Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:9036

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
04-09-2020
Datum publicatie
12-10-2020
Zaaknummer
8362549 CV EXPL 20-7107
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Verzet
Inhoudsindicatie

Opzegging overeenkomst van opdracht voor bepaalde tijd. Vergoeding verschuldigd over resterende looptijd?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 8362549 CV EXPL 20-7107

uitspraak: 4 september 2020

vonnis in verzet van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

1. de vennootschap onder firma

[gedaagde 1] ,

gevestigd te [plaats 1] ,

2. [gedaagde 2] ,

wonende te [plaats 2] en

3. [gedaagde 3] ,

wonende te [plaats 3] ,

beiden in hun hoedanigheid van vennoot van eiser sub 1),

eisers, gedaagden in verzet,

gemachtigde: ARAG SE Rechtsbijstand,

tegen

[eiser] h.o.d.n. [handelsnaam] ,

wonende en kantoorhoudende te [plaats 4] (gemeente [gemeente] ),

gedaagde, eiser in verzet,

gemachtigde: mr. J.S. Jordan.

Partijen worden hierna aangeduid als ‘ [gedaagde 1] ’ (in het vrouwelijk enkelvoud) en ‘ [eiser] ’.

1. Het verloop van de procedure

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het inleidend exploot van dagvaarding van 29 november 2019 met producties;

  • -

    het verstekvonnis van 8 januari 2020;

  • -

    het exploot van de verzetdagvaarding van 3 maart 2020 met producties;

  • -

    het tussenvonnis van 9 maart 2020, waarin een comparitie van partijen is bepaald;

  • -

    de brief van de rechtbank van 28 april 2020 waarin is medegedeeld dat vanwege het coronavirus geen fysieke mondelinge behandeling kan plaatsvinden;

  • -

    de conclusie van repliek met producties;

  • -

    de conclusie van dupliek met producties.

1.2

De kantonrechter heeft de uitspraak van dit vonnis nader bepaald op heden.

2. De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, staat tussen partijen, voor zover van belang, het volgende vast.

2.1

[gedaagde 1] en [eiser] hebben op 3 april 2018 een overeenkomst van opdracht (hierna ‘de overeenkomst’) gesloten op grond waarvan [gedaagde 1] administratieve-boekhoudkundige diensten zal verrichten voor [eiser] . [eiser] is hiervoor aan [gedaagde 1] een vergoeding verschuldigd van € 70,00 per maand exclusief btw.

2.2

De - Nederlandse vertaling van de in de Poolse taal opgestelde - overeenkomst vermeldt - voor zover hier van belang - onder meer het volgende:

“(…) Artikel 8

De overeenkomst kan alleen ontbonden worden in schriftelijke vorm met behoud van twee

maandelijkse opzegtermijn. In geval van aansluiting of beëindiging van overeenkomst met

kantoor [naam kantoor] tijdens begonnen boekjaar, in verband met de jaarlijkse jaarrekening van de

onderneming mogelijk de extra administratiekosten in rekening kunnen gebracht worden ter

hoogde van 250 exclusief Btw. De hoogde van de mogelijke extra administratiekosten is

afhankelijk van de grootte van het bedrijfsadministratie en de tijd die de Opdrachtnemer moet besteden.

Artikel 9

De overeenkomst is voor bepaalde periode gesloten - 1 jaar - met een automatische verlenging voor onbepaalde tijd in geval van ontbreken van de twee maandelijkse opzeggingstermijn van de Opdrachtgever. Met onmiddellijke ingang - alleen in geval van bedrijfssluiting bij de KvK en bevestiging hiervan. De overeenkomst werd in twee eensluidende exemplaren opgesteld, een voor elke partij.(…)”

2.3

[eiser] heeft de overeenkomst per brief van 16 juni 2018 met onmiddellijke ingang opgezegd.

