Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:904

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
06-02-2020
Datum publicatie
06-02-2020
Zaaknummer
10/962010-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ontvankelijkheidsverweer, de rechten van de verdachte zijn structureel met voeten getreden.

In deze zaak is niet gebleken van een zodanig ernstige inbreuk op de beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan. Het openbaar ministerie is ontvankelijk in de vervolging.

Verdenking medeplegen van moord en wegmaken stoffelijk overschot. Strafeis levenslange gevangenisstraf.

De verdachte wordt vrijgesproken, nu er onvoldoende wettig bewijs is om tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde te komen. De door het openbaar ministerie gepresenteerde bewijsconstructie is gebaseerd op een (te) beperkte hoeveelheid indirect bewijs.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummer: 10/962010-12

Datum uitspraak: 6 februari 2020

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

gedetineerd in de penitentiaire inrichting Flevoland, locatie Lelystad,

raadsman mr. J. van Halderen, advocaat te Haarlem.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 28 september, 1 oktober, 4 oktober 2018, 18, 19, 20 maart, 8, 9, 11 april 2019 en 23 januari 2020. Het onderzoek is gesloten op de terechtzitting van 23 januari 2020.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officieren van justitie mrs. M.G. Vreugdenhil en Th.W. d’Anjou hebben gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het onder 1 en 2 tenlastegelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een levenslange gevangenisstraf.

4 Ontvankelijkheid officier van justitie

Standpunt van de verdediging

De rechten van de verdachte zijn structureel met voeten getreden. Er is sprake van ernstige inbreuken op de beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak tekort is gedaan. Ook is er van een zodanig tijdsverloop sprake dat het openbaar ministerie het recht op vervolging verspeeld heeft en om die reden

niet-ontvankelijk verklaard zou moeten worden.

Oordeel van de rechtbank

Wat betreft het veronderstelde prematuur dagvaarden. Niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging komt, behoudens de in de wet geregelde gevallen, enkel in uitzonderlijke gevallen in aanmerking.

De omstandigheid dat de rechter-commissaris het openbaar ministerie een termijn in de zin van artikel 180 van het Wetboek van Strafvordering heeft gesteld voor het aanleveren van een einddossier en het openbaar ministerie daaraan niet (tijdig) heeft voldaan, levert geen grond voor niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie op. De rechter-commissaris had – nu daaraan niet was voldaan – een voordracht aan de raadkamer van de rechtbank kunnen doen voor een verklaring beëindiging van de zaak als bedoeld in artikel 36, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, maar deze voordracht heeft niet plaatsgevonden. Daarbij weegt ook mee dat de verdediging zelf geen aanleiding heeft gezien een bezwaarschrift in te dienen tegen het uitbrengen van de dagvaarding.

Ook is niet gebleken dat het openbaar ministerie door verstrekking van het digitale dossier aan de verdachte op dvd en niet op USB-stick, ondanks herhaald andersluidend verzoek, het dossier opzettelijk lang heeft achtergehouden, noch dat de verdachte in de gegeven omstandigheden anderszins daardoor in zijn verdediging is gefrustreerd.

Er is dus geen sprake geweest van een situatie waarin een zodanig ernstige inbreuk op de beginselen van een behoorlijke procesorde zijn gemaakt dat het openbaar ministerie niet kan worden ontvangen in de vervolging van de verdachte. Het door de verdediging gedane beroep op niet-ontvankelijkheid in verband met het prematuur dagvaarden door het openbaar ministerie wordt dus verworpen.

Wat betreft het tijdsverloop. Het voorschrift van artikel 6, eerste lid, EVRM ziet op de behandeling van een strafzaak binnen een redelijke termijn en heeft tot doel te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een (verdere) strafvervolging zou moeten leven. Vaste rechtspraak van de Hoge Raad is dat overschrijding van de redelijke termijn nooit, ook niet in uitzonderingsgevallen, kan leiden tot

niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de strafvervolging.1 Hierop stuit dit ontvankelijkheidsverweer dus af.

Ook de door de verdediging gestelde inbreuk op de verdedigingsrechten door de ongunstige invloed van het tijdsverloop op de beoordeling van de feiten als gevolg van de verbleking van de herinnering van getuigen, kan niet leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie. De verdediging heeft enkel aangevoerd dat de getuigen mogelijk te lijden hebben onder het tijdsverloop, maar niet gebleken is dat het effectief ondervragingsrecht als gevolg hiervan op enigerlei wijze is belemmerd.

Conclusie

In deze zaak is niet gebleken van een zodanig ernstige inbreuk op de beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan (het zogenoemde Zwolsman-criterium2).

