Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:8905

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
08-10-2020
Datum publicatie
08-10-2020
Zaaknummer
10/960122-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor medeplegen van voorbereiden van een grote terroristische aanslag in Nederland. Daartoe heeft de verdachte deelgenomen aan een terroristische organisatie en heeft hij training gevolgd.

Verweer nietigheid dagvaarding verworpen. De onderhavige tenlastelegging betreft - door het gebruik van de woorden ‘het/de misdrijf/misdrijven’ en de woorden ‘en/of’ tussen de verschillende misdrijven - een zogenoemde cumulatieve/alternatieve tenlastelegging, waarbij de rechtbank geen keuze hoeft te maken tussen één van de cumulatief/alternatief tenlastegelegde misdrijven.

Verweren niet-ontvankelijkheid openbaar ministerie verworpen.

Er zijn sterke aanwijzingen dat er een verband is tussen de inzet van (niet politiële) infiltranten en de AIVD. Bij gebreke aan nadere transparantie zal de rechtbank er van uitgaan dat de desbetreffende persoon of personen die met de verdachte contact heeft/hebben gehad gerelateerd zijn aan de AIVD. Deze infiltranten zijn contact met de verdachte blijven onderhouden. Het gegeven dat de infiltranten in hun e-mails de verdachte lijken te steunen bij de uitvoering van zijn plannen, religieuze opvattingen met hem uitwisselen, bij hem erop aandringen nieuwe e-mailadressen aan te maken en contact op te nemen en te onderhouden met ‘hun broeder (de politie-infiltrant)’ maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat er sprake is van uitlokking. Zij hebben er echter wel aan bijgedragen dat de verdachte met de politie-infiltrant in contact is gekomen en gebleven en zij lijken hem te hebben beïnvloed bij het vasthouden aan een bepaald doelwit voor een aanslag, ook op momenten dat de verdachte leek af te dwalen of meer tijd nodig leek te hebben. Dit handelen van de AIVD is een vorm van niet-toegestane beïnvloeding, hetgeen ten gunste van de verdachte tot een beperkte strafmindering leidt.

De verdachte is door de politie-infiltrant niet tot handelingen gebracht waarop zijn opzet niet al tevoren was gericht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Parketnummer: 10/960122-18

Datum uitspraak: 8 oktober 2020

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] (Irak) op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres verdachte] , [woonplaats verdachte] ,

preventief gedetineerd in de penitentiaire inrichting Vught, locatie NieuwVosseveld, Bijzondere Afdeling,

raadsman mr. S. Weening, advocaat te Maastricht.

Ter bevordering van de leesbaarheid van het vonnis is hieronder een lijst van (veel) gebruikte afkortingen opgenomen.

AIVD Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst

CTIVD Commissie van toezicht op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten

EVRM Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden

EHRM Europees Hof voor de Rechten van de Mens

LOvJ Landelijk officier van justitie terrorismebestrijding, inlichtingen- en veiligheidsdiensten en Werken onder Dekmantel

OVC Opname vertrouwelijke communicatie

Sr Wetboek van Strafrecht

Sv Wetboek van Strafvordering

Wiv Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017

1. Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzittingen van 10 januari 2019, 3 april 2019, 22 mei 2019, 19 en 22 augustus 2019, 7 november 2019, 3 en 6 februari 2020, 6 en 14 april 2020,

10, 12, 17, 19, 23, 24 en 25 juni 2020, 3 en 7 juli 2020, 24 en 26 augustus 2020 en 8 oktober 2020.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de vordering nadere omschrijving tenlastelegging, waarbij de oorspronkelijke opgave van de feiten als bedoeld in artikel 261, derde lid, Sv op vordering van de officier van justitie mr. Van Veghel ter terechtzitting van 10 juni 2020 is gewijzigd. De tekst van de nader omschreven tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De verdachte wordt - kort samengevat - het volgende verweten:

  • -

    het medeplegen van voorbereiding tot moord en/of opzettelijke brandstichting en/of een ontploffing teweegbrengen (alle) met een terroristisch oogmerk (feit 1 primair);

  • -

    het medeplegen van de voorbereiding van een terroristisch misdrijf (feit 1 subsidiair);

  • -

    het medeplegen van deelname aan een organisatie met terroristisch oogmerk (feit 2);

  • -

    het medeplegen van het volgen en ondergaan van een training met het oog op het plegen van een terroristisch misdrijf (feit 3).

3. Aanleiding onderzoek

Op 26 april 2018 werd een ambtsbericht van de AIVD ontvangen. In dit ambtsbericht werd melding gemaakt van het feit dat de verdachte voorbereidingen trof om met een groep personen veel slachtoffers te maken door een terroristische aanslag te plegen op een groot evenement in Nederland. Hij was op zoek naar aanslagmiddelen voor meerdere personen en iemand die hierin kon faciliteren. Direct na ontvangst van dit ambtsbericht werd een groot opsporingsonderzoek, genaamd 26Orem, gestart.

4. Eis officieren van justitie

De officieren van justitie mrs. A.M.F. van Veghel en G. van Roermund hebben gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien jaar met aftrek van voorarrest met oplegging van een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel, als bedoeld in artikel 38z Sr.

5. Geldigheid dagvaarding ten aanzien van feit 1

Standpunt verdediging

Primair is aangevoerd dat de dagvaarding ten aanzien van feit 1 (in alle varianten) nietig is, omdat het openbaar ministerie voorbereiding van meerdere misdrijven ten laste heeft gelegd en dat is volgens de Hoge Raad in zijn arrest van 5 april 2011, NJ 2011/316, niet mogelijk.

Subsidiair is betoogd dat de beoogde misdrijven uitsluitend alternatief kunnen worden gelezen, zodat de rechtbank moet kiezen tussen moord, te begaan met een terroristisch oogmerk óf opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweegbrengen als misdrijf waarop de voorbereiding zag.

Beoordeling

Het onder feit 1 ten laste gelegde luidt (in alle varianten) - voor zover relevant - als volgt:

“(…)

ter voorbereiding van het/de misdrijf/misdrijven waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten:

- moord (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 289 juncto 83 van het Wetboek van Strafrecht), en/of

- het opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en/of levensgevaar voor een ander te duchten is, zoals bedoeld in artikel 157 sub 1en 2 van het Wetboek van Strafrecht, (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 176a van het Wetboek van Strafrecht),

opzettelijk een of meer Kalasjnikov(s), althans een of meer automatisch(e) (vuur)wapen(s) en/of een of meer (hand)vuurwapen(s) en/of grondstoffen voor een of meer (auto)bom(men) en/of grondstoffen voor explosieven voor in een of meer bomvest(en), te weten: kunstmest en/of zoutzuur en/of waterstofperoxide en/of aceton, bestemd tot het begaan van dat/die misdrijf/misdrijven, heeft verworven, vervaardigd, ingevoerd, doorgevoerd, uitgevoerd en/of voorhanden heeft gehad;

(…).”

Voorop wordt gesteld dat een op artikel 46 Sr toegesneden tenlastelegging duidelijk moet maken op welk hoofdfeit de voorbereidingshandelingen waren gericht. Niet alle wettelijke bestanddelen van dat hoofdfeit behoeven in de tenlastelegging te worden opgesomd, mits maar voldoende duidelijk is op welk hoofdfeit de voorbereidingshandelingen waren gericht.1

In geval van bewezenverklaring dient in de kwalificatie tot uitdrukking te worden gebracht op welk hoofdfeit de voorbereiding betrekking heeft.2

Voorts geldt dat indien het openbaar ministerie de voorbereiding van meerdere hoofdfeiten wil ten laste leggen, in de tenlastelegging duidelijk tot uitdrukking moet worden gebracht dat het om evenzovele voorbereidingen gaat. In geval van bewezenverklaring leidt dat vervolgens tot een daarmee overeenstemmende, meervoudige kwalificatie en toepassing van de samenloopregels van artikel 55 e.v. Sr.

In het door de verdediging genoemde arrest van de Hoge Raad was - blijkens het gebruik van de woorden ‘het misdrijf’ - de (enkelvoudige) voorbereiding van één misdrijf tenlastegelegd, terwijl het hof in de bewezenverklaring (ten onrechte) de voorbereiding van een drietal misdrijven had opgenomen. Anders dan dit arrest, betreft de onderhavige tenlastelegging door het gebruik van de woorden ‘het/de misdrijf/misdrijven’ en de woorden ‘en/of’ tussen de verschillende misdrijven, een zogenoemde cumulatieve/alternatieve tenlastelegging, waarbij de rechtbank geen keuze hoeft te maken tussen één van de cumulatief/alternatief tenlastegelegde misdrijven.

Ook voor het overige voldoet de tenlastelegging ten aanzien van feit 1 (in alle varianten) aan de vereisten van artikel 261, eerste lid, Sv, aangezien het tenlastegelegde - gelet op de inhoud van het complete dossier - voor de verdachte duidelijk en begrijpelijk moet zijn geweest, niet innerlijk tegenstrijdig en voldoende feitelijk is. De verdachte heeft zich op basis van de tenlastelegging dus goed kunnen verdedigen.

Conclusie

De dagvaarding is geldig. Het verweer van de verdediging wordt dus in al zijn onderdelen verworpen.

Overigens - doch dit ten overvloede - is de rechtbank van oordeel dat het door de verdediging gevoerde verweer eerder een kwalificatieverweer dan een nietigheidsverweer betreft.

6. Ontvankelijkheid officieren van justitie

Standpunt verdediging

De verdediging heeft, verkort en zakelijk weergegeven, betoogd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in het recht tot strafvervolging. Het verweer valt uiteen in verschillende onderdelen, te weten:

I) de uitlokking van de verdachte [naam verdachte] door agenten van de AIVD

De verdediging stelt zich op het standpunt dat [naam verdachte] is uitgelokt door [naam 1] en [naam 2] - zijnde door de AIVD ingezette agenten - tot het begaan van de ten laste gelegde feiten. Deze uitlokking zou hebben plaatsgevonden in de jaren voorafgaand aan het opsporingsonderzoek in deze zaak. Ter onderbouwing van dit uitlokkingsverweer is verwezen naar: de verklaringen van [naam verdachte] , de gesprekken die [naam verdachte] met de politie-infiltrant [naam infiltrant] heeft gevoerd en de e-mailberichten die zijn gewisseld tussen [naam verdachte] enerzijds en [naam 1] en [naam 2] anderzijds. [naam verdachte] was al uitgelokt op het moment dat deze e-mailberichten werden uitgewisseld, maar deze berichten zijn wel relevant voor de beoordeling van het uitlokkingsverweer, omdat hieruit blijkt op welke wijze [naam 1] en [naam 2] communiceerden met [naam verdachte] .

Aan deze gestelde uitlokking heeft de verdediging onderzoekswensen verbonden.

II) de uitlokking van de verdachte [naam verdachte] door de politie-infiltrant [naam infiltrant]

De verdediging is van mening dat ook het door de politie ingezette infiltratietraject in strijd was met het instigatieverbod, aangezien de politie-infiltrant [naam infiltrant] een allesbeslissende en regisserende rol heeft gehad bij de voorbereiding van de ten laste gelegde feiten. Het was niet [naam verdachte] die een plan had om uit te voeren. Het was [naam infiltrant] die hem bij de hand nam en instrueerde om te doen wat hij had bedacht.

III) misbruik van bevoegdheden / détournement de pouvoir door de AIVD

Volgens de verdediging is sprake van misbruik van bevoegdheden door de AIVD. De inlichtingendienst heeft haar bevoegdheden ingezet ten behoeve van strafvorderlijke doeleinden, waarbij belangrijke strafvorderlijke waarborgen opzij werden gezet. De AIVD-agenten hebben genoemde politie-infiltrant met [naam verdachte] in contact gebracht en zij hebben [naam verdachte] mogelijk geprepareerd waardoor binnen het opsporingsonderzoek conform de regels een succesvol infiltratietraject kon worden opgezet. Omdat de AIVD informatie buiten het strafdossier bleef, heeft dit alles eraan bijgedragen dat het bijna onmogelijk werd gemaakt om te beoordelen of de infiltratie voldeed aan de door het uitlokkingsverbod gestelde criteria.

Ook het in stand houden van deze situatie door het openbaar ministerie dient met niet-ontvankelijkheid te worden gesanctioneerd.

Beoordeling

- Tallon-criterium of instigatieverbod (artikel 6 EVRM )

Op grond van het zogeheten Tallon-criterium (het verbod tot uitlokking / instigatieverbod) mag een verdachte niet tot andere strafbare feiten worden gebracht dan waarop diens opzet reeds tevoren was gericht.3 Schending van dit instigatieverbod levert volgens de Hoge Raad en het EHRM strijd met het recht van de verdachte op een eerlijk proces en daarmee een schending van artikel 6 EVRM op.

- Verklaringen [naam verdachte] / informatie in dossier / overgelegde e-mails

Ter beoordeling van de gevoerde verweren en de gedane onderzoekswensen is de rechtbank nagegaan wat [naam verdachte] heeft verklaard over de gestelde uitlokking en in hoeverre deze verklaringen steun vinden in het dossier. Voorts heeft de rechtbank gekeken naar de informatie in de e-mails die door de verdediging zijn overgelegd.4

In augustus 2019 heeft [naam verdachte] bij de politie en ter terechtzitting5 verklaard dat hij is uitgelokt door [naam 1] en dat er Facebookgesprekken en gesprekken op zijn IPhone 7 zijn waarmee hij kan aantonen dat hij is uitgelokt.

