Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:9029

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
16-09-2020
Datum publicatie
21-10-2020
Zaaknummer
C/10/602580 / KG ZA 20-742
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding; geldvordering aansprakelijkheid voor het niet binnen de termijn verlenen van een (horeca)vergunning. De vordering wordt afgewezen, aangezien eiseressen onvoldoende aannemelijk hebben gemaakt dat de Gemeente onzorgvuldig heeft gehandeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/602580 / KG ZA 20-742

Vonnis in kort geding van 16 september 2020

in de zaak van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres 1] .,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

2. [eiseres 2],

wonende te [woonplaats] ,

eiseressen,

advocaat mr. A. Ester te Zwijndrecht,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

DE GEMEENTE DORDRECHT,

zetelend te Dordrecht,

gedaagde,

advocaat mr. J.J. Jacobse te Middelburg.

Partijen worden hierna [eiseres 1] c.s. en de Gemeente genoemd.

Eiseressen worden afzonderlijk [eiseres 1] en [eiseres 2] genoemd.

1. De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 24 augustus 2020, met producties en aanvullende producties;

  • -

    de conclusie van antwoord, met producties;

  • -

    de mondelinge behandeling gehouden op 2 september 2020;

  • -

    de pleitnota van [eiseres 1] c.s.;

  • -

    de pleitnota van de Gemeente.

1.2.

Vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten

2.1.

[eiseres 1] , opgericht in 2018, is een onderneming die zich bezig houdt met het exploiteren van een bar-restaurant. [eiseres 2] is bestuurder en enig aandeelhouder van [eiseres 1] .

2.2.

In 2018 hebben [eiseres 1] c.s., tezamen met de partner van [eiseres 2] , de heer [naam partner eiseres 2] (hierna: [naam partner eiseres 2] ), het voornomen opgevat om een café-restaurant te openen in een door [eiseres 1] vanaf begin 2019 gehuurd pand aan de Voorstraat te Dordrecht. Ten behoeve van deze onderneming hebben [eiseres 1] en [eiseres 2] een overeenkomst van geldlening met een crowdfundingsorganisatie gesloten. Daarnaast hebben zij een overeenkomst met een bierbrouwer gesloten.

2.3.

Op 20 mei 2019 heeft [eiseres 1] bij de Gemeente een Drank- en Horecawetvergunning, een terrasvergunning en een permanente ontheffing van de sluitingstijden aangevraagd. Voor deze aanvraag geldt een beslistermijn van 8 weken.

2.4.

Bij brief van 12 juli 2019 heeft de Gemeente de beslistermijn met 6 weken verlengd.

2.5.

Bij brief van 2 augustus 2019 heeft de Gemeente aan [eiseres 1] meegedeeld dat zij een BIBOB-advies gaat aanvragen aan het Landelijk Bureau Bibob (hierna: het LBB), waardoor de beslistermijn met maximaal 12 weken werd verlengd.

2.6.

Op 18 november 2019 heeft het LBB een Bibob-advies uitgebracht en op 9 december 2019 een aanvullend advies. Het Bibob-advies was negatief, omdat het LBB concludeerde dat er een ernstig gevaar bestond dat de gevraagde vergunning mede gebruikt zou worden om strafbare feiten te plegen.

2.7.

Op 6 januari 2020 heeft een bespreking plaatsgevonden tussen (vertegenwoordigers van) de Gemeente en [eiseres 2] en [naam partner eiseres 2] .

In dit gesprek is onder meer het negatieve Bibob-advies aan de orde geweest. Voorts is besproken dat [eiseres 2] en [naam partner eiseres 2] een nieuw Bibob-vragenformulier dienden in te vullen, omdat de in het begin van het traject aangeleverde informatie niet langer juist was.

Van dit gesprek is door de Gemeente een gespreksverslag gemaakt. Daarnaast heeft [naam partner eiseres 2] een geluidsopname gemaakt van het gesprek.

2.8.

Op 15 januari 2020 heeft de Gemeente aanvullende vragen gesteld aan [eiseres 1] c.s., waarna [eiseres 2] en [naam partner eiseres 2] op 18 februari 2020 aanvullende informatie hebben verstrekt. Voorts heeft de Gemeente op 2 maart 2020 nog een aantal vragen gesteld, die op 8 maart 2020 zijn beantwoord.

2.9.

In antwoord op een e-mail van [eiseres 2] waarin zij schrijft dat zij blij is met het goede nieuws dat ze de vergunning heeft, heeft mevrouw [naam persoon] (hierna: [naam persoon] ) bij e-mail van 16 april 2020 namens de Gemeente het volgende geschreven aan [eiseres 2] :

Het is zeker goed nieuws voor jullie.

Geniet ervan hoor!

Ik zou nog op een tweetal vragen van [naam] terugkomen.

