Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:9100

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
04-09-2020
Datum publicatie
13-10-2020
Zaaknummer
8631166 CV EXPL 20-22900
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

nakoming gevorderd van een overeenkomst tot het plaatsen van een advertentie. vordering toegewezen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 8631166 CV EXPL 20-22900

uitspraak: 4 september 2020

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Goodwill Media B.V.

gevestigd te Apeldoorn,

eiseres bij exploot van dagvaarding van 16 juni 2020,

gemachtigde: Landelijke Associatie van Gerechtsdeurwaarders B.V. te Groningen,

tegen

[gedaagde] ,

handelend onder de naam [handelsnaam] ,

wonende en zaakdoende te [woonplaats gedaagde] ,

gedaagde,

procederend in persoon.

Partijen worden hierna aangeduid als “Goodwill Media” respectievelijk “ [gedaagde] ”.

1. Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter kennis heeft genomen:

  • -

    het exploot van dagvaarding van 16 juni 2020, met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord, met producties;

  • -

    het vonnis van 20 juli 2020, waarbij een mondelinge behandeling is bepaald;

  • -

    de akte overlegging productie (Usb-stick) aan de zijde van Goodwill Media.

De mondelinge behandeling heeft plaats gevonden op 6 augustus 2020. Namens Goodwill Media is de heer [naam] namens haar gemachtigde verschenen. [gedaagde] is, hoewel deugdelijk opgeroepen, zonder bericht van verhindering niet verschenen.

De kantonrechter heeft de uitspraak van dit vonnis bepaald op heden.

2. De vordering

2.1

Goodwill Media heeft bij dagvaarding gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] te veroordelen aan haar te betalen € 302,50 aan hoofdsom, € 8,68 aan verschenen rente tot 11 juni 2020 (alsmede de verdere rente) en € 45,38 aan buitengerechtelijke kosten, alsmede de proceskosten.

2.2

Aan haar vordering heeft Goodwill Media - zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang - het volgende ten grondslag gelegd:

2.2.1

Goodwill Media heeft in opdracht en voor rekening van [gedaagde] een advertentie geplaatst. Het betreft een mondelinge overeenkomst, die op 6 juli 2018 op afstand is gesloten en die is aan te merken als een handelsovereenkomst. De overeenkomst hield in dat Goodwill Media drie keer een advertentie zou plaatsen in drie verschillende edities van door haar uit te gegeven puzzel- en kleurboeken, tegen betaling van € 302,50 (inclusief BTW) per plaatsing. Op de overeenkomst zijn de door Goodwill Media gehanteerde algemene voorwaarden van toepassing.

2.2.3

De eerste advertentie is geplaatst in de editie 2019. [gedaagde] heeft echter de aan zijn bedrijf gezonden factuur onbetaald gelaten.

2.2.4

Door het laten verstrijken van de vervaldatum van de factuur, zijnde 14 dagen na factuurdatum, is [gedaagde] in verzuim geraakt en wettelijke handelsrente verschuldigd geworden. De vervallen wettelijke handelsrente tot 11 juni 2019 bedraagt € 8,68.

2.2.5

Op grond van artikel 6:96 BW is [gedaagde] ook buitengerechtelijke kosten verschuldigd. Deze bedragen € 45,38.

3. Het verweer

3.1

[gedaagde] heeft de vordering betwist en heeft daartoe - zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang - het volgende aangevoerd.

3.1.1

[gedaagde] erkent dat er mondeling een overeenkomst tot stand is gekomen. Hij betwist echter dat een overeenkomst voor 3 jaar tot stand is gekomen, het zou een eenmalige uitgave worden. Pas nadat de overeenkomst was gesloten is over de duur van 3 jaar gerept.

3.1.2

De algemene voorwaarden zijn nooit door [gedaagde] ontvangen, en zijn hem dus onbekend.

3.1.3

[gedaagde] heeft de overeenkomst na een jaar (op 8 april 2019) tijdig, ruim voordat de nieuwe editie zou uitkomen, opgezegd.

4. De beoordeling

4.1

Naar aanleiding van het verweer van [gedaagde] heeft Goodwill Media een geluidsopname van het op 8 juni 2018 tussen partijen gevoerde telefoongesprek overgelegd. In die geluidsopname is te horen dat in dat telefoongesprek door de medewerkster van Goodwill Media aan de orde is gesteld dat de overeenkomst voor drie jaar zal worden aangegaan en dat [gedaagde] daarmee vervolgens heeft ingestemd. Goodwill media heeft ter gelegenheid van de mondelinge behandeling verklaard dat zij de geluidsopname op voorhand aan [gedaagde] had toegestuurd. Nu [gedaagde] niet meer heeft gereageerd en niet ter zitting van 6 augustus 2020 is verschenen, wordt uitgegaan van de juistheid van de stelling van Goodwill Media dat de overeenkomst voor 3 jaar is aangegaan.

4.2

Het betreft dus een overeenkomst die voor bepaalde tijd is aangegaan. Dergelijke overeenkomsten eindigen na ommekomst van de overeengekomen termijn en kunnen in beginsel niet tussentijds worden opgezegd, tenzij zich onvoorziene omstandigheden voordoen die niet voor rekening van de opzeggende partij komen en die van zo ernstige aard zijn dat de wederpartij naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid instandhouding van de overeenkomst tot het overeengekomen tijdstip niet mag verwachten. Door [gedaagde] is niet aangevoerd dat in het onderhavige geval sprake was van dergelijke onvoorziene omstandigheden.

4.3

Het vorenstaande brengt met zich dat het Goodwill Media vrij stond om de opzegging per direct - als verwoord in de e-mail van [gedaagde] van 8 april 2019 - niet te accepteren, maar desondanks uit coulance slechts de overeengekomen kosten voor het jaar 2019 te vorderen en de deelname van [gedaagde] voor 2020 te annuleren.

4.4

Nu [gedaagde] de hoogte van de prijs van de advertentie voor het jaar 2019 niet heeft betwist, wordt de hoofdsom toegewezen.

4.5

Nu niet betwist is dat [gedaagde] bij het aangaan van de overeenkomst heeft gehandeld in de uitoefening van zijn bedrijf, wordt er in rechte van uitgegaan dat het een handelsovereenkomst betrof en [gedaagde] op grond van artikel 6:119a BW wettelijke handelsrente verschuldigd is geworden. De gevorderde wettelijke handelsrente, is als op de wet gegrond, voor toewijzing vatbaar.

4.6

Goodwill Media maakt aanspraak op een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. Voor de hoogte van de toewijsbare buitengerechtelijke incassokosten zoekt de kantonrechter aansluiting bij het in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten bepaalde tarief. Derhalve is aan buitengerechtelijke incassokosten het gevorderde bedrag van € 45,38 toewijsbaar.

4.7

[gedaagde] wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten.

5. De beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt [gedaagde] om aan Goodwill Media tegen kwijting te betalen € 356,56, vermeerderd met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over € 302,50 vanaf 11 juni 2020 tot aan de dag van algehele voldoening;

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Goodwill Media vastgesteld op € 210,85 aan verschotten en € 144,00 aan salaris voor de gemachtigde;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. K.J. Bezuijen en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

898