Op 8 januari 2020 heeft [naam verdachte] bij de politie verklaard dat hij in 2015/2016 op Facebook met iemand in contact is gekomen die zich [naam 3] noemde. Over de contacten met [naam 3] verklaart [naam verdachte] :

“Ik vertelde wat er in 2014 was gebeurd, dit betreft die andere strafzaak en de nasleep ervan. Ik vertelde dit uit verdriet en frustratie. Ik was mijn baan kwijt, mijn auto. [naam 3] luisterde aandachtig naar mijn verhaal en toonde begrip. Hij vertelde dat hij voor mij klaar stond. Dat ging in elk gesprek zo. Ik was op dat moment heel kwetsbaar. Hij wist dat als geen ander. Ik was heel kwetsbaar en dat had ik hem verteld. Hij heeft hierop ingespeeld. [naam 3] keurde al mijn gevoelens goed. Hij vertelde dat het mooi was om je in te zetten voor de Ummah, de islamitische gemeenschap.” 6

Voorts verklaart [naam verdachte] dat hij een aantal maanden later op advies van de reclassering zijn Facebook had verwijderd waarna hij in 2016/2017 weer een Facebook account aanmaakte en [naam 4] contact met hem opnam, die hem vertelde dat hij [naam 3] was. Over deze gesprekken verklaart [naam verdachte] onder meer:

“Het gesprek ging verder waar we waren gebleven. Hij vertelde dat hij contact had met bepaalde groeperingen. Hij vroeg hoe ik over Islam dacht. Ik vertelde over dat ik humanitaire hulp wilde verlenen aan de Ummah. Hij vroeg me waarom ik me niet wilde inzetten Ummah. Hij deed zich voor als iemand die veel kennis had over Islam en iemand die veel contacten had met mensen met kennis. Hij vertelde me over de jihad, de gewapende strijd en vertelde mij dat dit goed was. Ik vond het concept van jihad ook goed maar dan in oorlogsfase, bijvoorbeeld in Syrië tegen Assad. Vervolgens heeft hij mij verteld dat zelfmoord plegen ook niet verkeerd was ten behoeve van de jihad. Hij vertelde dat ik hem kon vertrouwen. Hij vertelde mij dat ik ook hier jihad kon voeren en niet weg hoeven. Hij vertelde dat het hier in Nederland kon. In Nederland waren ook allemaal ongelovigen. Hij kwam ook met allemaal bewijzen van geleerden dat het goed is. (…)

Ik voelde dat ze me onder druk zetten, op een hele sluwe manier. Ik begrijp nu dat hij op zo’n manier heeft gepraat. Hij wilde mij dingen in mond leggen. Liet mij dingen zeggen. Op een gegeven moment vroeg ik dus om een wapen. Ik hoefde deze niet te kopen want hij kon deze geven. Vervolgens heeft [naam 3] me zijn echte naam verteld omdat hij mij vertrouwde en noemde zijn echte naam: [naam 1] . [naam 3] , [naam 4] en [naam 1] zijn dus dezelfde persoon.” 7

[naam 1] zou zich volgens [naam verdachte] hebben voorgedaan als iemand die veel kennis had over de Islam en veel contacten had met mensen met kennis en:

“Hij bracht me vervolgens in contact met [naam 2] . Hij was een soort mini leider met veel kennis vooral op gebied van gewelddadige jihad. [naam 1] plaatste telkens onder de naam van [naam 4] video’s op zijn Facebook over aanslagen en gewelddadige jihad. Ik kreeg ook via Telegram contact met [naam 1] via Telegram. [naam 1] vertelde mij dat ik alle contact moest wissen. Dus op Facebook, email en Telegram. [naam 1] was heel professioneel. Ze wisten precies dat ik zwak was, een post traumatische stress stoornis had. Daar hebben ze misbruik van gemaakt. Ik dacht dat ik een echte vriend had en ze hebben er misbruik van gemaakt. Ze hebben het zaadje in mijn hart gepland en de overtuiging in mijn hart gelegd. Zo was ik dus in contact met [naam 1] en [naam 2] , de wolven. (…) [naam 2] bleef contact met me zoeken. Vervolgens kwam ook [naam infiltrant] . Ze hebben [naam infiltrant] aan mij voorgesteld als een broeder met veel kennis. Met [naam infiltrant] had ik voor het eerst contact via de mail. Hij legde met mij contact, zoals ik gevraagd had aan [naam 1] en [naam 2] . Ze hebben mij via Telegram of email een bericht gestuurd dat er ‘light’ was. En daarna zag ik dat ik dus die email was van [naam infiltrant] . Ik stuurde een mail terug. Deze [naam infiltrant] was opdringerig. Hij wilde snel snel. Ik heb tijdens mijn contact met [naam infiltrant] contact gehouden met [naam 2] en [naam 1] . Ik heb ook de gesprekken met [naam infiltrant] gedeeld met [naam 2] en [naam 1] . Ze wilden vanwege de veiligheid apart met mij communiceren mocht er iemand opgepakt worden. 8

(…)

Ik wilde wel aangegeven dat ik niet verder wilde met dit hele verhaal. Ik wilde op de rem trappen en gaf aan dat ik meer tijd wilde. Maar zij zeiden dat er geen terugkeer meer mogelijk was en dat ik door moest gaan. (…) Ik voelde me onder druk gezet. Ik wachtte op een wonder zodat ik kon stoppen. Ik was ook opgelucht dat ik werd aangehouden door de politie. Ik was beïnvloed en besmet geraakt en veranderde mijn aqida, mijn geloofsleer.” 9

Bij zijn politieverhoor op 8 januari 2020 heeft [naam verdachte] gekeken in zijn IPhone 7 en verklaard geen gesprekken terug te kunnen vinden aangezien hij bijna alles heeft gewist. Vervolgens heeft hij verklaard te denken dat de informatie op zijn IPhone 5 staat, daar zou alle berichtgeving met [naam 1] en [naam 2] instaan.

Tot slot heeft [naam verdachte] ter terechtzitting van 17 juni 2020 desgevraagd verklaard:

“Ik ga heel kort mijn gesprekken met [naam 3] ophelderen. Ik heb heel veel gesprekken met [naam 3] gevoerd en op een gegeven moment waren dat geen gezonde gesprekken meer. De gesprekken gingen op een gegeven moment over het legitimeren van een aanslag in het Westen. [naam 3] heeft gezegd dat geweld legitiem is en toen is een zaadje in mij gepland van die afschuwelijke ideologie en daarom vroeg ik om een wapen. Ik heb mijn bewijs geleverd en het is verder aan de rechtbank om te onderzoeken of mijn verhaal waar is of niet. Maar één ding is zeker, het initiatief kwam van [naam 3] . Ik ben geen bedenker/drager van die afschuwelijke ideologie. Ik ben door [naam 3] besmet geraakt met die ideologie. De rechtbank heeft genoeg om te onderzoeken dat ik de waarheid spreek.”

Anders dan deze verklaring heeft [naam verdachte] gedurende de inhoudelijke behandeling van deze zaak in juni 2020 geen nadere toelichting willen geven of vragen willen beantwoorden over de gestelde uitlokking.

Uit het dossier blijkt dat de IPhone 5 van [naam verdachte] door de politie in beslag is genomen en de inhoud daarvan is onderzocht. Bij dit onderzoek, dat niet is gehinderd door het later zoekraken van die telefoon, is onder meer gekeken naar: foto's, video's, chatberichten en e-mailberichten. Uit dit onderzoek is niet gebleken van contacten met [naam 2] danwel [naam 1] .10

Voorts bevat het dossier informatie afkomstig van de FBI waaruit blijkt dat [naam verdachte] in de periode december 2017 – april 2018 via Facebook contact heeft gehad met iemand die gebruik maakt van het Facebookaccount “ [naam account 1] ” (hierna: [naam account 1] ) en dat [naam verdachte] hem in december 2017 om hulp vraagt voor de aanschaf van wapens.11 [naam verdachte] bericht aan [naam account 1] dat hij al lange tijd op zoek is naar iemand die hem kan helpen, maar dat hij niemand had kunnen vertrouwen. [naam account 1] geeft aan [naam verdachte] vervolgens het emailadres [emailadres] om veilig te kunnen communiceren.12 Verder blijkt uit de FBI informatie dat degene die gekoppeld wordt aan de Facebook account [naam account 1] ook gekoppeld kan worden aan Facebook accounts met de namen [naam account 2] en [naam account 3] .13

De namen [naam 1] en [naam 2] komen in het dossier diverse malen naar voren in de gesprekken die [naam verdachte] heeft gevoerd met politie-infiltrant [naam infiltrant] . Zo vertelt [naam verdachte] tijdens hun eerste ontmoeting op 5 juli 2018 over [naam 1] :

“Ja. Dus ik heb tegen ze gezegd: Vriend, de broeder over wie ik het heb, [naam 1] ... ik praat sinds 2015 met hem. Deze broeder is echt okay.” 14

“Omdat ik afhankelijk ben ..ntv.. broeder [naam 1] , wij hebben elkaar gesproken.” “Op een of andere manier voelde ik iets. Dus heb ik dit verteld” “Dus het heeft bijna een jaar geduurd. Toen heb ik deze email opgesteld, ik een veilige email, vriend. Help me om daar naar toe te kunnen of help me om mijn werk hier te doen” “Ik zei: geef me hier een baan of daar” “Dus hij zei tegen me: Als je hier een baan hebt is de beloning groter” “En, en, in ieder geval, ik heb een dua (oproep tot God, smeekbede) gedaan: geef me veel signalen” “Daarom heb ik sinds vorig jaar besloten: ok, dan werk ik hier. Dus was ik druk met broeders.” 15

en

“Toen [naam 1] tegen mij zei: ik kan het voor je doen, was dat dus het moment waarop alles begon te plannen.” 16

Bij de ontmoeting op 17 september 2018 met [naam infiltrant] vertelt [naam verdachte] :

“ [naam 1] . Hij wist dat ik ergens mee bezig was maar hij was ook heel voorzichtig omdat hij wist dat ik ook voorzichtig was. Als hij niet voorzichtig zou zijn dan zou ik afstand van hem nemen. Dus hij zei altijd, broeder, als je wat nodig hebt, ik ben je broeder en als je wat nodig hebt, dan kun je er altijd om vragen. Alleen dat, elke keer weer. Broeder, als je wat nodig hebt, dan kun je er altijd om vragen.” 17

Uit de door de verdediging overgelegde e-mails18 blijkt dat [naam verdachte] in de periode van 24 april 2018 tot en met 24 september 2018 door middel van e-mail contact heeft gehad met een persoon of personen mailend onder de namen [naam 2] en [naam 1] (hierna aangeduid als [naam 2] en [naam 1] ). Hierbij wordt onder andere gebruik gemaakt van het eerder genoemde e-mailadres [emailadres] dat [naam account 1] aan [naam verdachte] heeft verstrekt. Uit deze mailwisselingen komt onder meer het volgende naar voren.

[naam 2] mailt op 9 mei 2018 aan [naam verdachte] dat een betrouwbare broeder is benoemd om [naam verdachte] verder te begeleiden “in het next steps to the party”:

“(…) A trustworthy brother was appointed by our Ahibba to guide you and your Rifaq al-darb in the next steps to the party. The brother can reach out very soon bi idhni Allah. Because of this, I asked you (…), my dear brother, to create a new mail where he can reach you. Please let me know so we can go on in sha Allah. (…)

Op onder meer 28 mei 2018 wordt er bij [naam verdachte] op aangedrongen om een nieuw e-mailadres aan te maken. [naam verdachte] mailt diezelfde dag aan [naam 2] :

“(…) for us doest matter anymore where we party„ here in hollanf or somewhere ealse.. you decide whats easy for you guys for bringing real candy 19 „ if you guys are able to bring candy here, that not a problem for us„ first we were planing to join militaire parade„ later we want join gay parade in aug, but also thinking sometime to visit the french, help us akhi„ lets make a good plan and stay stick to it. (…)”

[naam 1] stuurt op 29 mei 2018 een e-mail aan [naam verdachte] :

“(…) As my dear brother [naam 2] (…) informed you. everything is going good and we have insha Allah to start the next important work.

A brother has been -according to customs- already appointed to serve you and help you further with (candy) bi Idhni Allah

He will insha Allah get in touch with you. that's why we have to stick to the plan (g p) in august which is actually a good cause according to our Shari brothers Jazahum Allah.

Akhi Al Habeeb. due to time restrictions and security considerations. I ask you Jazaka Allah to fix a Email address as soon as possible for the communication with the brother and send it very soon to akhi [naam 2]

Let us know if you need anything and keep us informed Jazaka Allah about the special message (…)”

Zowel [naam 1] als [naam 2] mailen diverse keren aan [naam verdachte] dat hij op hen kan rekenen en dat hij hen op de hoogte moet houden. In het mailcontact worden religieuze opvattingen en uitlatingen uitgewisseld en ook uitlatingen gedaan door [naam 1] / [naam 2] waaruit hun serieuze positie binnen IS zou kunnen blijken, zoals toegang tot de adviesraad binnen het Kalifaat.

In een e-mailbericht van [naam verdachte] d.d. 29 juni 2018 schrijft hij:

“akhi i wont give up, but i need now a little bit more time„ (…), but first i have to something, dont worry akhi, it wont take years„ my plan militair,, i know where they train.”

[naam 1] dringt er vervolgens op 2 juli 2018 bij [naam verdachte] op aan om een afspraak te maken met de broeder.

[naam verdachte] bericht [naam 1] op 7 juli 2018 dat hij een afspraak heeft gehad met broeder [naam infiltrant] en [naam 2] wijst [naam verdachte] in een e-mail van 16 juli 2018 erop dat het belangrijk is om in contact te blijven met hun broeder [naam infiltrant] :

“(…) Wallahi my dear brother, it makes me so happy to hear of your efforts. Our Ahibba send you their warm salaam. The matter is constantly in their minds and they are very happy with the good news. (…)

Jazak Allah for your work in talking to the other brothers and in sha Allah they will join in. Allah SwT guides whomever He decides. For now, Akhi al Habeeb I urge you bi idhni Allah to keep in contact with our brother [naam infiltrant] , who was specially appointed to guide you in this task, to carry on. This is also the point of view of our Ahibba. (…)”

Ook na zijn volgende ontmoetingen met [naam infiltrant] bericht [naam verdachte] hierover aan [naam 1] en [naam 2] .

Op 14 september 2018 vraagt [naam 1] aan [naam verdachte] hoe het gaat met de ‘message for afterwards’ en de speech die [naam verdachte] aan het voorbereiden was. De volgende dag laat [naam 2] weten dat hij bezig is met de “announcement (text) for after the party” en vraagt hij naar de bijnamen (kunya’s) van de anderen. Op 24 september 2018 sturen [naam 1] en [naam 2] hun ‘regular guidelines’ voor een ‘powerful message’ aan [naam verdachte] .

- Beslissing op onderzoekswensen

Uit het voorgaande volgt dat [naam verdachte] ’s verklaringen in zoverre worden ondersteund door informatie uit het dossier en de overgelegde e-mails dat blijkt dat [naam verdachte] via Facebook en e-mail contact heeft gehad met een persoon of personen onder de namen [naam account 1]20, [naam 1]21 en [naam 2] . In zijn verklaringen stelt [naam verdachte] te zijn uitgelokt, maar maakt hij niet concreet hoe dit dan is gebeurd. Van informatie op gegevensdragers waar [naam verdachte] naar verwijst is niet gebleken en in zijn eigen uitlatingen komt hij niet verder dan ‘dat hij zich onder druk gezet voelde’, ‘bij hem een zaadje is gepland’, ‘hij is gehersenspoeld’, en ‘besmet is geraakt met de ideologie’. Ook ter zitting heeft [naam verdachte] hier desgevraagd geen verdere toelichting op willen geven.

Niet is aangevoerd wat [naam 1] danwel [naam 2] concreet aan [naam verdachte] hebben medegedeeld en hoe hij (daardoor) is uitgelokt, terwijl een dergelijke concrete onderbouwing wel van de verdediging mag worden verwacht. De onderzoekswensen worden dan ook als onvoldoende gemotiveerd afgewezen.