De eerste gaat over de ontheffing sluitingstijden en de tweede over het terras inderdaad.

Over de ontheffing sluitingstijden kan ik zeggen dat de politie te kennen heeft gegeven aanvullende voorwaarden te stellen.

Deze heb ik nog niet mogen ontvangen.

Zodra ik deze heb ontvangen, zal ik jullie daarvan op de hoogte brengen.

Over het terras wil ik aangeven dat wij het stuk tegen de gevel en het stuk op het Scheffersplein (welke ook tegenover jullie gevel geplaatst zal gaan worden) toestaan, mits alle adviezen positief zijn.

Zodra ik alle adviezen heb mogen ontvangen, zal ik jullie daarvan ook op de hoogte brengen.

2.10.

Bij e-mail van 14 juli 2020 heeft [naam persoon] namens de Gemeente aan [eiseres 2] en [naam partner eiseres 2] bericht dat de Drank- en Horecawetvergunning pas kan worden verleend als de inrichting aan de inrichtingseisen van het besluit eisen inrichtingen de Drank- en Horecawet voldoet.

2.11.

Bij e-mail van 16 juli 2020 heeft [naam persoon] namens de Gemeente aan [eiseres 2] en [naam partner eiseres 2] meegedeeld dat de ontheffing voor de sluitingstijden wordt verleend mits het veiligheidsplan volledig is goedgekeurd door de politie.

2.12.

Bij vonnis van 16 juli 2020 heeft de kantonrechter van deze rechtbank in de door de verhuurders op 19 september 2019 aanhangig gemaakte bodemprocedure een mondelinge behandeling bepaald op 4 september 2020. In deze procedure vorderden de verhuurders ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde.

2.13.

Bij brief van 21 juli 2020 heeft de advocaat van [eiseres 1] c.s. de Gemeente aansprakelijk gesteld voor de schade die [eiseres 1] c.s. lijden door de trage afwikkeling van de vergunningsaanvragen.

2.14.

Bij brief van 11 augustus 2020 heeft de advocaat van [eiseres 1] c.s. aan de Gemeente meegedeeld dat de brief van 21 juli 2020 ook moet worden beschouwd als een ingebrekestelling wegens het niet-tijdig beslissen op de vergunningsaanvragen.

2.15.

Bij brief van 24 augustus 2020 heeft de Gemeente de aansprakelijkheid van de hand gewezen.

2.16.

Bij e-mail van eveneens 24 augustus 2020 hebben [eiseres 1] c.s. de ingebrekestelling ingetrokken.

2.17.

Op 31 augustus 2020 heeft een overleg plaatsgevonden tussen (vertegenwoordigers van) [eiseres 1] c.s. en de Gemeente. Hierbij is afgesproken dat de Omgevingsdienst Zuid-Holland een inspectie zal uitvoeren van de inrichting van [eiseres 1] c.s. nadat de beoogde verbouwing heeft plaatsgevonden. Vervolgens in de inspectie gepland op 14 september 2020.

3. Het geschil

3.1.

[eiseres 1] c.s. vordert – samengevat – veroordeling van de Gemeente tot betaling van € 225.000,-, althans een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen te bepalen bedrag, met veroordeling van de Gemeente in de proceskosten.

3.2.

Aan deze vordering leggen [eiseres 1] c.s. het volgende ten grondslag.

Hoewel de contacten met de Gemeente steeds positief zijn verlopen, heeft de Gemeente niet binnen de uiterste beslistermijn, dus voor 18 december 2019, op de vergunningaanvragen van [eiseres 1] beslist. De Gemeente heeft in diverse fases meerdere weken ongebruikt laten verstrijken, terwijl zij wist dat [eiseres 1] c.s. daardoor in de financiële problemen zouden komen te verkeren. Aangezien de Gemeente de vergunningsaanvragen van [eiseres 1] c.s. te traag heeft behandeld, is zij gehouden de daardoor door [eiseres 1] c.s. geleden schade te vergoeden. Door het uitblijven van de vergunningen is de exploitatie van het café-restaurant nog altijd niet gestart, waardoor [eiseres 1] c.s. niet meer aan de lopende verplichtingen (aan de verhuurder, de crowdfundingsorganisatie en de bierbrouwer) konden voldoen. Het gevorderde voorschot is nodig om de onderneming te redden en onder meer om ontbinding van de huurovereenkomst te voorkomen. Aangezien [eiseres 2] hoofdelijke aansprakelijk is voor de lening uit crowdfunding, loopt zij het risico op een persoonlijk faillissement. [eiseres 1] c.s. hebben daarom bij hun vordering een spoedeisend belang.

3.3.

De Gemeente voert gemotiveerd verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring althans afwijzing van het gevorderde, met veroordeling van [eiseres 1] c.s. in de proceskosten, waaronder de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De Gemeente voert daartoe – samengevat – het volgende aan.

