Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:8994

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
17-09-2020
Datum publicatie
08-10-2020
Zaaknummer
10/042449-16 (ontneming)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ontneming voor hennepkwekerij uit 2015

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummer: 10/042449-16 (ontneming)

Datum uitspraak: 17 september 2020

Tegenspraak (gemachtigd raadsman)

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, op de vordering als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) van de officier van justitie in de zaak tegen de veroordeelde:

[naam veroordeelde] ,

geboren te [geboorteplaats veroordeelde] op [geboortedatum veroordeelde] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres veroordeelde] , [woonplaats veroordeelde] ,

gemachtigd raadsman mr. R. Haze, advocaat te Rotterdam.

1. Onderzoek op de terechtzitting

Het onderzoek op de terechtzitting heeft plaatsgevonden op 17 september 2020.

2. Vordering

De vordering van de officier van justitie mr. J.M. Bonnes - zoals deze na wijziging ter terechtzitting is komen te luiden - strekt tot:

  • -

    het vaststellen van het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e Sr wordt geschat op € 29.011,12;

  • -

    het opleggen aan de veroordeelde van de verplichting tot betaling aan de staat van een geldbedrag ter ontneming van dat geschatte voordeel tot een bedrag van € 26.386,80.

De vordering van de officier van justitie is uitsluitend gebaseerd op artikel 36e, eerste en tweede lid, Sr. De vordering heeft betrekking op voordeel verkregen door middel van of uit de baten van de strafbare feiten waarvoor de veroordeelde is veroordeeld.

3. Strafbare feiten waarop de voordeelsberekening is gebaseerd

Bij vonnis van deze rechtbank van 17 september 2020 is de veroordeelde onder andere veroordeeld voor het opzettelijk handelen in strijd met in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod (kort gezegd: het opzettelijk telen), gepleegd in de periode 23 februari 2015 tot en met 19 juli 2015.

Een kopie van het vonnis is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

4. Beoordeling en berekening wederrechtelijk verkregen voordeel

4.1.

Inleiding

Uit het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel van 29 oktober 2015 (hierna: het rapport)1 is gebleken dat de veroordeelde uit strafbare feiten wederrechtelijk voordeel heeft verkregen.

De schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel is gebaseerd op de feiten en omstandigheden die zijn ontleend aan de inhoud van de hierna in de voetnoten vermelde wettige bewijsmiddelen. Zo nodig worden daarbij de normen gehanteerd die zijn opgenomen in de zogenoemde rapportage “Wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij bij binnenteelt onder kunstlicht” van het Bureau Ontnemingswetgeving Openbaar Ministerie van april 2005 en de update daarvan van 1 november 2010 (hierna: het BOOM-rapport).

Met betrekking tot de berekening van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel wordt het volgende overwogen.

4.2.

Aangetroffen hennepkwekerij

Op 20 juli 2015 is in de woning van de veroordeelde een in werking zijnde hennepkwekerij aangetroffen. De hennepkwekerij bestond uit 339 planten. De oppervlakte van de kwekerij is door de verbalisanten niet opgemeten zodat het aantal planten per m2 niet bekend is.

4.3.

Berekening bruto opbrengst

4.3.1.

Standpunt verdediging

De raadsman heeft primair aangevoerd dat de vordering dient te worden afgewezen nu de veroordeelde slechts € 1.000,- heeft ontvangen voor één oogst die grotendeels is mislukt. De veroordeelde heeft de schuld aan Stedin voldaan zodat er geen sprake meer is van (wederrechtelijk) voordeel. Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat de berekening van het wederrechtelijk voordeel niet juist is. De bruikbare oppervlakte van de kweekruimte betreft naar eigen berekening door de veroordeelde 10,5 m2. Uitgaande van het totaal van 339 planten in de kweekruimte zouden er dan 32 planten per m2 hebben gestaan. De volgens het BOOM-rapport bij die oppervlakte behorende opbrengst is 19 gram per plant, wat tot een totale opbrengst van 6.441 gram hennep leidt. Op grond van het BOOM-rapport wordt als kiloprijs voor hennep een minimumbedrag van € 3.280,- aangenomen. De totale bruto opbrengst voor één oogst bedraagt in dat geval € 21.126,48. Daarop strekt in mindering de kosten die aan Stedin zijn voldaan ad € 2.624,32 en de kosten per oogst ad € 2.345,02. Dan resteert een opbrengst van € 16.157,14.

4.3.2.

Beoordeling

De rechtbank volgt de verklaring van de veroordeelde dat de eerste oogst grotendeels mislukt is niet. Op basis van aangetroffen hennepresten, stof op apparatuur, en een knipschaar met hennepresten, wordt ervan uitgegaan dat de veroordeelde in ieder geval één geslaagde hennepoogst heeft gehad, waaruit hij voordeel heeft genoten. Het primaire verweer wordt dan ook verworpen. De rechtbank zal de raadsman wel volgen in zijn berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel uitgaande van een oppervlakte van de kweekruimte van 10,5 m2 .

4.3.3.