Met betrekking tot de gevoerde ontvankelijkheidsverweren overweegt de rechtbank voorts als volgt.

- Het contact tussen [naam 1] / [naam 2] en [naam verdachte] voorafgaand aan de opsporingsfase

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat [naam 1] en [naam 2] agenten zijn die opereerden onder de verantwoordelijkheid van de AIVD.

De officieren van justitie hebben gesteld niet te kunnen ontkennen of bevestigen dat [naam 1] en [naam 2] voor de AIVD werkzaam zijn, omdat dit het opsporingsteam en de zaaksofficieren niet bekend is.

De rechtbank stelt vast dat uit de e-mailwisseling tussen [naam 1] / [naam 2] en [naam verdachte]22 en informatie in het dossier blijkt dat:

- [naam verdachte] op 4 juni 2018 een outlook mailadres doorgeeft aan [naam 1] en ditzelfde outlook mailadres op 6 juni 2018 door de AIVD door middel van een ambtsbericht wordt verstrekt.23

- [naam 2] op 8 juni 2018 aan [naam verdachte] bevestigt het nieuwe Hotmail mailadres van [naam verdachte] te hebben ontvangen en ditzelfde Hotmail mailadres diezelfde dag door de AIVD door middel van een ambtsbericht wordt verstrekt.24

  • -

    [naam 2] en [naam 1] in hun mails aan [naam verdachte] aangeven dat ‘een betrouwbare broeder’ is benoemd om hem te begeleiden die contact met hem zal opnemen en dat politie-infiltrant [naam infiltrant] op 11 juni 2018 in zijn eerste e-mailbericht aan [naam verdachte] (op voornoemde nieuwe Hotmail adres) schrijft dat hij benoemd is door de broeders om hem te helpen en dat hij denkt dat [naam verdachte] zijn e-mail verwachtte.

  • -

    [naam 2] in zijn e-mail van 16 juli 2018 aan [naam verdachte] schrijft:

“I urge you (…) to keep in contact with our brother [naam infiltrant] (cursief rechtbank), who was specially appointed to guide you in this task, to carry on”.

Uit het voorgaande maakt de rechtbank op dat er sterke aanwijzingen zijn dat er een verband is tussen [naam 1] / [naam 2] en de AIVD. Bij gebreke aan nadere transparantie zal de rechtbank er bij de verdere beoordeling in deze zaak dan ook van uitgaan dat de persoon of personen die met [naam verdachte] contact heeft / hebben gehad onder de namen [naam 1] en [naam 2] gerelateerd zijn aan de AIVD.

In 2006 is de Hoge Raad in de zaak Eik25 ingegaan op de mate van controle door de strafrechter op (thans) AIVD onderzoek en de toetsing van de bruikbaarheid in het strafproces van door de AIVD vergaard materiaal. In 2015 heeft de Hoge Raad26 onder verwijzing naar het voornoemde Eik-arrest onder meer overwogen:

“Een onderzoek door een inlichtingen- en veiligheidsdienst vindt plaats buiten de verantwoordelijkheid van de politie en het openbaar ministerie. De wetgever heeft de toetsing van de rechtmatigheid van het handelen van de AIVD toebedeeld aan de CTIVD. Dat daarmee de rechtmatigheidstoets aan de strafrechter onttrokken is en art. 359a Sv niet van toepassing is, neemt niet weg dat in een strafprocedure waarin van een inlichtingen- en veiligheidsdienst afkomstig materiaal voor het bewijs wordt gebruikt, moet zijn voldaan aan de eisen van een eerlijk proces. De strafrechter moet toetsen of dat het geval is. Onder omstandigheden mogen de resultaten van het door een inlichtingen- en veiligheidsdienst ingesteld onderzoek niet tot het bewijs worden gebezigd, bijvoorbeeld indien het optreden van de betrokken dienst een schending van de aan een verdachte toekomende fundamentele rechten heeft opgeleverd die van dien aard is dat daardoor geen sprake meer is van fair trial als bedoeld in art. 6 EVRM.”

Het hof had voorafgaand aan de uitspraak van de Hoge Raad in zaak Eik reeds overwogen:

“(…) dat voor een toets op de rechtmatigheid van de verkrijging van de door de AIVD aan justitie verstrekte informatie slechts in zeer beperkte mate sprake kan zijn. Deze zal namelijk beperkt dienen te blijven tot de gevallen waarin sterke aanwijzingen bestaan dat sprake is van informatie die verkregen is met (grove) schending van fundamentele rechten. In zoverre dient naar 's hofs oordeel ook in de relatie tussen (thans) AIVD en justitie een vertrouwensbeginsel te gelden zoals dat geldt in het uitleveringsrecht en bij de verdragsrechtelijke rechtshulp in strafzaken, erop neerkomend dat de justitiële autoriteiten mogen uitgaan van in ieder geval de rechtmatige verkrijging van de door de BVD/AIVD verstrekte informatie.

Het hof wijst er daarbij op dat het Europese hof voor de rechten van de mens zich op het standpunt heeft gesteld dat juist bij (verdenking van) terroristische misdrijven het belang van afscherming van vertrouwelijke bronnen grenzen stelt aan de informatieverstrekking aan verdachte en rechter (vgl. EHRM 16 oktober 2001, O'Hara vs Verenigd Koninkrijk, § 35).” 27

De taken en bevoegdheden van de AIVD zijn neergelegd in de Wiv.28 Met de vervanging van de Wiv 2002 door de Wiv 2017 heeft de wetgever onder meer beoogd een goede balans te waarborgen tussen de nieuwe (gemoderniseerde) en bestaande bevoegdheden van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten (i.c. AIVD en MIVD) aan de ene kant en de grondrechtelijke waarborgen bij de uitoefening daarvan aan de andere kant. De Wiv 2017 heeft de waarborgen en het toezicht op de diensten daarom ook aanzienlijk versterkt.29 Geheel in lijn met de Europese jurisprudentie is het stelsel van rechtsbescherming in de Wiv 2017 aanmerkelijk verbeterd met toezicht tijdens en achteraf van de onafhankelijke Commissie van Toezicht op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (hierna: CTIVD), en de mogelijkheid een klacht in te dienen bij de CTIVD die in dat geval bindend oordeel geeft.30 In algemene zin heeft de wetgever opgemerkt dat de diensten hun wettelijke taken uitsluitend binnen een zekere mate van geheimhouding effectief kunnen uitvoeren, waarbij een drietal criteria een rol spelen. Bronnen, werkwijzen (modus operandi) en actueel kennisniveau dienen geheim te kunnen worden gehouden.31

Uit de hiervoor omschreven jurisprudentie en wetgeving volgt dat in beginsel het werk van de AIVD een openbare toetsing niet verdraagt, tenzij er sterke aanwijzingen zijn dat de AIVD bij haar werkzaamheden op zodanige wijze heeft geopereerd dat sprake is van (grove) schending van fundamentele rechten. Dergelijke sterke aanwijzingen voorafgaand aan de opsporingsfase zijn door de verdediging niet concreet gemaakt en daarvan is de rechtbank niet gebleken.

Het voorgaande brengt mee dat niet kan worden vastgesteld of [naam 1] en [naam 2] uitlokking kan worden verweten voorafgaande aan de opsporingsfase.

- Het contact tussen [naam 1] / [naam 2] en [naam verdachte] tijdens de opsporingsfase

Op 25 april 2018 heeft de AIVD onderstaand ambtsbericht verstrekt:

“ [naam verdachte] (…) heeft de intentie om met een groep personen een jihadistisch gemotiveerde aanslag te plegen en treft hiervoor voorbereidingen. De beoogde aanslag is gericht op een groot evenement in Nederland en heeft als doel het maken van veel slachtoffers.

[naam verdachte] is op zoek naar aanslagmiddelen voor meerdere personen en iemand die hierin kan faciliteren.”

Naar aanleiding van dit ambtsbericht is op 26 april 2018 het opsporingsonderzoek in onderhavige zaak gestart. De politie-infiltrant [naam infiltrant] heeft [naam verdachte] op 11 juni 2018 voor de eerste maal door middel van e-mail benaderd en na het uitwisselen van verschillende e-mailberichten tussen hen vond de eerste fysieke ontmoeting tussen [naam infiltrant] en [naam verdachte] plaats op 5 juli 2018.

Ook na aanvang van het opsporingsonderzoek en de start van het politiële infiltratietraject hebben [naam 1] en [naam 2] contact met [naam verdachte] onderhouden door hem regelmatig door middel van e-mail te benaderen tot een paar dagen voor zijn aanhouding.32

De rechtbank stelt voorop dat geen rechtsregel zich ertegen verzet dat - zoals in de onderhavige zaak - zowel de inlichtingen- en veiligheidsdienst als het openbaar ministerie elk voor zich en daardoor mogelijk parallel onderzoek doet naar bepaalde personen of groeperingen, indien daartoe vanuit de vervulling van hun taak aanleiding bestaat. Indien de AIVD op informatie stuit die tevens van belang kan zijn voor de opsporing en vervolging van strafbare feiten dan wordt het openbaar ministerie daarvan, in de persoon van de LOvJ - uit eigen beweging of desgevraagd - door middel van een ambtsbericht op de hoogte gesteld. De LOvJ - die de schakel is tussen de AIVD en de opsporingsdiensten - beoordeelt of er een gerede kans bestaat dat de informatie uit het ambtsbericht gebruikt kan worden en heeft daarbij inzage in relevante gegevens die voor de beoordeling van de juistheid van de in het ambtsbericht vervatte gegevens noodzakelijk zijn. Na toetsing geleidt de LOvJ de informatie door naar de betrokken met vervolging belaste autoriteit.33

Het met het oog op het buiten toepassing laten van strafvorderlijke waarborgen doelbewust niet aanwenden van opsporingsbevoegdheden teneinde gebruik te kunnen maken van door een inlichtingen- en veiligheidsdienst vergaarde informatie, evenals het door een inlichtingen- en veiligheidsdienst aanwenden van zijn bevoegdheden voor strafvorderlijke doeleinden, is in strijd met de wet.34

Het gegeven dat [naam 1] en [naam 2] in hun e-mails [naam verdachte] lijken te steunen bij de uitvoering van zijn plannen, religieuze opvattingen met hem uitwisselen, bij hem erop aandringen nieuwe e-mailadressen aan te maken en contact op te nemen en te onderhouden met ‘hun broeder [naam infiltrant] ’ maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat er sprake is van uitlokking. Het is AIVD medewerkers immers niet verboden om een persoon aan te sporen tot bepaalde handelingen, mits [naam verdachte] daarmee niet werd aangezet tot het begaan van strafbare feiten waarop zijn opzet niet reeds was gericht. Van dat laatste is niet gebleken.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat van uitlokking door [naam 1] en [naam 2] na aanvang van het opsporingsonderzoek niet is gebleken.

Door middel van hun e-mail contacten hebben [naam 1] en [naam infiltrant] er wel actief aan bijgedragen dat [naam verdachte] met politie-infiltrant [naam infiltrant] in contact is gekomen en gebleven en lijken zij hem te hebben beïnvloed bij het vasthouden aan een bepaald doelwit voor een aanslag, ook op momenten dat [naam verdachte] leek af te dwalen of meer tijd nodig leek te hebben. Op deze wijze hebben zij concrete bemoeienis gehad met [naam verdachte] en zich - zij het vanaf de zijlijn - bemoeid met het politiële infiltratietraject gedurende het opsporingsonderzoek. Terwijl het politiële infiltratietraject controleerbaar is volgens wettelijke regels en maatstaven was die, gelijktijdige, bemoeiing door de AIVD met diezelfde opsporing/infiltratie dit niet. Een dergelijke vorm van niet controleerbare en niet transparante bemoeienis brengt naar het oordeel van de rechtbank het waarborgen van een eerlijk proces in gevaar. De rechtbank is dan ook van oordeel dat dit handelen van de AIVD35 een vorm van niet-toegestane beïnvloeding betreft.

Voordat kan worden overwogen of - en zo ja welke - consequenties dit heeft, dient eerst te worden vastgesteld of [naam verdachte] door politie-infiltrant [naam infiltrant] is uitgelokt.

Uitlokking van [naam verdachte] door politie-infiltrant [naam infiltrant] ?

- Juridisch kader

Bij de toets of sprake is geweest van uitlokking wijzen de Hoge Raad36 en het EHRM37 op een aantal relevante criteria. De toetsing aan het in artikel 6 EVRM besloten liggende verbod van ‘police incitement’ of ‘entrapment’ omvat twee te onderscheiden elementen, te weten een inhoudelijke toets (aangeduid als de ‘substantive test of incitement’) en een procedureel aspect (aangeduid als ‘procedure deciding on the plea of incitement’), die op elkaar zijn betrokken.38

De beoordeling van het EHRM over de rechtmatigheid van de inzet en het gedrag van undercover(politie)agenten komt neer op de vraag of en in welke mate druk op de verdachte is uitgeoefend om een delict te plegen.39 De ‘substantive test of incitement’ om te beoordelen of en in welke mate druk op de verdachte is uitgeoefend bestaat uit twee onderdelen:

1) de passiviteit of activiteit van de undercoveragent en;

2) de predispositie van de verdachte (generiek opzet of daadwerkelijke bereidheid om handelend op te treden).