Binnen het genuanceerde kader van te late besluitvorming is het niet duidelijk welk verwijt aan de Gemeente gemaakt wordt. De beslistermijn voor de (gekoppelde) aanvragen eindigde op 12 december 2019. Het definitieve Bibob-advies van 9 december 2019 was negatief, waardoor de Gemeente in beginsel had moeten overgaan tot een negatief besluit op de aanvraag beschikking. Naar aanleiding van het gesprek van 6 januari 2020 hebben [eiseres 1] c.s. de kans gekregen om de twijfels over de financiering en het daarmee samenhangende negatieve Bibob-advies weg te nemen en om actuele financiële gegevens te overleggen. [eiseres 1] c.s. hebben geruime tijd nodig gehad om de benodigde gegevens te overleggen. Zij daarin uiteindelijk wel geslaagd. De vergunningen en de ontheffing kunnen worden verleend na gereedmelding van de inrichting van [eiseres 1] c.s. en goedkeuring van het veiligheidsplan. Dit is steeds aan [eiseres 1] c.s. meegedeeld, maar een en ander is tot op heden niet ontvangen.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1.

Bij de beoordeling van de vordering van [eiseres 1] c.s. staat voorop dat ten aanzien van geldvorderingen in kort geding terughoudendheid geboden is. Dit betekent dat niet alleen moeten worden onderzocht of het bestaan van de vordering in kwestie voldoende aannemelijk is – hetgeen betekent dat met een grote mate van waarschijnlijkheid te verwachten moet zijn dat de bodemrechter haar zal toewijzen –, maar ook of daarnaast sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist, terwijl in de afweging van de belangen van partijen het restitutierisico – het risico van onmogelijkheid van terugbetaling – betrokken dient te worden.

4.2.

Voor dit kort geding betekent dat dat de vordering van [eiseres 1] c.s. alleen kan worden toegewezen indien voldoende aannemelijk wordt dat de Gemeente door het beslissen na de wettelijke beslistermijn in strijd heeft gehandeld met de in het maatschappelijk verkeer jegens [eiseres 1] c.s. in acht te nemen zorgvuldigheid. Bij de aan te leggen maatstaf kunnen onder meer de volgende omstandigheden van belang zijn:

de mate waarin de beslistermijn wordt overschreden, de oorzaak of oorzaken van de termijnoverschrijding en de voor het bestuursorgaan kenbare belangen van de betrokken belanghebbenden.

4.3.

Tussen partijen staat vast dat de wettelijke beslistermijn voor de gekoppelde aanvragen in december 2019 is verstreken en dat de vergunningen en de ontheffing op dit moment nog altijd niet zijn verleend (of geweigerd). Het feit dat de Gemeente niet binnen de beslistermijn heeft beslist, is niet onzorgvuldig. Vast staat immers dat er in december 2019 sprake was van een negatief Bibob-advies. Zou de Gemeente op dat moment hebben beslist, dan waren de aanvragen geweigerd, terwijl [eiseres 1] c.s. nu juist belang hadden en hebben bij een positieve beslissing. In dat kader vond vervolgens een gesprek tussen partijen plaats. De stelling van [eiseres 1] c.s. dat de Gemeente – binnen de beslistermijn – meer voortvarendheid had kunnen betrachten bij het aanvragen en beoordelen van het Bibob-advies, leidt niet tot het oordeel dat de Gemeente in dat verband onzorgvuldig heeft gehandeld. De Gemeente heeft ter zake beleidsvrijheid en zij heeft in dit verband voorts onweersproken gesteld dat zij hierbij haar eigen beleidslijnen heeft gehanteerd. De omstandigheid dat het sneller had gekund, betekent niet dat het ook sneller had gemoeten.

4.4.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter hebben [eiseres 1] c.s. onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de Gemeente in de eerste periode na het verlopen van de beslistermijn onvoldoende voortvarend heeft gehandeld. Hoewel partijen van mening verschillen over het precieze verloop van het gesprek op 6 januari 2020, staat vast dat [eiseres 1] c.s. actuele financiële gegevens dienden aan te leveren. Hoewel [eiseres 1] c.s. hebben gesteld dat de gevraagde informatie op dat moment al bij de Gemeente bekend was, hebben zij niet weersproken dat die informatie – in ieder geval met betrekking tot de crowdfunding – afweek van wat zij aan het begin van het traject hadden ingevuld op de vragenlijst en dat de Gemeente een nadere schriftelijke toelichting wenste, waarvan zij zich bereid verklaarden die te verstrekken. [eiseres 1] c.s. hebben deze informatie pas in maart 2020 aangeleverd. [eiseres 1] c.s. kunnen de Gemeente op dit punt geen verwijt maken .