Ook zijn er geen feiten of omstandigheden gesteld of aannemelijk geworden die zouden moeten leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie, zodat het openbaar ministerie ontvankelijk is in de vervolging.

De officier van justitie is ontvankelijk.

5 Vrijspraak

Het openbaar ministerie is in deze zaak tot de conclusie gekomen dat alle verdachten (te weten [naam medeverdachte 1] , [naam medeverdachte 2] , [naam medeverdachte 3] en [naam verdachte] ) als medeplegers van de moord op en het wegmaken van het stoffelijk overschot van [naam slachtoffer] (hierna ook: [naam slachtoffer] ) dienen te gelden. In het dossier bevindt zich een aantal aanknopingspunten en aanwijzingen daarvoor. Zo is daar de TCI-informatie die met name in de richting van [naam medeverdachte 3] en [naam medeverdachte 1] uitgaat en hetzelfde geldt voor de verklaringen van [naam getuige 1] , [naam getuige 2] en [naam getuige 3] . Vervolgens is daar de track en trace-informatie van door [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 2] gehuurde auto’s, met name wat betreft de plaatsbepaling van die auto’s in Hoek van Holland in de tweede helft van de maand maart 2009. In Hoek van Holland is ook het lichaam van [naam slachtoffer] aangetroffen en wel in diezelfde periode. Een volgende aanwijzing zijn de huurcontracten voor de auto’s die door [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 2] zijn gehuurd en wel bij dezelfde firma X Rent a Car in Rotterdam. Daarnaast zijn goederen aangetroffen in de Noordvest in Schiedam. Twee daarvan zijn in tweede instantie herkend door getuigen. In de nabijheid van die plek is blijkens het track en trace-materiaal een door [naam medeverdachte 1] gehuurde auto aanwezig geweest. En ten slotte hebben alle verdachten gezwegen, ook op punten waar een uitleg nodig is geweest, zoals wie de door [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 2] gehuurde auto’s heeft gebruikt en op welke tijdstippen. Al deze gegevens leveren aanwijzingen op voor wetenschap en mogelijke betrokkenheid van één of meer verdachten in deze zaak.

De rechtbank is echter van oordeel dat er onvoldoende wettig bewijs is om tot een bewezenverklaring van het door het openbaar ministerie ten laste gelegde te kunnen komen. De door het openbaar ministerie gepresenteerde bewijsconstructie is naar het oordeel van de rechtbank gebaseerd op een (te) beperkte hoeveelheid indirect bewijs. Er zal dus vrijspraak volgen en in het navolgende zal op een aantal uitdrukkelijke stellingnames van het openbaar ministerie worden ingegaan, zijnde:

  • -

    Waarom moest [naam slachtoffer] dood?

  • -

    Hoe en onder welke omstandigheden is [naam slachtoffer] omgebracht?

  • -

    Waar is [naam slachtoffer] omgebracht?

  • -

    Wanneer is [naam slachtoffer] omgebracht?

  • -

    Waar zijn de spullen van [naam slachtoffer] gebleven?

  • -

    Wie heeft [naam slachtoffer] omgebracht?

Waarom moest [naam slachtoffer] dood?

Door het openbaar ministerie is aangevoerd dat de dood van [naam slachtoffer] een interne afrekening betreft. De reden dat hij dood moest, is gelegen in het feit dat hij geld zou hebben weggenomen van [naam medeverdachte 1] .

De rechtbank overweegt dat op basis van het dossier niet met voldoende zekerheid gesteld kan worden dat het hier om een interne afrekening gaat, laat staan dat met voldoende zekerheid gezegd kan worden dat [naam slachtoffer] is gestraft omdat hij geld zou hebben gestolen van [naam medeverdachte 1] . Een aanwijzing voor dit gegeven zou gevonden kunnen worden in een tapgesprek tussen [naam getuige 4] en [naam medeverdachte 1] . In dit gesprek wordt gezegd dat ‘hij (de rechtbank begrijpt: [naam slachtoffer] ) bij hen hetzelfde zou hebben gedaan’. Uit dit gesprek blijkt niet wat ‘hij’ precies gedaan heeft. Dat het specifiek om een diefstal zou gaan kan uit dit gesprek niet worden geconcludeerd. Ook [naam getuige 4] geeft daar geen duidelijkheid over. De verklaring van [naam getuige 5] in dit verband, waarin hij zegt dat hij van [naam medeverdachte 1] heeft gehoord dat ‘de Chinees’ vijftigduizend euro van hem zou hebben gestolen is onvoldoende om aan te nemen dat [naam slachtoffer] daadwerkelijk een geldbedrag heeft weggenomen bij [naam medeverdachte 1] of één van de andere verdachten. De verklaring van [naam getuige 5] is van horen zeggen en wordt nergens ondersteund door verklaringen van anderen uit eigen waarneming.