De inzet van undercoveragenten is alleen gerechtvaardigd als zij ten eerste in essentie passief te werk gaan en dus geen initiatief nemen. Ten tweede moeten objectieve40, concrete en verifieerbare41 gronden bestaan om aan te nemen dat de verdachte betrokken is bij criminele activiteiten (pre-existing criminal activity) of van een predispositie om strafbare feiten te plegen.42 Daarbij stelt het EHRM al sinds Teixeira de Castro tegen Portugal43 de eis dat die predispositie objectief aantoonbaar moet zijn, zodat een predispositie die slechts latent is (maar niet aangetoond) onvoldoende is. Een strafblad is op zichzelf ook onvoldoende om betrokkenheid bij criminele activiteiten vast te stellen44, maar in combinatie met andere factoren kan een strafblad wel steun geven aan een bestaande verdenking.45 Ook kunnen omstandigheden die pas blijken tijdens de undercoveroperatie bijdragen aan het bewijs van een predispositie tot crimineel handelen. Bij de vraag of er objectief gezien sprake was van een predispositie gaat het uiteindelijk om de vraag of die predispositie er was op het moment waarop de betrokkene met de undercoveragent in zee ging.46

Het EHRM stelt niet de eis dat het concrete delict waarop de undercoveroperatie zich richtte ook zonder die operatie zou zijn begaan. Waarom het gaat, is dat van uitlokking sprake is als de betrokkene zonder de interventie van de undercoveragenten niet een soortgelijk feit zou hebben gepleegd.47 Evenmin volgt uit de jurisprudentie van het EHRM dat een undercoveroperatie pas toelaatbaar is als de betrokkene een begin heeft gemaakt met (de voorbereiding van) het concrete strafbare feit waarop die undercoveroperatie zich richt.48

Het bewijs van een predispositie zal als het gaat om de bestrijding van strafbare feiten die doorgaans een eenmalig karakter hebben, zoals een terroristische aanslag, vooral gezocht moeten worden in concrete aanwijzingen dat dergelijke feiten ‘under way’ zijn in die zin dat plannen worden gemaakt of voorbereidingen worden getroffen voor het begaan van dat feit, maar concrete (strafbare) voorbereidingshandelingen zijn niet per se nodig. Dat de plannen serieus moeten worden genomen, kan ook op andere wijze blijken dan uit de mate waarin zij zijn geconcretiseerd. Bovendien kan (aanvullend) bewijs voor het bestaan van een predispositie - zoals hiervoor overwogen - worden gevonden in het gedrag van de betrokkene tijdens de uitvoering van de undercoveroperatie.49

Volgens het EHRM is een zorgvuldig onderzoek door de rechter alleen nodig als de beschuldiging van de verdachte dat hij is uitgelokt niet “wholly improbable” is. Dat betekent dat het enkele feit dat het bewijs door middel van een undercoveroperatie is verkregen, nog niet betekent dat de rechter tot een grondig onderzoek naar de ware toedracht is gehouden. Dat onderzoek is pas nodig als de klacht dat de verdachte is uitgelokt niet hoogst onwaarschijnlijk is. En of dat laatste het geval is, hangt weer af van de vraag of de autoriteiten erin zijn geslaagd het bewijs te leveren dat van uitlokking geen sprake is.50

- Beoordeling contact [naam infiltrant] met [naam verdachte]

Op basis van de informatie in het dossier en de overgelegde e-mails51 komt de rechtbank tot het volgende.

In zijn e-mail van 28 mei 2018 laat [naam verdachte] aan [naam 2] weten – vrij vertaald en zonder versluierd taalgebruik52 – “dat het hen niet meer uitmaakt waar de aanslag plaats zal vinden, in Nederland of ergens anders. Zij mogen beslissen waar gemakkelijk wapens naartoe kunnen worden gebracht. Eerst hadden ze het plan een aanslag te plegen op een militair doelwit, later bij de gay pride in augustus, maar ze denken ook na over een bezoek aan Frankrijk.”

Blijkens de uitgewerkte OVC zegt de politie-infiltrant [naam infiltrant] tijdens hun eerste ontmoeting op 5 juli 2018 tegen [naam verdachte] :

“Goed, want wat ik kan doen... het is voor mij moeilijk om jou een plan te geven als ik het plaatje niet weet, ik weet niet wat goed is. Dat moet van jou komen. Maar als je er eentje hebt, Inshallah (zo God het wil), zal ik je helpen en het beter maken zoals ik dat kan. Dus als je een plan hebt en je zegt, bijvoorbeeld, ik wil dit en ik wil dat, dan ben ik in staat om te zeggen: ok dat is goed. Maar dan is dit nodig, haal dat weg, we doen het hier en op deze manier om te zorgen dat de aanval beter wordt.” 53

[naam verdachte] reageert hierop met:

“Ik doe het alleen. Ik heb alleen mijn auto nodig, begrijp je, voor een grote bom, ja mijn auto. (…) Ik weet een paar plekken, ik weet hoe, hoe ..ntv.. misschien leren om met Kalasjnikov..(…) En ondertussen vriend, werk ik nog steeds aan een plan over hoe en waar (…) En tot nu toe zijn mijn plannen twee keer door broeders kapotgemaakt (…) Als ze meedoen, okay, goed en als je niet mee doet, ook okay. Het is namelijk mijn plan. Dan gaat het gebeuren zoals ik wil. (…) We hebben, we hebben, alhamdillulah (met God's wil), vriend, wollah (bij Allah), het maakt me niet uit wanneer en wat. Ik zou echt heel graag willen dat het dit jaar gebeurt (…) Ja. Ennuh als jij, als jij hier, daar banden hebt, van broeders die het misschien beter weten. Voor mij, wollah (bij Allah) maakt de plek niet uit. Ik heb het ook aan [naam 1] gevraagd, zelfs in Frankrijk, mij maakt het niet uit. (…) Maar als je, als je om je heen vraagt, denk met me mee, vriend. Als je broeders hebt, die als je dat weet ok, die een betere locatie weten en ondertussen, deze week probeer ik het nog een laatste keer met een paar broeders. Voor de laatste keer. Ik heb het tegen ze gezegd. Als je meedoet, best. Zo niet, dan verbreek ik het contact met ze. Omdat, niet omdat ze het niet doen maar puur voor mijn eigen veiligheid (…)” 54

Tijdens de tweede ontmoeting op 12 augustus 2018 vertelde [naam verdachte] dat zij met z’n vijven zijn en dat zij vijf Kalasjnikovs willen, omdat zij als een gek willen gaan schieten. Ook willen zij kleine wapens hebben, want zij willen zich niet overgeven, vier granaten per persoon en voor iedereen een bomvest om meer schade ter veroorzaken. [naam verdachte] zegt dat zij zich richten op een festival en dat zij ook een heel grote auto met behulp van een afstandsbediening tot ontploffing willen brengen in een andere stad, mogelijk vanuit Amsterdam.55

Voorts volgt uit de inhoud van het dossier dat:

- De politiële infiltratie met de nodige waarborgen was omkleed en werd uitgevoerd door politiemensen die getraind waren om als undercoveragent op te treden, daarin jarenlange ervaring hadden56 en die in hun opleiding onderricht hadden gekregen over het Tallon-criterium.57

  • -

    Van de e-mailcontacten met [naam verdachte] en het verloop van de vijf ontmoetingen tussen de politie-infiltrant [naam infiltrant] met [naam verdachte] gedetailleerde verslagen zijn gemaakt in processen-verbaal die kort na het gebeuren zijn opgemaakt. Tevens zijn deze ontmoetingen (met uitzondering van die van 18 september 2018) met camera geobserveerd en door middel van OVC opgenomen waarvan eveneens gedetailleerde processen-verbaal zijn opgemaakt.

  • -

    De politie-infiltrant [naam infiltrant] ten overstaan van de rechter-commissaris als beperkt anonieme getuige is gehoord. Kennisneming van de desbetreffende processen-verbaal leert dat de infiltrant (door de verdediging) uitvoerig en gedetailleerd is ondervraagd over het verloop van de contacten met de verdachte [naam verdachte] .

Ten slotte heeft de rechtbank [naam verdachte] alle ruimte gegeven om zijn interpretatie van de gestelde uitlokking naar voren te brengen. [naam verdachte] zelf stelt niet te zijn uitgelokt door [naam infiltrant] , daar dit – blijkens zijn verklaringen – vóór zijn eerste contact met [naam infiltrant] al was gedaan door [naam 1] en [naam 2] .

Uit het voorgaande leidt de rechtbank af dat het opzet van [naam verdachte] van meet af aan gericht was op het plegen van een aanslag en dat het initiatief daarvoor bij [naam verdachte] lag. Het is [naam verdachte] geweest die op 28 mei 2018 al schreef over het plegen van een aanslag en mogelijke doelwitten en in augustus 2018 bij [naam infiltrant] heeft aangegeven welke wapens en bomvesten zij wilden om een aanslag te kunnen plegen. Hiertoe wilde [naam verdachte] een samenwerking aangaan met [naam infiltrant] .

Weliswaar heeft infiltrant [naam infiltrant] zelf ook initiatieven ontplooid, zoals het opnemen van contact met [naam verdachte] voor bijvoorbeeld het afspreken van een locatie waar zij elkaar konden ontmoeten of het verschaffen van informatie over kunstmest en chemicaliën voor een bom, maar daarmee is [naam verdachte] niet gebracht tot het voorbereiden van een aanslag. Het is [naam verdachte] zelf geweest die het initiatief heeft genomen.

Gelet op bovengenoemde feiten en omstandigheden is naar het oordeel van de rechtbank dan ook vast komen te staan dat de verdachte [naam verdachte] door [naam infiltrant] niet tot handelingen is gebracht waarop zijn opzet niet al tevoren was gericht.

Voorts is de rechtbank van oordeel dat het handelen van de infiltrant [naam infiltrant] evenmin strijd oplevert met de besproken jurisprudentie van het EHRM. Immers, genoegzaam is komen vast te staan dat de opzet van verdachte [naam verdachte] (“predisposition”) reeds gericht was op het plegen van strafbare feiten.

De verweren van de verdediging op dit punt falen.

- Consequenties van de niet-toegestane beïnvloeding

De rechtbank zal nu ingaan op de vraag of de niet-toegestane beïnvloeding door de AIVD gevolgen dient te hebben voor het infiltratie traject van de politie dan wel anderszins voor de strafzaak, meer in het bijzonder of één van de in artikel 359a Sv genoemde rechtsgevolgen dient in te treden.

Uit de tekst van artikel 359a Sv volgt dat het toepassingsbereik beperkt is tot de bij het voorbereidend onderzoek verzuimde normen en onderzoek door de AIVD valt dan ook buiten de reikwijdte van artikel 359a Sv.58 De omstandigheid dat artikel 359a Sv geen toepassing vindt betekent echter niet zonder meer dat de strafrechter aan vormverzuimen geen gevolgen kan verbinden. De Hoge Raad geeft er blijk van ook buiten het kader van artikel 359a Sv ruimte te zien voor het verbinden van de in die bepaling genoemde rechtsgevolgen aan onrechtmatigheden.59

De rechtbank is van oordeel dat de niet-toegestane beïnvloeding door de AIVD zoals die zich in deze zaak heeft voorgedaan en waarmee het waarborgen van een eerlijk proces in gevaar is gebracht een bijzondere omstandigheid oplevert op grond waarvan zij het beslissingsschema van artikel 359a Sv (naar analogie) toepasselijk acht.60 De rechtbank zal bij de beantwoording van de vraag of aan de niet-toegestane beïnvloeding enig rechtsgevolg moet worden verbonden en, zo ja, welk rechtsgevolg dan in aanmerking komt, rekening houden met de in artikel 359a, lid 2 Sv genoemde factoren, te weten het belang van het geschonden voorschrift, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt. Daarbij geldt het belang van de verdachte dat het gepleegde feit niet wordt ontdekt, niet als een rechtens te respecteren belang.

Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad komt niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie als in artikel 359a Sv voorzien rechtsgevolg slechts in uitzonderlijke gevallen in aanmerking. Daarvoor is alleen plaats ingeval het vormverzuim daarin bestaat dat een ernstige inbreuk is gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak tekort is gedaan.61Van een dergelijke situatie is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake, mede gezien de concrete verdenkingen die jegens [naam verdachte] bestonden, te weten het hebben van de intentie om een jihadistisch gemotiveerde aanslag te plegen en het treffen van voorbereidingen hiertoe.

Voorts is de rechtbank van oordeel dat de niet-toegestane beïnvloeding niet een zodanige schending van het recht op een eerlijk proces oplevert dat het resultaat daarvan niet kan meewerken tot het bewijs. De rechtbank weegt hierbij mee dat door middel van de e-mailberichten die door de verdediging zijn overgelegd de contacten tussen [naam 1] / [naam 2] en [naam verdachte] ten tijde van het opsporingsonderzoek (alsnog) inzichtelijk zijn geworden en de verdachte derhalve op dit punt niet in zijn verdediging is geschaad.

De rechtbank komt gelet op het belang dat het geschonden voorschrift dient, de ernst van het verzuim, het nadeel dat daardoor voor de verdachte is veroorzaakt en de overige omstandigheden van het geval tot de slotsom dat in dit geval ten gunste van de verdachte een beperkte strafvermindering dient plaats te vinden zoals hierna in dit vonnis zal worden vermeld.

Conclusie

Het openbaar ministerie is ontvankelijk in de vervolging.

7. Waardering van het bewijs

7.1.

Vaststaande feiten

De volgende feiten en omstandigheden kunnen op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen als vaststaand worden aangemerkt. Deze feiten hebben op de terechtzitting niet ter discussie gestaan en kunnen zonder nadere motivering dienen als vertrekpunt voor de beoordeling van de bewijsvraag.

Als hierboven onder 3. vermeld werd op 26 april 2018 een ambtsbericht van de AIVD ontvangen. In dit ambtsbericht werd melding gemaakt van het feit dat [naam verdachte] voorbereidingen trof om met een groep personen veel slachtoffers te maken door een terroristische aanslag te plegen op een groot evenement in Nederland. Hij was op zoek naar aanslagmiddelen voor meerdere personen en iemand die hierin kon faciliteren. Direct na ontvangst van dit ambtsbericht werd een opsporingsonderzoek, genaamd 26Orem, gestart tegen de verdachte [naam verdachte] . Dit onderzoek werd later uitgebreid met verdenkingen tegen [naam medeverdachte 1] (hierna: [naam medeverdachte 1] ), [naam medeverdachte 2] (hierna: [naam medeverdachte 2] ), [naam medeverdachte 3] (hierna: [naam medeverdachte 3] ), [naam medeverdachte 4] (hierna: [naam medeverdachte 4] ) en [naam medeverdachte 5] (hierna: [naam medeverdachte 5] ).

In het kader van het onderzoek zijn verschillende opsporingsmiddelen ingezet, waaronder telefoon- en computertaps, het afluisteren van vertrouwelijke communicatie (OVC) en observaties. Tevens werd een infiltratie traject in gang gezet, waarbij onder andere eerder genoemde [naam infiltrant] als politie-infiltrant is opgetreden. Deze laatste heeft per e-mail contact gezocht en onderhouden met [naam verdachte] , waarbij [naam verdachte] vanuit een internetcafé (WCC) in Arnhem e-mails ontving en verstuurde.

Voorafgaand aan de ontmoeting op 27 september 2018 in een vakantiewoning in Weert, hebben [naam verdachte] en [naam infiltrant] een vijftal fysieke ontmoetingen gehad waarbij een aantal keer ook andere verdachten aanwezig waren.

Tijdens de eerste ontmoeting, op 5 juli 2018 in Arnhem, vroeg [naam infiltrant] aan [naam verdachte] wat [naam verdachte] van hem verwachtte en waarmee hij [naam verdachte] kon helpen. Hierop antwoordde [naam verdachte] dat hij hulp en ondersteuning nodig had bij het plegen van een aanslag die grote schade zou veroorzaken. [naam verdachte] zei dat er in eerste instantie nog twee broeders bij betrokken waren, maar dat deze twijfelden. Verder zei [naam verdachte] dat hij zou gaan proberen deze broeders de komende week over te halen om alsnog mee te doen. [naam verdachte] zei dat hij stond te popelen om iets te ondernemen en dat hij al erg lang had gewacht om iets te doen, sinds zijn dromen en zijn arrestaties. Hij wist nog niet precies wanneer hij een aanslag wilde gaan plegen, maar hopelijk zou het dit jaar gebeuren.