4.5.

Ook over de periode vanaf maart 2020 – na goedkeuring van de financiële onderbouwing – hebben [eiseres 1] c.s. onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de Gemeente onzorgvuldig heeft gehandeld. De Gemeente heeft zich op het standpunt gesteld dat het veiligheidsplan moet worden goedgekeurd. Daarnaast moet de inrichting van [eiseres 1] c.s. gereed worden gemeld, waarna inspectie kan plaatsvinden en – na goedkeuring – de vergunningen en de aanvraag kunnen worden verleend. De Gemeente heeft hierbij verwezen naar de APV en de bij het Ondernemersloket beschikbare informatie. Volgens de Gemeente is dit tijdens het gesprek op 6 januari 2020 en telefonisch op 1 april 2020 ook aan [eiseres 1] c.s. meegedeeld. Wat hier verder ook van zij, vast staat dat de inrichting van [eiseres 1] c.s. op de dag van de mondelinge behandeling nog altijd niet gereed was voor de inspectie. Het verwijt dat [eiseres 1] c.s. de Gemeente maken bestaat eruit – zo begrijpt de voorzieningenrechter – dat de Gemeente in het gesprek van 6 januari 2020 en in de positieve e-mail van 16 april 2020 (zie 2.9) de indruk heeft gewekt dat de vergunningen op korte termijn zouden worden verleend. Volgens [eiseres 1] c.s. heeft de Gemeente – anders dan zij heeft gesteld – ook niet tijdig gezegd dat de verbouwing vóór de inspectie gereed moest zijn en wordt deze regel ook niet bij alle ondernemers zo gehanteerd. Dit een en ander is evenwel onvoldoende om aan te nemen dat de Gemeente onzorgvuldig heeft gehandeld en daardoor uit onrechtmatige daad aansprakelijk is geworden voor eventueel door [eiseres 1] c.s. geleden schade. Ook indien moet worden aangenomen dat de Gemeente niet duidelijk heeft gecommuniceerd over de inrichtingseisen en het veiligheidsplan, volgt daaruit nog niet dat [eiseres 1] c.s. er op mocht vertrouwen dat de vergunningen na 6 januari of na 16 april 2020 zonder verdere formaliteiten zouden worden verleend. Ook de e-mail van 16 april 2020 maakt immers melding van aanvullende voorwaarden. Indien het voor [eiseres 1] c.s. onduidelijk was aan welke eisen zij dienden te voldoen, hadden zij daarnaar moeten vragen. [eiseres 1] c.s. hebben ook niet gesteld, laat staan aannemelijk gemaakt, dat zij eerder aan de eisen zouden hebben voldaan, indien zij daarvan in een eerder stadium beter op de hoogte waren gesteld. Tot slot merkt de voorzieningenrechter op dat [eiseres 1] c.s. ook niet voor 21 juli 2020 zijn overgegaan tot ingebrekestelling van de Gemeente. Indien [eiseres 1] c.s. dat eerder had gedaan, had er wellicht in een eerder stadium nader constructief overleg gevoerd kunnen worden en hadden de gekoppelde vergunningen en ontheffing wellicht eerder kunnen worden verleend.

4.6.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat [eiseres 1] c.s. onvoldoende aannemelijk hebben gemaakt dat de Gemeente door de vertraging in de besluitvorming heeft gehandeld in strijd met de jegens hen in acht te nemen zorgvuldigheid. Hoewel de Gemeente niet heeft weersproken dat zij bekend was met de (dreigende) financiële problemen van [eiseres 1] c.s., hebben [eiseres 1] c.s. onvoldoende concreet gemaakt dat de oorzaak van de vertraging(en) in overwegende mate bij de Gemeente ligt. Dit betekent dat reeds om die reden onvoldoende aannemelijk is dat de vordering in een eventuele bodemprocedure wordt toegewezen. In dit kort geding moet de vordering daarom – en nog daargelaten het restitutierisico – worden afgewezen.

4.7.

[eiseres 1] c.s. worden als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten veroordeeld. De kosten aan de zijde van de Gemeente worden begroot op:

- griffierecht € 4.131,00

- salaris advocaat € 980,00

Totaal € 5.111,00

4.8.

De nakosten en de wettelijke rente worden toegewezen zoals in het dictum vermeld.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

wijst de vorderingen af;

5.2.

veroordeelt [eiseres 1] in de proceskosten, aan de zijde van de Gemeente tot op heden begroot op € 5.111,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van veertien dagen na dit vonnis tot de dag van volledige betaling;

5.3.

veroordeelt [eiseres 1] c.s. in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 157,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [eiseres 1] c.s. niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis hebben voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening;

5.4.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. C. Bouwman en in het openbaar uitgesproken op 16 september 2020.

3077/1729