De rechtbank komt tot de conclusie dat uit het dossier verschillende motieven naar boven komen drijven. Verschillende mensen – ook andere personen dan de verdachte(n) – zouden verschillende redenen kunnen hebben om [naam slachtoffer] van het leven te beroven. Echter, geen van deze motieven kan op basis van dit dossier met voldoende zekerheid worden aangenomen.

De vraag waarom [naam slachtoffer] dood moest, kan niet eenduidig worden beantwoord.

Hoe en onder welke omstandigheden is [naam slachtoffer] om het leven gebracht?

Het openbaar ministerie stelt zich op het standpunt dat [naam slachtoffer] is gemarteld en daarna is omgebracht door middel van een mes.

De rechtbank stelt vast, op basis van de bevindingen van de patholoog Van de Goot, dat een mes is gebruikt als wapen. De verwondingen die zijn aangetroffen bij [naam slachtoffer] zijn toegebracht op verschillende momenten voorafgaand aan het intreden van de dood. Dit duidt op een marteling voordat hij stierf. Het wapen of de wapens waarmee dit is gebeurd zijn niet gevonden. Onderzoek heeft in dat opzicht niets opgeleverd.

Anders dan het openbaar ministerie ziet de rechtbank onvoldoende aanwijzingen in het dossier om te kunnen zeggen dat de wond op het gezicht van [naam slachtoffer] op dezelfde wijze en door dezelfde mensen is aangebracht als degenen die de wond bij [naam getuige 6] hebben aangebracht. Geen enkele getuige verklaart uit eigen wetenschap over de toedracht van de wond van [naam getuige 6] . [naam getuige 6] zelf geeft daar desgevraagd ook geen verklaring over die in dit verband bruikbaar is. Ook de conclusie van de patholoog specifiek met betrekking tot dit gezichtsletsel doet daar niets aan toe of af.

De rechtbank is verder van oordeel dat het bezit van het boek ‘Doden zonder wroeging’ van J. Mesrine ook geen aanwijzing kan opleveren voor de wijze waarop [naam slachtoffer] is omgebracht. Dat het boek en met name de daaruit door het openbaar ministerie bij requisitoir aangehaalde passages als inspiratiebron hebben gediend voor de wijze waarop [naam slachtoffer] is gemarteld en gedood, kan op geen enkele wijze worden onderbouwd. Dat het zo is gegaan, blijft giswerk.

De rechtbank overweegt verder dat het voorhanden hebben van een dergelijk boek in de kringen waarin verdachten zich destijds begaven niet geheel ongebruikelijk lijkt te zijn. Dat kan op zichzelf, dan wel in samenhang met bovenstaande geen aanwijzing opleveren van betrokkenheid bij deze levensberoving.

De vraag hoe en onder welke omstandigheden [naam slachtoffer] is omgebracht kan niet worden beantwoord.

Waar is [naam slachtoffer] omgebracht?

Het openbaar ministerie stelt zich op het standpunt dat [naam slachtoffer] in de woning aan de [adres delict] te [plaats delict] om het leven moet zijn gebracht.

De rechtbank is van oordeel dat hier uit het dossier niets van is gebleken. Uit het forensisch onderzoek dat heeft plaatsgevonden in de woning aan de [adres delict] te [plaats delict] , is geen enkel spoor naar voren gekomen dat zou kunnen duiden op een levensberoving en/of een marteling in die woning. Ook uit ander onderzoek is hieromtrent niets gebleken. De woning bevindt zich in het centrum van [plaats delict] in het zicht van omwonenden. Het is de rechtbank niet gebleken dat uit buurtonderzoek iets naar voren is gekomen dat duidt op signalen dat op enig moment iemand in de woning zou zijn gemarteld en/of gedood.

De rechtbank heeft ook sterke twijfels bij de stelling dat [naam slachtoffer] is gemarteld en vervolgens gedood binnen de door het openbaar ministerie aangegeven tijdsspanne. De patholoog houdt in zijn rapport een ruimere tijdspanne aan dan door het openbaar ministerie wordt gehanteerd.

De locatie van [naam slachtoffer] ’s dood kan niet worden vastgesteld.

Wanneer is [naam slachtoffer] omgebracht?