Op 24 juli 2018 mailde [naam verdachte] aan [naam infiltrant] dat de groep op dat moment uit vijf personen bestond, dat hij bezig was met het regelen van een zesde persoon, maar dat hij zich nu focuste op vijf personen.

Op 12 augustus 2018 vond een tweede ontmoeting tussen [naam verdachte] en [naam infiltrant] plaats in Utrecht. [naam verdachte] vertelde dat hij een grote bom in een auto wilde die op afstand tot ontploffing kon worden gebracht. Ook vertelde [naam verdachte] welke middelen zij wilden hebben, te weten onder andere Kalasjnikovs, (bom)vesten, granaten en kleine (vuur)wapens. [naam infiltrant] vroeg [naam verdachte] welke spullen [naam verdachte] van hem nodig zou hebben en [naam infiltrant] vertelde [naam verdachte] dat hij zou kunnen proberen om aan kunstmest te komen. Daarbij vertelde [naam infiltrant] dat hij [naam verdachte] en de anderen nodig had om grondstoffen te kopen, zoals bijvoorbeeld aceton. Hij adviseerde [naam verdachte] om in kleine hoeveelheden en bij verschillende winkels de middelen aan te schaffen. Op het moment dat [naam verdachte] en [naam infiltrant] deze ontmoeting hadden, waren [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 4] in de periferie van [naam verdachte] aanwezig.

Op 30 augustus 2018 vond in Utrecht een derde ontmoeting plaats tussen [naam verdachte] en de politie-infiltrant [naam infiltrant] . Tijdens deze ontmoeting toonde [naam verdachte] twee flessen nagellakremover aan [naam infiltrant] en vroeg hem of deze twee flessen goed waren. Hierop vertelde [naam infiltrant] aan [naam verdachte] welke middelen hij moest aanschaffen en in welke hoeveelheden. Ook vertelde de politie-infiltrant dat hij 100 kilogram kunstmest had geregeld voor het maken van de autobom en dat hiervoor opslagruimte nodig was. [naam infiltrant] vertelde dat hij enkele broeders had gesproken om advies over trainen met vuurwapens in te winnen. [naam verdachte] stelde voor dat de broeders mogelijk naar Bosnië zouden kunnen komen. Tijdens deze ontmoeting stelde [naam verdachte] de politie-infiltrant voor aan [naam medeverdachte 3] . In afwezigheid van [naam medeverdachte 3] vertelde [naam verdachte] aan [naam infiltrant] dat [naam medeverdachte 3] wel de wil had om een aanslag te plegen, maar nog niet overtuigd was om dat nu met [naam verdachte] te doen. [naam medeverdachte 3] zou degene zijn die, na een geslaagde aanslag van [naam verdachte] , mogelijk geïnteresseerd was om het contact met de politie-infiltrant over te nemen om zodoende een nieuwe aanslag voor te bereiden.

Na deze ontmoeting ging [naam verdachte] actief op zoek naar middelen die nodig waren voor het maken van een explosief. Op getapte IP adressen was te zien dat op het internet werd gezocht naar chemicaliën. [naam verdachte] kocht in verschillende winkels zoutzuur en aceton en vroeg aan contacten van hem om waterstofperoxide voor hem te kopen.

Op 7 september 2018 reed [naam verdachte] samen met [naam medeverdachte 3] naar Breda waar hij, conform afspraak met [naam infiltrant] , vier zakken van 25 kilogram kunstmest weghaalde uit een daar geparkeerd voertuig.

Op 17 september 2018 vond een vierde ontmoeting plaats tussen [naam verdachte] en de politie-infiltrant, ditmaal in Arnhem. Tijdens deze ontmoeting vertelde [naam verdachte] dat de groep met wie hij de aanslag wilde gaan plegen [naam infiltrant] wilde ontmoeten en dat hijzelf die avond met de groep zou bespreken of ze [naam infiltrant] de volgende dag zouden willen ontmoeten. Die avond, omstreeks middernacht, reed [naam verdachte] samen met [naam medeverdachte 5] vanuit Arnhem naar de woning van [naam medeverdachte 4] in Vlaardingen. Aldaar hadden [naam verdachte] en [naam medeverdachte 5] een ontmoeting met [naam medeverdachte 4] en [naam medeverdachte 1] . Een kwartier nadat [naam verdachte] en [naam medeverdachte 5] de woning hadden verlaten, belden [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 4] naar [naam medeverdachte 2] en spraken ze af om elkaar te zien. Direct na zijn vertrek, stuurde [naam verdachte] een bericht aan [naam infiltrant] dat de groep hem de volgende dag wilde ontmoeten.

De volgende dag, 18 september 2018, vond een ontmoeting plaats tussen [naam verdachte] en [naam infiltrant] in Park Presikhaaf te Arnhem. Deze keer waren naast [naam verdachte] ook [naam medeverdachte 1] , [naam medeverdachte 2] , [naam medeverdachte 4] en [naam medeverdachte 5] aanwezig. In het park werd onder andere gesproken over het kopen van grondstoffen voor explosieven, een wapentraining in Bosnië en het aanschaffen van pistolen. Verder werd afgesproken binnenkort samen te komen om te oefenen. Desgevraagd gaven alle verdachten aan betrokken te zijn bij de plannen van [naam verdachte] en hetzelfde te willen als hij. De afspraak om binnenkort samen te komen om te oefenen, werd 27 september 2018.

Op die dag vond een ontmoeting plaats tussen twee politie-infiltranten (waaronder [naam infiltrant] ), [naam verdachte] , [naam medeverdachte 1] , [naam medeverdachte 2] en [naam medeverdachte 4] in een vakantiewoning in Weert. Hier werd gesproken over het hoe en waar van een aanslag waarbij zoveel mogelijk slachtoffers zouden kunnen worden gemaakt. Voorts werd er geoefend met (door de politie onklaar gemaakte) handvuurwapens, Kalasjnikovs en(bom)vesten. Aansluitend aan deze ontmoeting zijn de verdachten (deels in Weert, deels elders) aangehouden. Na de aanhoudingen van de verdachten werden verschillende woningen doorzocht en gegevensdragers in beslag genomen. Tijdens de doorzoeking in de woning van [naam verdachte] werden chemicaliën aangetroffen en in beslag genomen die geschikt zijn voor het maken van explosieven, te weten zoutzuur, waterstofperoxide en aceton62, evenals de eerder genoemde 100 kilogram kunstmest.

7.2.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde

Het openbaar ministerie en de verdediging verschillen van opvatting over de vraag of in deze zaak sprake is van een organisatie in de zin van artikel 140a c.q. artikel 140 Sr.

Allereerst dient de rechtbank vast te stellen van welke eisen hierbij moet worden uitgegaan. De rechtbank volgt in beginsel de eisen welke de Hoge Raad sedert 1990 in bestendige jurisprudentie63 heeft geformuleerd ten aanzien van artikel 140 Sr nu artikel 140a Sr als specialis64 heeft te gelden en alle bestanddelen met uitzondering van het terroristisch oogmerk op dezelfde wijze dienen te worden uitgelegd.

Aldus dient bij het beantwoorden van de vraag wanneer sprake is van een organisatie ex artikel 140a/140 Sr - los van het daarbij behorende oogmerk, waarover hieronder meer - te worden uitgegaan van:

  • -

    een samenwerkingsverband;

  • -

    met een zekere duurzaamheid en structuur;

  • -

    tussen tenminste twee (c.q. de individuele verdachte en één ander) personen.65

Onderzocht moet worden of in het onderhavige geval daarvan sprake is.

De eerste vraag: samenwerkingsverband? Daarvan is naar het oordeel van de rechtbank sprake in de periode gelegen tussen 1 juni 2018 - onder meer: [naam verdachte] spreekt op 5 juli 2018 over de broeders die zijn ingelicht - en 27 september 2018. In die periode is er sprake van een samenwerking tussen de verdachten [naam verdachte] , [naam medeverdachte 1] , [naam medeverdachte 4] en [naam medeverdachte 2] , bestaande in het voorbereiden van aanslagen met behulp van vuurwapens - treffen met, instructie van en overhandiging van vuurwapens door politie-infiltranten te Weert - en zelfgemaakte bommen met behulp van onder meer kunstmest en in de tenlastelegging genoemde chemische stoffen, vervoer door [naam verdachte] en [naam medeverdachte 3] en aankoop door en namens [naam verdachte] van chemische stoffen. De samenwerking uit zich voorts (doch is niet beperkt tot) in het bespreken van plannen daartoe met politie-infiltranten en onderling in verschillende huizen van verdachten, tijdens autoritten en op straat, en de vele (individuele) gesprekken tussen [naam verdachte] en één of meer bovengenoemde personen waaronder (ook) [naam medeverdachte 3] en [naam medeverdachte 5] onder meer met de politie-infiltrant (Presikhaaf Park) c.q. het verblijven in de nabijheid van die infiltrant (Utrecht).

De tweede vraag: duurzaamheid en structuur? Om met het laatste te beginnen: de structuur blijkt uit het totale aantal deelnemers, te weten de verdachten [naam verdachte] , [naam medeverdachte 1] , [naam medeverdachte 4] , [naam medeverdachte 2] , [naam medeverdachte 3] en [naam medeverdachte 5] , waarbij [naam verdachte] zich manifesteert als degene met (de meeste) initiatieven. Dit blijkt onder meer uit de omstandigheid dat [naam verdachte] steeds en frequent contact met de overige verdachte(n) alsmede met de politie-infiltrant heeft en zoekt, en hij een gezamenlijke bespreking met die infiltrant en de overige verdachten organiseert in het Presikhaaf Park te Arnhem. Voorts zijn ook hier van belang de hierboven geschetste omstandigheden alsmede (frequente) onderlinge contacten tussen één of meer van de hiervoor genoemde personen. De duurzaamheid is in dit geval gegeven door de tijdspanne waarin een en ander zich heeft afgespeeld, te weten de periode tussen 1 juni 2018 en 27 september 2018, de dag van de aanhouding van de verdachten, alsmede de frequentie van de contacten.

Ten slotte de derde vraag: deze wordt eigenlijk door het hierboven overwogene reeds beantwoord. Een korte greep uit het dossier laat zien dat de verdachten elkaar hebben getroffen op meer dan één moment en op meer dan één plaats (Arnhem, Utrecht, Rotterdam, Vlaardingen, soms in wisselende samenstelling) en tezamen met de infiltrant in Arnhem (Presikhaaf Park) en in Weert (in geval [naam medeverdachte 3] : alsmede het ophalen en vervoeren van potentieel explosieve stoffen - kunstmest - vanuit Breda naar Arnhem).

Het voorgaande leidt de rechtbank tot de vaststelling dat tussen de verdachte en de hierboven genoemden sprake is geweest van een feitelijke organisatie als bedoeld in artikel 140a c.q. 140 Sr.

Daarmede staat echter nog niet vast dat deze organisatie er ook daadwerkelijk een is in de zin van voornoemde artikelen. Daarvoor moet immers vast komen te staan dat de organisatie zich heeft beziggehouden met een of meer strafbare feiten als genoemd in de tenlastelegging. Naar het oordeel van de rechtbank is dat het geval. Gelet op de omstandigheid dat de rechtbank - kort gezegd - voorbereiding voor aanslagen en wapenbezit als bedoeld in feit 1 bewezen verklaart en deze naar het oordeel van de rechtbank niet alleen doch tezamen en in vereniging met onder meer dezelfde personen als hierboven genoemd zijn begaan, kan niet anders dan tot de conclusie worden gekomen dat deze organisatie als zodanig zich heeft beziggehouden met deze strafbare feiten.

Nu rest nog de vraag of en zo ja welk oogmerk die organisatie had, namelijk het oogmerk tot het plegen van misdrijven (artikel 140 Sr) of tot het plegen van terroristische misdrijven (artikel 140a Sr).

De rechtbank zal de vraag naar het oogmerk tot het plegen van terroristische misdrijven als de meest vergaande het eerst behandelen. Hierbij is van groot belang de vraag naar het terroristisch oogmerk, nu dat oogmerk bepaalde misdrijven, waaronder die omschreven in de artikelen 96 en 157, 176a en b, 288a, 289(a) Sr blijkens artikel 83 Sr kwalificeert tot terroristische misdrijven. De vraag spitst zich dan ook toe op wat terroristisch oogmerk is.

Een definitie van dit begrip treffen we aan in artikel 83a Sr. De wetgever heeft het terroristisch oogmerk - kort samengevat - omschreven als een gedraging die het oogmerk heeft om (een deel van) de bevolking ernstige vrees aan te jagen dan wel de overheid wederrechtelijk te dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden dan wel (internationale) structuren van een land te ontwrichten of te vernietigen.

Dit bestanddeel maakt deel uit van een aantal onderdelen van de tenlastelegging. Hiermee is een strafverzwarend element ingebracht.

Het oogmerk is het naaste doel van de dader, het is datgene wat hij wil of waar het hem om te doen is. Het motief hiervoor kan economisch, politiek of religieus geïnspireerd zijn.

Zich serieus met de Koran bezig houden en in dat kader praten over de jihad, het verwerpen van de democratie, het niet aanvaarden van wetten behalve die, die afkomstig zijn van Allah, is binnen de grondwettelijke vrijheden van meningsuiting en van godsdienst toegestaan, ook al raken de gesprekken de fundamenten van onze samenleving, zijnde de democratie en de rechtsstaat. Deze vrijheden zijn echter niet onbeperkt en vinden hun begrenzing in het plegen van misdrijven, ook al worden die misdrijven uit politiek religieuze motieven gepleegd.

Uit het bespreken en feitelijk voorbereiden van een bomaanslag (kunstmest en chemische stoffen), het verwerven en voorhanden hebben van vuurwapens, het ondergaan van een training/instructie met die wapens (Weert), het voorbereiden van de eigen dood (afscheidsbrieven, huur van gezamenlijke woning, het daaromtrent spreken met de levenspartner, het daadwerkelijk benoemen van objecten voor een aanslag (Gay Pride of andere LHBT-feesten, militaire basis), vermag de rechtbank af te leiden dat al deze feiten in onderling verband en samenhang, tegen de achtergrond van het gewelddadige gedachtegoed van in ieder geval een aantal van de verdachten ( [naam verdachte] , [naam medeverdachte 2] , [naam medeverdachte 4] , [naam medeverdachte 5] en [naam medeverdachte 1] ), voldoende grond opleveren om aan te nemen dat er sprake is van een terroristisch oogmerk, bestaande uit het aanjagen van vrees bij (een deel van) de bevolking en/of het ontwrichten van fundamentele politieke structuren.