Overzicht bruto opbrengst

De rechtbank berekent met inachtneming van het voorgaande de bruto opbrengst als volgt:

Aantal planten 339

Opbrengst per plant 19 gram×

Opbrengst per oogst 6,441 kg

Aantal oogsten 1 ×

Totale opbrengst 6,441 kg

Prijs per kilo € 3.280,- ×

Totale bruto opbrengst € 21.126,48

4.4.

Kosten

4.4.1.

Afschrijvingskosten van de investeringen

In navolging van het BOOM-rapport wordt uitgegaan van een vast bedrag aan afschrijvingskosten voor het opzetten van een hennepkwekerij met de aangetroffen hoeveelheid hennepplanten van € per oogst.

Afschrijving per oogst € 250,-

Aantal oogsten 1 ×

Totale afschrijvingskosten € 250,-

4.4.2.

Variabele kosten

Als direct gerelateerd aan een oogst worden de kosten van stekken, kweekmedium, waterverbruik en voedingsstoffen als variabele aftrekposten gezien. Bij het berekenen van deze kosten wordt uitgegaan van de in het BOOM-rapport genoemde normbedragen van € 2,85 per stek per oogst en € 3,33 aan overige variabele kosten per plant per oogst (samen € 6,18 per plant per oogst).

Aantal planten 339

kosten per plant € 6,18 ×

Plantkosten per oogst € 2.095,02

Aantal oogsten 1 ×

Totale variabele kosten € 2.095,02

4.4.3.

Elektriciteitskosten

Uitsluitend de kosten voor elektriciteit (voor zover die elektriciteit is verbruikt ten behoeve van de hennepkwekerij) kunnen, indien deze zijn betaald, voor aftrek op het wederrechtelijk verkregen voordeel in aanmerking komen.

Aannemelijk is geworden dat de veroordeelde ten behoeve van de hennepkwekerij kosten heeft gemaakt voor elektriciteit tot een bedrag van € 2.624,32.

4.4.4.

Conclusie

De rechtbank gaat uit van de volgende kostenposten:

Afschrijvingskosten investering € 250,-

Variabele kosten € 2.095,02

Elektriciteitskosten € 2.624,32

Totale kosten € 4.969,34

Dit bedrag zal op het wederrechtelijk verkregen voordeel in mindering worden gebracht.

4.5.

Toerekening van het voordeel aan de veroordeelde en zijn mededader

Gebleken is dat de veroordeelde door middel van en uit de baten van de hiervoor vermelde strafbare feiten wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. Dit voordeel dient de veroordeelde te worden ontnomen.

Uit het dossier komen aanwijzingen naar voren dat de veroordeelde samen met een ander van de strafbare feiten heeft geprofiteerd. Aan het dossier en het onderzoek op de terechtzitting valt echter geen indicatie te ontlenen voor de verdeling van de opbrengst. Daarom zal het totale wederrechtelijk verkregen voordeel voor de helft aan de veroordeelde worden toegerekend.

4.6.

Netto opbrengst

Gezien het voorgaande, bedraagt het totale wederrechtelijk verkregen voordeel:

Totale bruto opbrengst € 21.126,48,

Totale kosten 4.969,34, -/-

Totaal € 16.157,14,

Van dit bedrag wordt een deel aan de veroordeelde toegerekend:

Totale netto opbrengst € 16.157,14,

Toe te rekenen aan de veroordeelde 50 % ×

Wederrechtelijk verkregen voordeel € 8.078,57

5. Vaststelling van de betalingsverplichting

5.1.

Verweer overschrijding van de redelijke termijn

De verdediging heeft bepleit dat er sprake is van overschrijding van de redelijke termijn. De officier van justitie acht het wegens schending van de redelijke termijn (eveneens) redelijk dat er tien procent in mindering wordt gebracht op het door de veroordeelde aan de staat te betalen bedrag.

5.1.1.

Beoordeling

Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 17 juni 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BD2578, r.o. 3.12.2) is de rechtbank van oordeel dat de redelijke termijn is aangevangen op 18 augustus 2016 toen aan de veroordeelde de vordering tot ontneming in persoon is uitgereikt. De rechtbank doet ruim 4 jaar na aanvang van genoemde datum uitspraak inzake de ontnemingsvordering.

Daarmee is sprake van overschrijding van de redelijke termijn met ruim twee jaar. Dit betekent dat de rechtbank, evenals de officier van justitie, redenen aanwezig acht om de betalingsverplichting te verminderen met tien procent wat neerkomt op een bedrag van € 807,86.

5.2.

Conclusie

Het bovenstaande brengt mee dat de rechtbank aan de veroordeelde de verplichting zal opleggen om een bedrag van € 7.270,71 aan de staat te betalen ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

6. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Deze beslissing is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

7. Bijlage

De in dit vonnis genoemde bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

8. Beslissing

De rechtbank:

- stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt

geschat, vast op € 8.078,57 (zegge: achtduizend achtenzeventig euro en zevenenvijftig cent);

- legt aan de veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de staat van € 7.270,71 (zegge: zevenduizend tweehonderdzeventig euro en eenenzeventig cent).

- bepaalt de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van
Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd op 71 dagen.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J.L.M. Boek, voorzitter,

en mrs. D.C.J. Peeck en M. Timmerman, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. J.S. Beukema, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 17 september 2020.

1 Het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel van politie, nummer PL1700-2015267114-8, van politie Eenheid Rotterdam