Door het openbaar ministerie is veel aandacht besteed aan het track en trace-systeem en het daaraan gekoppelde GPS-systeem dat in bepaalde door de verdachten en [naam slachtoffer] gehuurde auto’s was geïnstalleerd. Het track en trace-systeem is echter in zoverre beperkt dat het enkel de locatie en het tijdstip opslaat wanneer de motor van de auto wordt in- of uitgeschakeld. Waar het voertuig in de tussentijd is geweest volgt daaruit niet, anders dan dat de tussentijds afgelegde kilometers worden geregistreerd. Het tussentijds met draaiende motor stoppen voor het ophalen of uitstappen van iemand wordt dus niet geregistreerd. Ook kan daaruit, zonder aanvullende informatie, niet worden opgemaakt wie de bestuurder of inzittende(n) is/zijn van die auto’s.

In maart 2009 was [naam medeverdachte 1] huurder van in elk geval drie auto’s, waarvan de huurperiodes elkaar deels overlappen. Het openbaar ministerie spitst het in het requisitoir toe op de Audi A4, gekentekend [kentekennummer 1] (hierna: Audi). Een auto die was voorzien van een track en trace-systeem. [naam medeverdachte 2] huurde ook auto’s. In maart 2009 was [naam medeverdachte 2] huurder van twee auto’s, waarvan de huurperiodes elkaar deels overlappen. Het openbaar ministerie richt zich hierbij op de Opel Astra, gekentekend [kentekennummer 2] (hierna: Opel), voorzien van een track en trace-systeem. In die periode heeft [naam slachtoffer] een auto gehuurd zonder een track en trace-systeem.

Het openbaar ministerie heeft de stelling betrokken dat [naam slachtoffer] na 16 maart 2009 om het leven is gebracht. Dat zou het geval kunnen zijn, maar dat zegt niets over de betrokkenheid van (een van) de verdachten [naam medeverdachte 1] , [naam medeverdachte 3] , [naam medeverdachte 2] en/of [naam verdachte] .

De Audi en de Opel zijn door [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 2] gehuurd en blijkens de track en trace-gegevens van die auto’s in maart 2009 en op de door het openbaar ministerie gestelde dag van overlijden van [naam slachtoffer] in de buurt geweest van de plaats waar het lichaam van [naam slachtoffer] is aangetroffen. Dit vormt een aanwijzing voor de betrokkenheid van de verdachten. Uit het dossier volgt dat een ander door het openbaar ministerie mede als verdachte aangeduid persoon, [naam medeverdachte 4] , in de gestelde periode zich in de buurt van het graf van [naam slachtoffer] heeft opgehouden en daar zelfs een appartement heeft gehuurd. Daarmee is dus niet gezegd dat alle pijlen naar de verdachten wijzen. Het is niet ondenkbaar dat de verdachten in die periode in Hoek van Holland aanwezig waren, omdat zij op zoek waren naar [naam medeverdachte 4] vanwege de betrokkenheid van [naam medeverdachte 4] bij de handel in vervalste Tsjechische paspoorten. Meerdere verdachten waren in het bezit van vervalste Tsjechische paspoorten. Overigens zijn ook in de door [naam medeverdachte 2] en [naam medeverdachte 1] gehuurde auto’s geen (forensische) sporen van [naam slachtoffer] aangetroffen.

Ook heeft het openbaar ministerie de stelling ingenomen dat het huren van genoemde auto’s en de aanwezigheid van die auto’s in de omgeving van de plaats waar het lichaam van [naam slachtoffer] uiteindelijk is gevonden, schreeuwen om een verklaring van de verdachten [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 2] . Dit is juist. Het vormt een aanwijzing voor de betrokkenheid van de verdachten, maar onvoldoende om daderschap, in de zin van medeplegen of plegen, aan te nemen. Het maakt niet zonder meer dat de verdachten in de auto zaten als bestuurder of inzittende(n). Daarbij betrekt de rechtbank ook de door de verdediging bepleite doorbreking van het vaste patroon in de plaatsen die de door [naam medeverdachte 2] gehuurde auto en de door [naam medeverdachte 1] gehuurde auto hebben aangedaan in de periode van 16 maart tot en met 18 maart 2009.

Met andere woorden, voor zover al kan worden vastgesteld dat het de verdachten [naam medeverdachte 1] , [naam medeverdachte 3] , [naam medeverdachte 2] en/of [naam verdachte] zijn geweest die aanwezig waren in de buurt van de plaats waar [naam slachtoffer] lag begraven, bieden de track en trace-gegevens ruimte voor twijfel over het antwoord op de vraag wat de rol van de verdachte(n) is geweest, welke specifieke handelingen door hem/hun is/zijn verricht en of hij/zij als pleger(s) dan wel medepleger(s) van het ten laste gelegde is/zijn opgetreden.