Niet nodig is dat de verdachte als deelnemer aan de organisatie en medepleger van de overige bewezenverklaarde feiten aanhanger was van eerder genoemd gedachtegoed. Voldoende is dat hij daarvan weet had, alsook van het voornemen om (terroristische) misdrijven te plegen. Daarover informeert het dossier dat de verdachten onderling (heel) vaak met elkaar spraken over de (gewelddadige) jihad.

Al het vorenstaande brengt de rechtbank tot het oordeel, dat de verdachte deelnam aan een organisatie die het oogmerk had het plegen van terroristische misdrijven.

7.3.

Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde

Standpunt verdediging

De verdediging heeft bepleit dat de verdachte wat betreft het onder B ten laste gelegde raadplegen van handleidingen dient te worden vrijgesproken omdat - kort gezegd - het raadplegen van handleidingen voor het vervaardigen en gebruiken van explosieven niet kan worden aangemerkt als training voor terrorisme. Er is veel materiaal bij de verdachte aangetroffen en slechts een klein deel daarvan bevat instructies voor een terroristisch misdrijf. Bovendien blijkt nergens uit dat de verdachte die instructies, als hij ze al heeft gelezen, heeft geraadpleegd met de bedoeling om ze in de praktijk te brengen, aldus de verdediging.

Beoordeling

De strafbaarstelling van artikel 134a Sr ziet blijkens de wetsgeschiedenis op een persoon met een fascinatie voor terroristisch geweld die steeds verder radicaliseert, in dat kader plannen maakt met betrekking tot aanslagen en daartoe zich of een ander gelegenheid, middelen of inlichtingen verschaft of tracht te verschaffen of kennis en/of vaardigheden verwerft die zouden kunnen worden ingezet voor het plegen van een terroristisch misdrijf of een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf.66 Er moet voor kwalificatie onder artikel 134a Sr een voldoende verband bestaan tussen de gedragingen en enige vorm van training voor terrorisme.67 Onder de reikwijdte van artikel 134a Sr valt ook de eenling die zich via internet op de hoogte stelt van kennis en informatie over bijvoorbeeld het vervaardigen van een explosief die hij vervolgens wil inzetten voor het plegen van een terroristisch misdrijf of het vergemakkelijken ervan.68

Dat er bij de verdachte sprake is geweest van ‘training voor terrorisme’, ook op de wijze zoals onder 3, onder B, ten laste gelegd, blijkt voldoende uit de in bijlage II bij dit vonnis genoemde bewijsmiddelen, in samenhang met de overig bewezen verklaarde feiten.

Conclusie

Het verweer wordt verworpen.

7.4.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1.

hij in de periode van 1 juni 2018 tot

en met 27 september 2018 te Arnhem en/of Rotterdam en/of Huissen en/of

Vlaardingen en/of Utrecht en/of Weert en/of Breda en/of elders in Nederland,

meermalen, telkens

tezamen en in vereniging met anderen,

ter voorbereiding van de misdrijven waarop naar de wettelijke

omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld,

te weten:

-moord (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 289

juncto 83 van het Wetboek van Strafrecht), en

-het opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweegbrengen, terwijl

daarvan gemeen gevaar voor goederen en gevaar voor zwaar lichamelijk

letsel en/of levensgevaar voor een ander te duchten is, zoals bedoeld in

artikel 157 sub 1en 2 van het Wetboek van Strafrecht, (te) begaan met een

terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 176a van het Wetboek van Strafrecht),

opzettelijk Kalasjnikovs, althans automatische

vuurwapens en handvuurwapens en grondstoffen voor

een (auto)bom en grondstoffen voor explosieven voor in bomvesten, te weten: kunstmest en zoutzuur en waterstofperoxide en aceton, bestemd tot het begaan van die misdrijven, heeft verworven en voorhanden heeft gehad;

2.

hij in de periode van 1 juni 2018 tot en met 27 september

2018 te Arnhem en/of Rotterdam en/of Huissen en/of Vlaardingen en/of Utrecht

en/of Weert en/of Breda en/of elders in Nederland,

met mededaders, [naam medeverdachte 4]

(geboren op [geboortedatum medeverdachte 4] ) en [naam medeverdachte 1] (geboren op [geboortedatum medeverdachte 1] )

en [naam medeverdachte 2] (geboren op [geboortedatum medeverdachte 2] ) en [naam medeverdachte 3]

(geboren op [geboortedatum medeverdachte 3] ) en [naam medeverdachte 5] (geboren op [geboortedatum medeverdachte 5] ),

heeft deelgenomen aan een organisatie, welke organisatie tot oogmerk had het

plegen van terroristische misdrijven, namelijk

A. het opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweegbrengen, terwijl

daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel

en/of levensgevaar voor een ander te duchten is en/of dit feit iemands dood

ten gevolge heeft (zoals bedoeld in artikel 157 Wetboek van Strafrecht), (te)

begaan net een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 176a van het

Wetboek van Strafrecht), en/of

B. doodslag (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in

artikel 288a van het Wetboek van Strafrecht), en/of

C. moord (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel

289 juncto 83 van het Wetboek van Strafrecht), en/of

D. de samenspanning en/of opzettelijke voorbereiding van en/of bevordering tot

eerdervermelde misdrijven (zoals bedoeld in artikel 176b en/of 289a en/of 96

lid 2), en/of

E. het voorhanden hebben van een of meer wapens en/of van munitie van de

categorieën II en/of III (zoals bedoeld in artikel 26 lid 1 van de Wet Wapens

en Munitie) (te) begaan met een terroristisch oogmerk en/of met het oogmerk om

een terroristisch misdrijf voor te bereiden of gemakkelijk te maken (zoals

bedoeld in artikel 55 lid 1 en/of lid 5 van de Wet Wapens en Munitie);

3.

hij in de periode van 1 juni 2018 tot en met 27 september

2018 te Arnhem en/of Rotterdam en/of Huissen en/of Vlaardingen en/of Utrecht

en/of Weert en/of elders in Nederland, meermalen, , telkens

tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk

-zich middelen en inlichtingen

heeft verschaft en

-kennis en vaardigheden heeft verworven tot het plegen van een terroristisch misdrijf en/of een misdrijf

ter voorbereiding en/of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf,

immers hebben verdachte en zijn mededader(s) tezamen en in vereniging

met elkaar,

A. zich laten trainen en/of geoefend in/met het gebruik van

Kalasjnikovs, althans automatische vuurwapens en

handvuurwapens en bomvesten, en

B. zich laten informeren door praktische handleidingen en instructies voor de jihad (te weten: hoe men in Syrië kan komen, hoe men communicatiemiddelen veilig kan gebruiken en beveiligen) en praktische handleidingen voor het vervaardigen en gebruiken van explosieven, voor het kiezen van het juiste mes voor het neersteken van een doelwit en voor de fysieke training van de strijder.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

8. Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

Ten aanzien van feit 1 primair

eendaadse samenloop van

medeplegen van voorbereiding van moord

en

medeplegen van voorbereiding van opzettelijk brand stichten en/of ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is

en

medeplegen van voorbereiding van opzettelijk brand stichten en/of ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is

telkens begaan met een terroristisch oogmerk

Ten aanzien van feit 2

medeplegen van deelname aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven;

Ten aanzien van feit 3

medeplegen van zich opzettelijk middelen en inlichtingen verschaffen en kennis en vaardigheden verwerven tot het plegen van een terroristisch misdrijf danwel een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. De feiten zijn dus strafbaar.

9. Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

10 . Motivering straf en maatregel

De straf en maatregel die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich samen met de medeverdachten schuldig gemaakt aan de voorbereiding van een grote terroristische aanslag op willekeurige burgers en politie in Nederland. Zij hebben gezamenlijk deelgenomen aan een terroristische organisatie en een training gevolgd met het oog op het plegen van een terroristisch misdrijf. De verdachte en de medeverdachten waren voornemens eind 2018 met een voertuig een (zware) bomaanslag te plegen en elders een festival binnen te dringen ‘schietend als een gek op mensen’ met Kalasjnikovs. De verdachte en de medeverdachten zouden daarbij ook handgranaten en bomvesten hebben willen gebruiken. De bomvesten zouden gebruikt moeten worden als de politie zou arriveren, zodat ook zij daarmee slachtoffer zouden worden. De verdachte en de medeverdachten hadden namelijk duidelijk kenbaar gemaakt dat zij zelf niet levend in handen van de politie zouden willen vallen.

De verdachte heeft grote hoeveelheden (beeld)materiaal aangaande het radicale en extremistische gedachtengoed van de gewapende jihadstrijd voorhanden gehad, zoals dat onder meer door terroristische organisaties als Islamitische Staat (verder: IS) wordt gepubliceerd en verkondigd. Het is een feit van algemene bekendheid dat organisaties als IS het plegen van dood en verderf zaaiende aanslagen op onschuldige burgers niet schuwen, maar daarentegen juist aanmoedigen onder hun aanhangers.

De bewezen verklaarde feiten zijn zeer ernstige misdrijven, hetgeen zwaar meeweegt bij de bepaling van de (hoogte van de) straf. De internationale gemeenschap wordt geteisterd door bloedige en angstaanjagende terroristische aanslagen. Deze aanslagen worden gepleegd vanuit een intolerante religieuze ideologie, waarbij wordt geprobeerd het eigen gelijk op gewelddadige wijze aan anderen op te leggen en waarbij de bevolking veelal slachtoffer is en ernstige vrees wordt aangejaagd. Daarbij worden geen middelen en methoden geschuwd. De verdachte en de medeverdachten hebben zowel de burgerbevolking als de politie in Nederland op zware wijze beoogd te treffen met een bloedige aanslag waarbij grote aantallen onschuldige personen het slachtoffer zouden moeten worden. Dankzij tijdig ingrijpen van de Nederlandse overheidsdiensten hebben de verdachte en de medeverdachten hun plannen niet kunnen uitvoeren.

Bescherming van de maatschappij

Samenlevingen die worden geconfronteerd met terroristisch geweld dienen hiertegen te worden beschermd. Met grote inzet trachten overheden, waaronder de Nederlandse, zich dan ook daartegen te weren, onder andere door wetgeving in het leven te roepen waarbij wordt getracht terrorisme in de kiem te smoren door middel van strafbaarstellingen die zien op de fase voorafgaande aan het plegen van een terroristisch misdrijf waarin voorbereidende handelingen daartoe worden getroffen, zoals in de onderhavige zaak.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 20 mei 2020, waaruit blijkt dat de verdachte twee keer eerder is veroordeeld. In november 2017 voor een mishandeling en in 2014 voor een poging uitreizen naar Syrië). Nu deze laatste veroordeling pas onherroepelijk is geworden na de bewezenverklaarde feiten in deze zaak, zal de rechtbank deze veroordeling niet in strafverzwarende zin meewegen.

Rapportages

Ter beoordeling van de toerekenbaarheid van de verdachte, heeft de rechtbank een pro justitia rapport ontvangen van het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en

Psychologie (NIFP), locatie Pieter Baan Centrum (hierna: PBC), opgemaakt door D.C.W.H. Naus, psychiater, A. Witvliet, GZ-psycholoog, en G.J. Ploeg, forensisch milieuonderzoeker, gedateerd 5 maart 2020.

Uit voormeld rapport komt - kort samengevat en voor zover relevant - naar voren dat de verdachte, na zijn eerste aanhouding voor een poging uitreizen naar Syrië in 2014, in 2015 pro Justitia is onderzocht. De conclusies van het huidige onderzoek komen in grote lijnen overeen met de pro Justitia bevindingen uit 2015. Er worden ook in het huidige onderzoek geen aanwijzingen gevonden voor psychopathologie, ontwikkelingsproblematiek, verslavingsproblemen of beperkingen in de intelligentie. Ook voor de destijds reeds in remissie zijnde PTSS-klachten worden nu geen kenmerken gezien.

De bevindingen uit het onderzoek naar de persoonlijkheid van de verdachte komen eveneens overeen met de bevindingen uit 2015. Huidige onderzoekers concluderen dat er met de hun beschikbare informatie geen ziekelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling bij de verdachte kan worden vastgesteld. Gelet op deze conclusie, kan worden verondersteld dat zijn keuzevrijheid in de periode vóór en rondom het ten laste gelegde niet is ingeperkt. Er kan op grond van de beschikbare informatie dan ook geen doorwerking van een stoornis in de ten laste gelegde feiten, indien bewezen, worden onderbouwd. Onderzoekers adviseren dan ook om het ten laste gelegde volledig aan de verdachte toe te rekenen.

Opvallend is dat als het over essentiële procesgebonden zaken gaat, de verdachte goed in staat is te liegen, bagatelliseren en externaliseren.

De verdachte heeft in het huidige onderzoek aangegeven dat hij gederadicaliseerd is, en zegt afstand te nemen van zijn eerdere opvattingen en uitspraken. Het blijft voor onderzoekers onduidelijk in hoeverre dit werkelijk het geval is, of dat er sprake is van sociaal wenselijke antwoorden bijvoorbeeld in het kader van Taquiyya (liegen om ongelovigen om de tuin te leiden). Gezien het feit dat zijn eventuele veranderingen snel en plots hebben plaatsgevonden en vergelijkbaar zijn met eerdere uitspraken van voor het thans ten laste gelegde, blijft het de vraag in hoeverre hij werkelijk veranderd is. De rapporterend psycholoog is van mening dat verandering van ideologie bij de verdachte een langdurig proces behelst, waardoor zelfs indien hij van mening is veranderd, het risico op extremistisch geweld momenteel nog steeds als tenminste matig verhoogd wordt ingeschat.

Aangezien bij de verdachte geen psychopathologie is vastgesteld en er geen doorwerking van een stoornis is in de ten laste gelegde feiten, is er voor onderzoekers geen reden om een advies te geven voor een behandeling in een gedwongen kader.

Tevens heeft de rechtbank kennis genomen van een ideologisch duidingsrapport over de verdachte, uitgevoerd door ‘Nuance door Training & Advies’ (NTA) in opdracht van de reclassering, gedateerd maart 2020. Uit dit rapport komt - concluderend - naar voren dat de verdachte is gevormd door zowel politieke als gewelddadig salafistische predikers en geestelijken. Tevens is de verdachte gevormd in gewelddadig salafistische concepten, hij lijkt een salafistisch curriculum gevolgd te hebben. Hij laat zien dat hij bekend is met diverse salafistische concepten en geeft hier een gewelddadig salafistische uitleg aan. Hij laat ook blijken dat hij achter deze uitleg staat en dat hij die uitleg in praktijk brengt. Hij haalt al zijn informatie uit gewelddadig salafistische (online) bronnen. Deze bronnen vormen voor hem het enige referentiekader. De verdachte is ervan bewust welke ideologie hij aanhangt en welke kennis hij hierover heeft. De parate kennis die hij heeft, gaat verder dan oppervlakkige kennis van de materie. Hij laat namelijk blijken dat hij de standpunten en overtuigingen geïnternaliseerd heeft.

