Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:8993

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
17-09-2020
Datum publicatie
08-10-2020
Zaaknummer
10/042449-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Hennepkwekerij uit 2015, 100 uur taakstraf

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummer: 10/042449-16

Datum uitspraak: 17 september 2020

Tegenspraak (gemachtigd raadsman)

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres verdachte] , [woonplaats verdachte] ,

gemachtigd raadsman mr. R. Haze, advocaat te Rotterdam.

1. Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 17 september 2020.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3. Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. J.M. Bonnes heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het onder 1 t/m 5 ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 150 uur met aftrek van voorarrest, met toepassing van 75 dagen vervangende hechtenis in het geval de verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht.

4. Waardering van het bewijs

4.1.

Bewijswaardering

Ten aanzien van de bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Op basis van de wettige bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 t/m 5 ten laste gelegde feiten heeft begaan.

4.2.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank een opgave gedaan van wettige bewijsmiddelen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Met deze opgave wordt volstaan, nu de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend en geen verweer is gevoerd dat strekt tot vrijspraak. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 t/m 5 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1.

hij in de periode van 23 februari 2015 tot en met 19 juli 2015 te

Spijkenisse, gemeente Nissewaard, tezamen en in vereniging met eenander

opzettelijk heeft geteeld een groot aantal hennepplanten

zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II,

2

hij op 20 juli 2015 te Spijkenisse, gemeente Nissewaard

tezamen en in vereniging met een ander,

opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 339 hennepplanten, zijnde hennep

een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, ;

3

hij in de periode van 23 februari 2015 tot en met 20 juli 2015 te Spijkenisse, gemeente Nissewaard, tezamen en in vereniging met eenander

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een

hoeveelheid stroom/elektriciteit, toebehorende aan Eneco, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

4

hij in de periode van 23 februari 2015 tot en met 20 juli 2015 te

Spijkenisse, gemeente Nissewaard, tezamen en in vereniging met eenander met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een

hoeveelheid water, toebehorende aan Evides, ;

5

hij op 20 juli 2015 te Spijkenisse, gemeente Nissewaard opzettelijk aanwezig heeft gehad

ongeveer 0,3 gram, cocaïne enongeveer 3,3 gram, in elk geval een hoeveelheid

van een materiaal bevattende MDMA, zijnde cocaïne en MDMA

(telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I,

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5. Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

1. medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod

2. medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod

3. diefstal door twee of meer verenigde personen

4. diefstal door twee of meer verenigde personen

5. opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

6. Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering straf

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich samen met een onbekend gebleven derde gedurende enige tijd schuldig gemaakt aan het opzettelijk telen van hennepplanten in zijn woning. De verdachte heeft zich daarbij tevens samen met zijn vriendin schuldig gemaakt aan het opzettelijk aanwezig hebben van 339 hennepplanten. Hennepteelt levert een softdrug op die bij langdurig gebruik kan leiden tot schade voor de gezondheid van gebruikers. De illegale hennepteelt is echter niet alleen uit het oogpunt van de volksgezondheid maatschappelijk onaanvaardbaar, maar ook omdat met de handel in hennep buiten de reguliere en legale economie om grote winsten worden gemaakt. Het gevolg is dat er allerlei andere vormen van criminaliteit mee samenhangen. Bovendien is het een feit van algemene bekendheid dat het houden van een illegale hennepkwekerij, waarbij sprake is van een niet-professioneel aangelegde elektrische installatie, (brand)gevaar kan opleveren. Daarnaast heeft de verdachte zich samen met die onbekende derde schuldig gemaakt aan diefstal van elektriciteit en water ten behoeve van de hennepplantage. Zij hebben op illegale wijze stroom en water afgetapt zonder dat dit werd geregistreerd, waardoor het energie- en het waterbedrijf schade hebben opgelopen.

Tenslotte heeft de verdachte een kleine hoeveelheid cocaïne en MDMA aanwezig gehad. Harddrugs vormen in het algemeen een gevaar voor de volksgezondheid en het gebruik ervan is ook bezwarend voor de samenleving, onder andere vanwege de ermee gepaard gaande (ernstige) vormen van criminaliteit. Het bezit van harddrugs dient dan ook te worden bestreden.

De rechtbank rekent de verdachte dit alles aan.

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 2 juli 2020, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen zal de rechtbank een taakstraf van na te noemen duur opleggen.

Redelijke termijn

Bij de berechting van een zaak, waarbij geen sprake is van bijzondere omstandigheden heeft als uitgangspunt te gelden dat de behandeling van de zaak op de terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar na aanvang van de redelijke termijn. De redelijke termijn vangt aan op het moment dat een verdachte in redelijkheid de verwachting kan hebben dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. De inverzekeringstelling van een verdachte kan als een zodanige handeling worden aangemerkt. De verdachte is in de onderhavige zaak op 20 juli 2015 in verzekering gesteld. Op deze datum is de redelijke termijn derhalve aangevangen.

Naar het oordeel van de rechtbank is er in deze zaak geen sprake van bijzondere omstandigheden.

Tussen 20 juli 2015 en de datum van het eindvonnis ligt een periode van ruim vijf jaar. Nu in deze zaak, zoals hiervoor is overwogen, wordt uitgegaan van een redelijke termijn van twee jaar, is er in de onderhavige zaak sprake van een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) van 3 jaar. Nu deze overschrijding niet is toe te rekenen aan de verdachte, dient dit gecompenseerd te worden door vermindering van de op te leggen straf. Om die reden acht de rechtbank het passend en geboden om een taakstraf voor de duur van 100 uur op te leggen.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 22c, 22d, 47, 57 en 311 van het Wetboek van Strafrecht, en de artikelen 2, 3, 10 en 11 van de Opiumwet.

9. Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

10. Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 t/m 5 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 100 (honderd) uren, waarbij de Reclassering Nederland dient te bepalen uit welke werkzaamheden de taakstraf dient te bestaan;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering wordt gebracht volgens de maatstaf van twee uren per dag, zodat na deze aftrek 94 (vierennegentig) uren te verrichten taakstraf resteert;

beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 47 dagen.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J.L.M. Boek, voorzitter,

en mrs. D.C.J. Peeck en M. Timmerman, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. J.S. Beukema, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 17 september 2020.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1

zij in of omstreeks de periode van 23 februari 2015 tot en met 19 juli 2015 te

Spijkenisse, gemeente Nissewaard

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt,

een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk

geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende

hennep,

zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II,

dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;

2

hij op of omstreeks 20 juli 2015 te Spijkenisse, gemeente Nissewaard

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 339 hennepplanten, in elk geval

een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep

een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel

aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

3

hij in of omstreeks in of omstreeks de periode van 23 februari 2015 tot en

met 20 juli 2015 te Spijkenisse, gemeente Nissewaard

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een

hoeveelheid stroom/elektriciteit, in elk geval enig goed,

geheel of ten dele toebehorende aan Eneco, in elk

geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn

mededaders;

4

hij in of omstreeks de periode van 23 februari 2015 tot en met 20 juli 2015 te

Spijkenisse, gemeente Nissewaard

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een

hoeveelheid water, in elk geval enig goed,

geheel of ten dele toebehorende aan Evides, in elk

geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn

mededaders;

5

hij op of omstreeks 20 juli 2015 te Spijkenisse, gemeente Nissewaard

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

opzettelijk aanwezig heeft gehad

ongeveer 0,3 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal

bevattende cocaïne en/of ongeveer 3,3 gram, in elk geval een hoeveelheid

van een materiaal bevattende MDMA,

zijnde cocaïne en/of MDMA

(telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I,

dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;