangevoerd, behoeft daarom geen bespreking. Dit betekent dat de vordering van Zilveren Kruis van de hoofdsom zal worden afgewezen. De nevenvorderingen delen hetzelfde lot.

4.11

Met betrekking tot de gevorderde proceskosten stelt Zilveren Kruis zich op het standpunt dat [gedaagde] verweer had kunnen voeren in de minnelijke fase, maar dit niet heeft gedaan en hij daarom door Zilveren Kruis terecht in rechte is betrokken. De kantonrechter volgt dit standpunt niet. De brief van 10 februari 2020 is de eerste brief die [gedaagde] aantoonbaar heeft bereikt. De gemachtigde van Zilveren Kruis is zeventien dagen na die brief al overgegaan tot dagvaarding. Dat [gedaagde] daarmee rekening diende te houden en wist of had moeten weten dat hij verweer had kunnen voeren om een dagvaarding te voorkomen, volgt naar het oordeel van de kantonrechter niet uit de in de brief gebruikte bewoordingen: “Als wij niet binnen de gestelde termijn een volledige betaling van u hebben ontvangen, dan zullen wij verder gaan met de procedure.”

4.12

Zilveren Kruis wordt daarom als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten, die tot aan deze uitspraak aan de zijde van [gedaagde] worden vastgesteld op nihil.

5. De beslissing

De kantonrechter:

wijst de vordering af;

veroordeelt Zilveren Kruis in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [gedaagde] vastgesteld op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.A. Vroom en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

44478