De democratische rechtsorde wordt door de verdachte gezien als taghout.69 Hij erkent de legitimiteit van het Nederlandse rechtssysteem niet en keurt de democratie daarom af. Moslims die dit niet doen en de democratisch rechtsorde en het Nederlands rechtssysteem wel erkennen en/of erin participeren, ziet hij als afvalligen. Dit is onderdeel van de gewelddadig salafistische ideologie.

De verdachte ziet dromen als ware visioenen die hem de bevestiging geven dat hij de juiste weg bewandelt. Uit de dromen die verdachte heeft, concludeert hij dat hij de zwaardelijke jihad moet verrichten en een missie heeft te voltooien. Deze dromen heeft hij nog steeds en hij ervaart dat Allah en de profeet hem daarin rechtstreeks opdrachten, goedkeuringen en bevestigingen geven. Dit betekent dat hij nog steeds in staat is om opvolging te geven aan deze dromen en ernaar te handelen. Dit past binnen de ideologie van het gewelddadig salafisme.

Nederland beschouwt hij als een oorlogsgebied, Nederland is volgens hem in oorlog met de islam. Daarom is geweld tegen Nederland volgens de verdachte legitiem, zoals het plegen van aanslagen. De verschillende narratieven die hij tot zich heeft genomen over het afwijzen van aanslagen, lieten hem slechts twijfelen aan of het toegestaan is aanslagen te plegen. Zij hebben hem niet overtuigd. Dit brengt een mogelijk risico op recidive met zich.

De verdachte past zelf ketting-takfir toe, zoals gebruikelijk is bij de Hazimi-beweging. Hierdoor ziet hij onder andere staatsleiders, parlementariërs, overheidsfunctionarissen en soldaten als ongelovigen. Daarnaast verkettert hij moslims die een andere stroming binnen de islam aanhangen. Hij benoemt expliciet de ah’arieten, soefisten en sjiieten. Zo verkettert hij de overgrote meerderheid van de moslims. Het takfir-concept toepassen op deze groepen mensen maakt hen doelwit voor gewelddadige salafisten.

De verdachte legt de voordelen van het martelaarschap uit op een manier die gebruikelijk is binnen het gewelddadig salafisme. Hij beschouwt zichzelf als iemand die deze weg heeft bewandeld om de tevredenheid van Allah te krijgen. Volgens hem moeten ware gelovigen martelaarschap nastreven.

De verdachte geeft blijk van steun aan extremistische (jihadistische) groeperingen, omdat zij volgens hem een legitieme jihad voeren. ISIS ziet hij als een legitiem kalifaat en hij heeft een eed van trouw afgelegd aan IS-leider Al-Baghdadi.

Ten slotte heeft de rechtbank ook kennis genomen van een rapport van Reclassering Nederland (hierna: reclassering), gedateerd 3 juni 2020. Uit dit rapport komt - kort samengevat - naar voren dat de verdachte zich in de gesprekken met de reclassering en de externe deskundige wederom presenteert als een persoon met een oppervlakkige charme waarmee hij in staat is zich uitzonderlijk goed aan te passen aan situaties en personen. Hij kan dit over langere periode vasthouden. Hij is in staat zijn gedrag instrumenteel in te zetten om zijn eigen doelen te bereiken. Dit opportunisme is kenmerkend voor de verdachte. Hij zoekt de meest gunstige houding om tot het grootst persoonlijke voordeel te komen. Zo geven zijn eerdere reclasseringswerkers aan dat hij in zijn toezicht wel degelijk de kans heeft gekregen aan te geven dat hij opnieuw in een terroristisch misdrijf werd ‘gezogen’. De verdachte zegt hierop zonder blikken of blozen: “Weet u, toen ik in dat busje stapte in Weert dacht ik; dit gaat te ver. Nu ga ik de reclassering bellen en zeggen dat dit te ver gaat. Ik stond op het punt de operatie af te blazen en schoon schip te maken.” De verdachte doet meer van dit soort uitspraken waarin een soort minachting voor de reclassering doorklinkt. Mogelijk gebaseerd op zijn ervaringen tijdens het toezicht waarin hij voor langere periode de reclassering om de tuin wist te leiden.

De professionele inschatting van de reclassering is dat de kans op recidive hoog is. Dit komt voort uit het hoge risico op extremistisch geweld op basis van de VERA-2R, een risicotaxatie-instrument voor de inschatting van de kans op gewelddadig extremisme. Hierbij zijn op alle domeinen ernstige zorgen.

Uit recente gesprekken met de theoloog komt naar voren dat de verdachte islamitisch gezien enkel over kennis beschikt welke gelieerd is aan een gewelddadige ideologie. De verdachte geeft vanaf de start van zijn huidige detentie aan van deze gewelddadig jihadistische ideologie te zijn afgestapt, maar er zijn geen concrete aanwijzingen dat deze verandering daadwerkelijk heeft plaatsgevonden behalve het verhaal dat hij hier zelf over vertelt.

De eerste serieuze aanwijzingen voor het aanhangen van deze ideologie dateren uit 2014, de laatste duidelijke aanwijzingen dateren van de periode vóór zijn huidige detentie. Dit betekent dat de verdachte al minstens zes jaren denkt en handelt naar de regels en handelingen die deze gewelddadige ideologie kenmerkt. Dit zit verankerd in zijn denkwijze.

Het risico op onttrekken aan (bijzondere) voorwaarden wordt ingeschat als hoog. Daarom wordt een straf zonder oplegging van bijzondere voorwaarden geadviseerd. De verdachte is in staat zich ogenschijnlijk aan de bijzondere voorwaarden van een toezicht te houden maar tegelijkertijd, en willens en wetens, terroristische voorbereidingshandelingen te verrichten die gericht zijn op het doden van een zo groot mogelijke groep ongelovigen en/of tegenstanders van de in zijn beleving ware Islam.

Hij is weliswaar naar de meldplicht contacten gekomen maar hij heeft misbruik gemaakt van de door de rechtbank aan hem toevertrouwde verantwoordelijkheden en mogelijkheden tot resocialisatie binnen de Nederlandse samenleving om binnen het toezicht zijn ideologisch gemotiveerde aanslagplannen door te zetten en serieus vorm te geven.

Geadviseerd wordt aan de verdachte een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel ex 38z Sr op te leggen, zodat gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende voorwaarden toegepast kunnen worden na de gevangenisstraf.

De verdachte geeft aan ten tijde van zijn eerdere detentie op de terroristenafdeling van de penitentiaire inrichting Vught verder geradicaliseerd te zijn. De verdachte geeft nu aan te deradicaliseren op de terroristenafdeling met hulp van de psycholoog en imam. Om de risico’s na detentie voldoende te kunnen inschatten dient dit op het einde van de detentieperiode opnieuw getoetst te worden.

Radicalisering

De persoonlijke omstandigheden van de verdachte zoals die ter terechtzitting naar voren zijn gebracht, leiden, gelet op de bestaande ernstige zorgen ten aanzien van de mate van radicalisering van de verdachte en het daarmee samenhangende gevaar voor herhaling van vergelijkbare feiten, niet tot matigende invloed op de straftoemeting. De belangen van resocialisering zijn daarom evenmin van invloed op de bepaling van (de hoogte van) de straf.

Slotsom

Als het dossier wordt bezien kan de rechtbank niet anders dan de conclusie trekken dat de verdachte stellig in vrijheid en zelfstandig zijn keuze voor de te bewandelen weg heeft gemaakt. Hij is van die weg ook niet teruggetreden, ondanks alle gelegenheden daartoe, en in weerwil van tegengestelde drijfveren die normaliter hem daarvan af zouden kunnen houden, zoals het hebben van een vrouw en een kind, alsmede eerdere strafrechtelijke veroordelingen. Dat hij zijn plan om een grote aanslag te plegen toch heeft doorgezet, geeft blijk van zijn (sinds 2014 bestaande) hardnekkige overtuiging in een religieus gedachtegoed waarin het gebruik van geweld wordt verheerlijkt.

De rechtbank heeft bij het bepalen van de hoogte van de op te leggen gevangenisstraf in het bijzonder gelet op het wettelijk kader van strafmaxima van de strafbaarstellingen waarop de bewezenverklaringen zijn toegespitst met name met betrekking tot feit 1, de ernst van de bewezenverklaarde feiten, de aard van de strafbaarstellingen, het belang dat de Nederlandse maatschappij gedurende een lange periode wordt beschermd tegen de risico’s van de (vreselijke) gevolgen van een geslaagde aanslag door de verdachte en op overwegingen van speciale preventie.

Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen, heeft de rechtbank geen enkele reden af te wijken van de eis van de officieren van justitie en is een gevangenisstraf voor de duur van achttien jaar passend. Bij dit alles weegt tevens mee de onoprechtheid van de verdachte in zijn spijtbetuigingen en de onaannemelijkheid van de door hem gestelde deradicalisering, een en ander zoals omschreven in de hiervoor genoemde PBC- en reclasseringsrapporten.

Echter, vanwege de hiervoor onder 6 besproken beïnvloeding door de AIVD, hetgeen een beperkte strafvermindering tot gevolg heeft, zal aan de verdachte een gevangenisstraf worden opgelegd van na te noemen duur.

De rechtbank zal tevens de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking als bedoeld in artikel 38z Sr opleggen. Op die manier wordt het mogelijk om de verdachte in aansluiting op de gevangenisstraf onder toezicht te stellen indien dit op dat moment nog noodzakelijk wordt geacht. Oplegging van deze maatregel is nodig ter bescherming van de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen. De verdachte lijkt immers nog steeds een gewelddadige, salafistische ideologie aan te hangen, waardoor het recidiverisico op extremistisch geweld hoog is. Langdurig toezicht is nodig om dit recidiverisico te beteugelen. Aan de wettelijke vereisten voor oplegging van deze maatregel is voldaan nu de rechtbank aan de verdachte een gevangenisstraf zal opleggen wegens misdrijven die gericht zijn tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van personen en waarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraffen van vier jaren of meer zijn gesteld en er een met redenen omkleed en ondertekend advies van de reclassering is overgelegd.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf en maatregel passend en geboden.

11. In beslag genomen voorwerpen

Standpunt officieren van justitie

De officieren van justitie hebben gevorderd:

  • -

    onttrekking aan het verkeer van de op de lijst van in beslag genomen voorwerpen onder 1 tot en met 14 en 19 tot en met 26 vermelde voorwerpen;

  • -

    verbeurdverklaring van de op de lijst van in beslag genomen voorwerpen onder 16, 17, 27 en 28 vermelde voorwerpen;

  • -

    teruggave aan de verdachte van de op de lijst van in beslag genomen voorwerpen onder 15 en 18 vermelde voorwerpen.

Beoordeling

De op de lijst van in beslag genomen voorwerpen onder 16, 17, 27 en 28 vermelde voorwerpen zullen worden verbeurd verklaard.

De bewezen feiten zijn met behulp van deze voorwerpen begaan.

De op de lijst van in beslag genomen voorwerpen onder 1 tot en met 14 en 19 tot en met 26 vermelde voorwerpen zullen worden onttrokken aan het verkeer.

Het ongecontroleerde bezit van de op de lijst van in beslag genomen voorwerpen onder 19 tot en met 25 vermelde voorwerpen is in strijd met de wet.

De op de lijst van in beslag genomen voorwerpen onder 1 tot en met 14 en 26 vermelde voorwerpen zijn tot het begaan van de onder 2 bewezen misdrijf bestemd.

Ten aanzien van de op de lijst van in beslag genomen voorwerpen onder 15 en 18 vermelde voorwerpen zal een last worden gegeven tot teruggave aan de verdachte.

12 . Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 33, 33a, 36b, 36c, 36c, 38z, 46, 47, 55, 57, 83, 134a, 140a, 157, 176a en 289 van het Wetboek van Strafrecht.

13. Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

14 . Beslissing

De rechtbank:

verklaart de dagvaarding geldig;

verklaart de officieren van justitie ontvankelijk in de vervolging;

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 17 (zeventien) jaren,

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

legt op de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking als bedoeld in artikel 38z Sr;

beslist ten aanzien van de voorwerpen, geplaatst op de lijst van inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, als volgt:

verklaart verbeurd als bijkomende straf voor de feiten 1, 2 en 3 de onder 16, 17, 27 en 28 vermelde voorwerpen:

verklaart onttrokken aan het verkeer de onder1 tot en met 14 en 19 tot en met 26 vermelde voorwerpen:

gelast de teruggave aan verdachte van de onder 15 en 18 vermelde voorwerpen.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J. van der Groen, voorzitter,

en mrs. J.J. Bade en D.L. Spierings, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. J.A.N. Maat en R. Meulendijk, griffiers,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 8 oktober 2020.