2.4

Bij onder zaaknummer 8203972 CV EXPL 19-52098 gewezen verstekvonnis van 8 januari 2020 is [eiser] overeenkomstig de eis van [gedaagde 1] veroordeeld tot betaling aan [gedaagde 1] van € 1.128,10 vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119a BW over € 932,40 vanaf de dag van de dagvaarding tot de dag van algehele voldoening, met veroordeling van [eiser] in de kosten van het geding.

3. Het geschil

3.1

[eiser sub 1] heeft bij (oorspronkelijke) dagvaarding gevorderd, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde 4] te veroordelen om aan [eiser sub 1] tegen bewijs van kwijting te betalen

€ 1.133,10, vermeerderd met de wettelijke handelsrente over € 932,40 vanaf de dag van dagvaarding tot de dag van volledige voldoening, met veroordeling van [gedaagde 4] in de kosten van deze procedure, een bedrag aan salaris voor de gemachtigde van [eiser sub 1] daaronder begrepen.

3.2

Aan de vordering legt [eiser sub 1] - zo begrijpt de kantonrechter- ten grondslag dat [gedaagde 4] gehouden is tot nakoming van de uit de overeenkomst voortvloeiende betalingsverplichting. Omdat [gedaagde 4] deze betalingsverplichting niet is nagekomen, is hij op grond van artikel 6:119a BW de wettelijke handelsrente verschuldigd. [eiser sub 1] maakt voorts op grond van artikel 6:96 BW aanspraak op een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten.

3.3

[eiser] heeft gevorderd hem te ontheffen van de bij voormeld verstekvonnis tegen hem uitgesproken veroordeling, dat verstekvonnis te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de vordering van [gedaagde 1] af te wijzen, met veroordeling van [gedaagde 1] in de kosten van het geding.

3.4

Daartoe heeft [eiser] - samengevat- het volgende aangevoerd. Op grond van artikel 7:408 BW is [eiser] gerechtigd de overeenkomst van opdracht op ieder moment op te zeggen. De overeenkomst van opdracht is door opzegging op 16 juni 2018 rechtsgeldig geëindigd, zodat [eiser] vanaf dat moment geen betalingsverplichting meer jegens [gedaagde 1] heeft. Subsidiair is [eiser] slechts gehouden tot betaling van de maandelijkse vergoeding over de opzegtermijn. Ten aanzien van de gevorderde vergoeding voor door [gedaagde 1] verrichte werkzaamheden heeft [eiser] als verweer gevoerd dat hij reeds drie maandelijkse vergoedingen heeft voldaan.

3.5

Op de standpunten van partijen wordt - voor zover voor de beoordeling van belang- hierna nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1

Het standpunt van [eiser] dat [gedaagde 1] de vordering heeft erkend en een betalingsregeling heeft getroffen en hiervan niet kan terugkomen, wordt verworpen. Het staat [gedaagde 1] vrij om op een eerder gedane erkenning terug te komen en tegen de vordering verweer te voeren. Dat zou slechts anders kunnen zijn in het geval van een gerechtelijke erkentenis, waarvan alleen in de in de wet geregelde situaties kan worden teruggekomen, maar dat doet zich hier niet voor. Dat [gedaagde 4] heeft ingestemd met een betalingsregeling is niet relevant omdat [gedaagde 1] geen nakoming van die betalingsregeling maar van de oorspronkelijke overeenkomst van opdracht aan haar vordering ten grondslag heeft gelegd.

4.2

Tussen partijen is sprake van een overeenkomst van opdracht. Uitgangspunt is dat dergelijke overeenkomsten door de opdrachtgever te allen tijde kunnen worden opgezegd (artikel 7:408 lid 1 BW). Deze opzeggingsbevoegdheid kan voor zover het gaat om een professionele opdrachtgever, zoals in dit geval, bij overeenkomst worden beperkt of nader vorm gegeven. Uit de overeenkomst kan voortvloeien dat deze niet opzegbaar is of dat een bepaalde opzegtermijn in acht dient te worden genomen. De aan de opdrachtgever toekomende opzeggingsbevoegdheid vindt ook haar grens in een in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbare uitoefening van die bevoegdheid. Voor de beoordeling van de vraag of partijen zijn afgeweken van de wettelijke opzeggingsbevoegdheid komt het aan op de uitleg van het schriftelijk contract en op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de contractsbepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.