Waar zijn de spullen van [naam slachtoffer] gebleven?

Uit het dossier blijkt dat goederen (Boeddhabeeld en dekbedovertrek) die aan [naam slachtoffer] hebben toebehoord zijn opgevist uit de Noordvest te Schiedam. Uit het dossier is ook gebleken dat de door [naam medeverdachte 1] gehuurde auto op 17 maart 2009 korte tijd heeft stilgestaan in de omgeving van de vindplaats van de goederen in 2012.

Het heeft er alle schijn van dat de inzittende(n)/bestuurder van de auto te maken heeft/hebben gehad met die goederen. [naam medeverdachte 1] , de huurder van de betreffende auto, zwijgt in alle toonaarden. Dit schreeuwt om een uitleg aan de zijde van [naam medeverdachte 1] . Echter, hoezeer dit ook een aanwijzing oplevert voor mogelijk daderschap, het is onvoldoende om tot bewijs van daderschap te komen.

Wie heeft [naam slachtoffer] omgebracht?

Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen, kan niet worden vastgesteld door wie [naam slachtoffer] om het leven is gebracht. Opgemerkt zij nog dat de getuigen [naam getuige 1] en [naam getuige 2] op dit punt niet uit eigen wetenschap verklaren, terwijl de verklaringen van [naam getuige 3] , ook nu nog, te wisselend van aard zijn. En ook hij verklaart niet uit eigen wetenschap. De getuige [naam getuige 5] verklaart wel over iets wat [naam medeverdachte 1] tegen hem gezegd zou hebben, maar dit is onvoldoende om daderschap aan te nemen. Deze getuigen, alsmede de getuige [naam getuige 4] , zijn door de rechter-commissaris gehoord, maar hebben geen nieuw of duidelijker licht op de zaken kunnen werpen.

In de gegeven omstandigheden wordt daarom ook de grens dat het zwijgen van de verdachte wegens gebrek aan uitleg bij het bewijs kan worden betrokken, niet bereikt. Hetgeen het onderliggende dossier biedt, is in ieder geval onvoldoende om de verdachte als (mede)pleger van de moord op en het wegmaken van het stoffelijk overschot van [naam slachtoffer] aan te wijzen.

Conclusie

De verdachten lijken allen in meer of mindere mate met deze zaak, de dood van [naam slachtoffer] , betrokkenheid te hebben gehad. Binnen het kader van de tenlastelegging dat het openbaar ministerie heeft geplaatst – medeplegen van moord – kan niet tot een veroordeling worden gekomen. Dat geldt ook voor het tweede ten laste gelegde feit, gelet op de concreetheid daarvan. Dat een zekere vorm van samenwerking tussen de verdachten heeft bestaan en/of door de verdachten zekere (voorbereidings)handelingen zijn gepleegd in dit opzicht, is niet ondenkbaar. Maar dat is niet ten laste gelegd en ligt dus ook niet ter beoordeling voor.

De verdachte wordt dus vrijgesproken.

6 Bijlage

De in dit vonnis genoemde bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

7 Beslissing

De rechtbank:

verklaart de officier van ontvankelijk in de vervolging;

verklaart niet bewezen, dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J. van der Groen, voorzitter,

en mrs. L. Feraaune en D. Visser, rechters,

in tegenwoordigheid van R. Meulendijk en mr. E.L. Vedder, griffiers,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 6 februari 2020.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij

in of omstreeks de periode van 11 maart 2009 tot en met 25 maart 2009 te

Leerdam en/of Hoek van Holland en/of Schiedam en/of Tiel, in elk geval

in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

een persoon genaamd [naam slachtoffer] , opzettelijk en met voorbedachten rade van het

leven heeft beroofd door die [naam slachtoffer] (meermalen) met een mes, althans een scherp

en/of puntig voorwerp, in de nek en/of in de hals en/of in het gezicht, in

ieder geval in het lichaam, te steken en/of te snijden;

2.

hij

in of omstreeks de periode van 11 maart 2009 tot en met 25 maart 2009 te Hoek

van Holland, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander

of anderen, althans alleen,

een lijk, te weten het stoffelijk overschot van [naam slachtoffer] , heeft begraven,

met het oogmerk om het feit en/of de oorzaak van het overlijden te verhelen,

immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) in de duinen een kuil

gegraven en/of het lichaam van [naam slachtoffer] in die kuil gelegd en/of (vervolgens)

deze kuil afgedekt met zand en/of aarde;

1 Vgl. o.a. HR 13 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2059 en HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578.

2 Zie o.a. HR 19 december 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZD0328, NJ 1996/249.