Bijlage I

Tekst nader omschreven tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij op een of meer tijdstip(pen) gelegen in de periode van 01 januari 2018 tot

en met 27 september 2018 te Arnhem en/of Rotterdam en/of Huissen en/of

Vlaardingen en/of Utrecht en/of Weert en/of Breda en/of elders in Nederland,

meermalen, althans eenmaal, (telkens)

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

ter voorbereiding van het/de misdrijf/misdrijven waarop naar de wettelijke

omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld,

te weten:

-moord (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 289

juncto 83 van het Wetboek van Strafrecht), en/of

-het opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweegbrengen, terwijl

daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk

letsel en/of levensgevaar voor een ander te duchten is, zoals bedoeld in

artikel 157 sub 1en 2 van het Wetboek van Strafrecht, (te) begaan met een

terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 176a van het Wetboek van Strafrecht),

opzettelijk een of meer Kalasjnikov(s), althans een of meer automatisch(e)

(vuur)wapen(s) en/of een of meer (hand)vuurwapen(s) en/of grondstoffen voor

een of meer (auto)bom(men) en/of grondstoffen voor explosieven voor in een of meer bomvest(en), te weten: kunstmest en/of zoutzuur en/of waterstofperoxide en/of aceton, bestemd tot het begaan van dat/die misdrijf/misdrijven, heeft verworven, vervaardigd, ingevoerd, doorgevoerd, uitgevoerd en/of voorhanden heeft gehad;

(art. 46, 83, 157, 176a en 289 Wetboek van Strafrecht)

subsidiair

hij op een of meer tijdstip(pen) gelegen in de periode van 01 januari 2018 tot

en met 27 september 2018 te Arnhem en/of Rotterdam en/of Huissen en/of

Vlaardingen en/of Utrecht en/of Weert en/of Breda en/of elders in Nederland,

meermalen, althans eenmaal, (telkens)

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

opzettelijk met het oogmerk ter voorbereiding en/of ter bevordering van de/het

(meermalen) te plegen misdrij(f)(ven) omschreven in artikel 83 en/of 157 en/of

176a en/of 176b en/of 289(a) en/of 288a van het Wetboek van Strafrecht, te

weten:

- moord en/of doodslag (te) begaan met een terroristisch oogmerk, en/of

- het opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweegbrengen, terwijl

daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk

letsel en/of levensgevaar voor een ander te duchten is (te) begaan met een

terroristisch oogmerk,

- een ander heeft trachten te bewegen om het misdrijf te plegen, te doen

plegen of mede te plegen, om daarbij behulpzaam te zijn of om daartoe

gelegenheid, middelen of inlichtingen te verschaffen en/of

- gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van het misdrijf

aan zich en/of anderen heeft verschaft en/of heeft trachten te verschaffen

en/of

- voorwerpen voorhanden heeft gehad waarvan hij wist dat zij bestemd zijn tot

het plegen van het misdrijf,

immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) tezamen en in vereniging

met elkaar, althans alleen, (telkens)

ten behoeve van een of meer (te plegen) aanslag(en) op een of meer locatie(s)

en/of een of meer perso(o)n(en) in Nederland, waarbij gebruik gemaakt zou moeten worden van een of meer Kalasjnikov(s), althans een of meer automatisch(e) (vuur)wapen(s) en/of een of meer (hand)vuurwapen(s) en/of een of meer bomvest(en) en/of een of meer (auto)bom(men) en/of een of meer handgrana(a)t(en)

A. zich het radicaal extremistisch gedachtegoed van de gewapende Jihadstrijd

met een terroristisch oogmerk eigen gemaakt, en/of

B. tijdens/middels een of meer ontmoeting(en) en/of telefonische en/of

digitale contact(en) (waaronder Telegram) (versluierd) gesproken over en/of

plannen gemaakt met betrekking tot (de voorbereiding van) een of meer (te

plegen) aanslag(en), en/of

C. een of meer perso(o)n(en) benaderd en/of laten benaderen om (gezamenlijk) een of meer aanslag(en) te plegen op een of meer locatie(s), en/of

D. zich laten informeren over en/of op internet gezocht naar (de levering van)

de grondstoffen voor een of meer autobom(men) en/of (de aanschaf van) de

grondstoffen voor explosieven in een of meer bomvest(en), en/of (de levering

van) een of meer Kalasjnikov(s), althans een of meer automatisch(e) vuurwapen(s) en/of (de levering van) een of meer (hand)vuurwapen(s) en/of (de levering van) een of meer handgrana(a)t(en), en/of

E. zich laten informeren door praktische handleidingen en instructies voor de jihad (te weten: hoe men in Syrië kan komen, hoe men communicatiemiddelen veilig kan gebruiken en beveiligen) en/of praktische handleidingen voor het vervaardigen en gebruiken van explosieven, voor het kiezen van het juiste mes voor het neersteken van een doelwit en voor de fysieke training van de strijder, en/of

F. (op internet) gezocht naar een of meer doel(en) en/of locatie(s) voor een

of meer (te plegen) aanslag(en), en/of

G. aangeschaft en/of laten leveren en/of voorhanden gehad een of meer

Kalasjnikov(s), althans een of meer automatisch(e) (vuur)wapen(s) en/of een

of meer (hand)vuurwapen(s) en/of grondstoffen voor een of meer (auto)bom(men) en/of grondstoffen voor explosieven voor in een of meer bomvest(en), te weten: kunstmest en/of zoutzuur en/of waterstofperoxide en/of aceton, en/of

H. zich laten trainen en/of geoefend in/met het gebruik van een of meer Kalasjnikov(s), althans een of meer automatisch(e) (vuur)wapen(s) en/of een of meer (hand)vuurwapen(s) en/of een of meer bomvest(en);

(art. 83, 96, 157, 176a, 176b, 288a, 289(a) Wetboek van Strafrecht)

2.

hij in of omstreeks de periode van 01 januari 2018 tot en met 27 september

2018 te Arnhem en/of Rotterdam en/of Huissen en/of Vlaardingen en/of Utrecht

en/of Weert en/of Breda en/of elders in Nederland,

met een of meer mededader(s), waaronder (in elk geval) [naam medeverdachte 4]

(geboren op [geboortedatum medeverdachte 4] ) en/of [naam medeverdachte 1] (geboren op [geboortedatum medeverdachte 1] )

en/of [naam medeverdachte 2] (geboren op [geboortedatum medeverdachte 2] ) en/of [naam medeverdachte 3]

(geboren op [geboortedatum medeverdachte 3] ) en/of [naam medeverdachte 5] (geboren op [geboortedatum medeverdachte 5] ),

heeft deelgenomen aan een organisatie, welke organisatie tot oogmerk had het

plegen van terroristische misdrijven, namelijk

A. het opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweegbrengen, terwijl

daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel

en/of levensgevaar voor een ander te duchten is en/of dit feit iemands dood

ten gevolge heeft (zoals bedoeld in artikel 157 Wetboek van Strafrecht), (te)

begaan net een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 176a van het

Wetboek van Strafrecht), en/of

B. doodslag (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in

artikel 288a van het Wetboek van Strafrecht), en/of

C. moord (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel

289 juncto 83 van het Wetboek van Strafrecht), en/of

D. de samenspanning en/of opzettelijke voorbereiding van en/of bevordering tot

eerdervermelde misdrijven (zoals bedoeld in artikel 176b en/of 289a en/of 96

lid 2), en/of

E. het voorhanden hebben van een of meer wapens en/of van munitie van de

categorieën II en/of III (zoals bedoeld in artikel 26 lid 1 van de Wet Wapens

en Munitie) (te) begaan met een terroristisch oogmerk en/of met het oogmerk om

een terroristisch misdrijf voor te bereiden of gemakkelijk te maken (zoals

bedoeld in artikel 55 lid 1 en/of lid 5 van de Wet Wapens en Munitie);

(art. 140a lid 1 Wetboek van Strafrecht)

3.

hij in of omstreeks de periode van 01 januari 2018 tot en met 27 september

2018 te Arnhem en/of Rotterdam en/of Huissen en/of Vlaardingen en/of Utrecht

en/of Weert en/of elders in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens)

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk

-zich en/of (een) ander(en) gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen

heeft verschaft en/of heeft trachten te verschaffen, en/of

-kennis en/of vaardigheden heeft verworven en/of (een) ander(en) heeft

bijgebracht tot het plegen van een terroristisch misdrijf en/of een misdrijf

ter voorbereiding en/of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf,

immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) tezamen en in vereniging

met elkaar, althans alleen,

A. zich laten trainen en/of geoefend in/met het gebruik van een of meer

Kalasjnikov(s), althans een of meer automatisch(e) (vuur)wapen(s) en/of een of

meer (hand)vuurwapen(s) en/of een of meer bomvest(en), en/of

B. zich laten informeren door praktische handleidingen en instructies voor de jihad (te weten: hoe men in Syrië kan komen, hoe men communicatiemiddelen veilig kan gebruiken en beveiligen) en/of praktische handleidingen voor het vervaardigen en gebruiken van explosieven, voor het kiezen van het juiste mes voor het neersteken van een doelwit en voor de fysieke training van de strijder;

(art. 134a Wetboek van Strafrecht)

1 Vgl. Hoge Raad, NJ 2002/626.

2 Vgl. Hoge Raad 20 oktober 1998, NJ 1999/64.

3 Vgl. Hoge Raad 29 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL0613, NJ 2010/441.

4 E-mails door de verdediging overgelegd op 3 februari 2020 en 9 juni 2020.

5 Op 8 augustus 2019 bij de politie en ter terechtzitting van 19 augustus 2019.

6 Procesdossier 26Orem, ZD 1, p. 4431.

7 Procesdossier 26Orem, ZD 1, p. 4431.

8 Procesdossier 26Orem, ZD 1, p. 4431.

9 Procesdossier 26Orem, ZD 1, p. 4432.

10 Procesdossier 26Orem, ZD 1, Proces-verbaal van digitaal onderzoek [naam onderzoek] iPhone 5, p 2047 e.v. en Aanvullend proces-verbaal van digitaal onderzoek [naam onderzoek] iPhone 5, p. 2063 e.v.

11 [naam verdachte] gebruikmakend van Facebook naam [facebooknaam] , aanschaf van wapens in Facebook gesprek versluierd als ‘kopen van snoep’.

12 Procesdossier 26Orem, ZD 1, p. 4032.

13 Procesdossier 26Orem, ZD 1, p. 4031 en 4033.

14 Procesdossier 26Orem, ZD 1, p. 650.

15 Procesdossier 26Orem, ZD 1, p. 652 en 653.

16 Procesdossier 26Orem, ZD 1, p. 654.

17 Procesdossier 26Orem, ZD 1, p. 774.

18 E-mails door de verdediging overgelegd op 3 februari 2020 en 9 juni 2020.

19 [naam verdachte] in verhoor d.d. 8 januari 2020: “Als ik het over candy had, voor mijn begrip, ik praat over wapen en aanslag.” ZD 1, p. 4592.

20 Wiens Facebook account ook gekoppeld worden aan accounts met de naam ‘ [naam 3] ’ erin.

21 [naam 1] maakt gebruik van een mailadres dat [naam account 1] aan [naam verdachte] heeft verstrekt.

22 E-mails door de verdediging overgelegd 9 juni 2020.

23 Procesdossier 26Orem, ZD 1, p. 1748.

24 Procesdossier 26Orem, ZD 1, p. 1749.

25 Hoge Raad 05 september 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV4122.

26 Hoge Raad 31 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:768.

27 Gerechtshof Den Haag 21 juni 2004, ECLI:NL:GHSGR:2004:AP3601, r.o. 4.3.9. gevolgd door de Hoge Raad in zijn arrest van 5 september 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV4122, NJ 2007/336 r.o. 2.4.

28 De Wiv 2017 is in werking getreden op 1 september 2017 (gedeeltelijk) en op 1 mei 2018 (volledig).

29 Kamerstukken II, 2016-2017, 34 588, nr. 3, p 5.

30 Kamerstukken II, 2016-2017, 34 588, nr. 3, p 6.

31 Kamerstukken II, 2016-2017, 34 588, nr. 3, p 153.

32 Laatste e-mail van [naam 1] en [naam 2] dateert van 24 september 2018, [naam verdachte] is 27 september 2018 aangehouden.

33 Vgl. gerechtshof Amsterdam 25 maart 2014, ECLI:NL:GHAMS:2014:915.

34 Vgl. Hoge Raad 5 september 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV4122, NJ 2007/336, r.o. 4.7.2 en 6.4.2.

35 Meer specifiek: van [naam 1] en [naam 2] die gerelateerd zijn aan de AIVD.

36 O.a. Hoge Raad 6 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:155.

37 O.a. Pătraşcu tegen Roemenië, EHRM 14 februari 2017, nr. 7600/09 en Ramanauskas tegen Litouwen 5 februari 2008, nr. 74420/01.

38 Vgl. Pătraşcu tegen Roemenië, EHRM 14 februari 2017, nr. 7600/09.

39 EHRM 4 november 2010, nr. 18757/06, par. 47 (Bannikova/Rusland).

40 EHRM 4 november 2010, nr. 18757/06, par. 38 (Bannikova/Rusland).

41 EHRM 26 oktober 2006, nr. 59696/00, par. 134 (Khudobin/Rusland).

42 EHRM 4 november 2010, nr. 18757/06, par. 38 (Bannikova/Rusland); EHRM (GK) 5 februari 2008, nr. 74420/01, par. 63-64 (Ramanauskas/Litouwen).

43 EHRM 9 juni 1998, nr. 44/1997/828/1034.

44 EHRM 29 september 2009, nrs. 23782/06 en 46629/06, par. 55 (Constantin & Stoian/Roemenië) en EHRM 4 november 2010, nr. 18757/06, par. 41 (Bannikova/Rusland): “a criminal conviction in the past [is] not by itself indicative of any ongoing criminal activity”.

45 EHRM 18 december 2014, nr. 14212/10, par. 86 (Scholer tegen Duitsland): “it proved that the applicant had already been involved in offences such as the one he was then suspected of.”.

46 Aldus A-G Knigge in zijn conclusie ECLI:NL:PHR:2017:878 (5.5. en 5.6.) onder Hoge Raad 6 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:155 (Winzip).

47 Aldus A-G Knigge in zijn conclusie ECLI:NL:PHR:2017:878 (5.13.) onder Hoge Raad 6 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:155 (Winzip).

48 Hoge Raad 6 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:155 (Winzip).

49 Aldus A-G Knigge in zijn conclusie ECLI:NL:PHR:2017:878 (6.5.) onder Hoge Raad 6 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:155 (Winzip).

50 Aldus A-G Knigge in zijn conclusie ECLI:NL:PHR:2017:878 (8.9.) onder Hoge Raad 6 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:155 (Winzip).

51 E-mails door de verdediging overgelegd op 9 juni 2020.

52 De letterlijke tekst van dit mailbericht is eerder in dit vonnis opgenomen bij de weergave van de mailwisseling tussen [naam verdachte] en [naam 1] / [naam 2] .

53 Procesdossier 26Orem, ZD1, p. 667 onderaan en 668.

54 Procesdossier 26Orem, ZD1, p. 668 t/m 671.

55 Procesdossier 26Orem, ZD1, p. 706 t/m 710.

56 Verklaring A-2363 ten overstaan van de rechter-commissaris op 19 februari 2020, p. 3 en verklaring A-2346 ten overstaan van de rechter-commissaris op 4 december 2019, p. 3.

57 Verklaring B-2870 ten overstaan van de rechter-commissaris op 19 februari 2020, p. 14.

58 Hoge Raad 5 september 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV4122.

59 Aldus A-G Bleichrodt in zijn conclusie ECLI:NL:PHR:2020:655.

60 Vgl. Hoge Raad 21 november 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY9670 waarin Hoge Raad de vraag of misbruik van controlebevoegdheden zou moeten leiden tot niet-ontvankelijkheid toetst aan de hand van het in de jurisprudentie over artikel 359a Sv ontwikkelde Zwolsman-criterium.

61 Vgl. Hoge Raad 30 maart 2004, NJ 2004, 376, rov. 3.6.5.

62 In totaal: 4 liter zoutzuur, 4250 ml waterstofperoxide en 27,5 liter aceton.

63 Vgl. Hoge Raad 22 januari 2008, NJ 2008,72.

64 Kamerstukken II 2001/02, 28463.

65 Vgl. onder meer gerechtshof Den Haag, 18 januari 2013, ECLI:NL:GHDA:2013:BZ6496.

66 Kamerstukken II, vergaderjaar 2008-2009, 31 386, nr. 12 (Brief van de Minister van Justitie), p. 5.

67 Hoge Raad 31 mei 2016, ECLI:NL:HR:2016:1011.

68 Kamerstukken II, vergaderjaar 2008-2009, 31 386, nr. 8 (Nota naar aanleiding van het verslag), p. 8.

69 Letterlijk: aanbidden van andere zaken dan God, toekennen goddelijke eigenschappen aan derden. Wordt ook gezien als afgoderij.