4.3

Uit de overeenkomst blijkt niet dat partijen van deze opzegbaarheid door de opdrachtgever hebben afgeweken. De overeenkomst is aangegaan voor de duur van één jaar en wordt na het verstrijken van het jaar automatisch wordt verlengd, tenzij deze twee maanden voor het verstrijken van het jaar is opgezegd. Volgens artikel 8 kan de overeenkomst schriftelijk worden ontbonden met inachtneming van een opzegtermijn van twee maanden. [gedaagde 1] stelt dat partijen bij het aangaan van de overeenkomst hebben besproken dat deze minimaal één jaar zou duren en binnen dat jaar niet opzegbaar zou zijn om zodoende de maandelijkse door [eiser] te betalen vergoeding laag te kunnen houden. Dit is door [eiser] niet, althans onvoldoende gemotiveerd weersproken, zodat wordt uitgegaan van de juistheid hiervan. Dit betekent dat [eiser] de overeenkomst niet eerder dan per 3 april 2019 mocht opzeggen. [eiser] heeft geen feiten of omstandigheden naar voren gebracht die meebrengen dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is om [eiser] aan de minimum looptijd van het contract te houden. [eiser] stelt dat hij ontevreden was over de dienstverlening omdat [gedaagde 1] bij meerdere facturen fouten zou hebben gemaakt, maar laat na dit te concretiseren. Uit wat partijen hierover naar voren hebben gebracht en gelet op de overgelegde stukken kan slechts worden opgemaakt dat [eiser] heeft geklaagd over één factuur. Deze omstandigheid rechtvaardigt geen voortijdige opzegging van de overeenkomst.

4.4

Uit het voorgaande volgt dat [eiser] de overeenkomst niet eerder had kunnen beëindigen dan per 3 april 2019. [eiser] is dus gehouden tot betaling van de maandelijkse vergoeding van € 70,00 exclusief btw (€ 84,70 inclusief btw) over de resterende looptijd van het contract.

4.5

Het gevorderde bedrag van € 677,60 inclusief btw zal dus worden toegewezen.

4.6

Ten aanzien van de gevorderde betaling van € 254,80, bestaande uit € 84,70 (factuurnummer [nummer factuur 1] ), € 0,70 (factuurnummer [nummer factuur 2] ), € 84,70 (factuurnummer [nummer factuur 3] ) en € 84,70 (factuurnummer [nummer factuur 4] ), heeft [eiser] bij dupliek als verweer gevoerd dat hij een betaling van € 84,00 heeft verricht en twee betalingen van € 84,70, waarvan één contant. [eiser] heeft twee rekeningafschriften overgelegd. Aangezien [eiser] dit verweer pas bij dupliek naar voren heeft gebracht heeft [gedaagde 1] hierop nog niet kunnen reageren. [gedaagde 1] zal in de gelegenheid worden gesteld zich uit te laten over de gestelde betalingen en de gevolgen hiervan voor haar vordering.

4.7

De kantonrechter verwijst de zaak daartoe naar de rolzitting van dinsdag 13 oktober 2020 om 13.30 uur om [gedaagde 1] in de gelegenheid te stellen zich bij akte uit te laten over het hiervoor onder 4.6 bedoelde.

4.8

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

5. De beslissing

De kantonrechter:

verwijst de zaak naar de rolzitting van dinsdag 13 oktober 2020 om 13.30 uur om

[gedaagde 1] in de gelegenheid te stellen zich bij akte uit te laten zoals hiervoor onder 4.6 en 4.7 genoemd;

wijst [gedaagde 1] erop dat de akte in tweevoud ingestuurd moet worden en uiterlijk de dag vóór de rolzitting om 12.00 uur door de rechtbank ontvangen moet zijn;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.H. Poiesz en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

34650