Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:8890

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
30-09-2020
Datum publicatie
12-10-2020
Zaaknummer
C/10/579387 / HA ZA 19-708
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Minnelijke schuldregelingsovereenkomst door schuldenaar juist nagekomen? Toezichthoudende taak gemeente. Schuldeiser vordert ontbinding en vernietiging wegens dwaling/bedrog door schuldenaar. Gebod aan schuldeiser om executie te staken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/579387 / HA ZA 19-708

Vonnis van 30 september 2020

in de zaak van

[eiser in conventie/verweerder in reconventie] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

advocaat mr. J.C. Koster te Delft,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

FACILITURE B.V.,

gevestigd te Burgh-Haamstede,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. A.H.F. Beiboer te Rotterdam.

Partijen zullen hierna [eiser in conventie/verweerder in reconventie] en Faciliture genoemd worden.

1. De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure in conventie en in reconventie blijkt uit:

- de inleidende dagvaarding van [eiser in conventie/verweerder in reconventie] van 17 juli 2019, met producties 1 t/m 11;

- de conclusie van antwoord in conventie, tevens conclusie van eis in reconventie van Faciliture, met producties 1 t/m 41,

- de oproepbrief van de rechtbank van 11 december 2019 voor de mondelinge behandeling,

- de brief van de rechtbank van 28 januari 2020 met zittingsagenda,

- de conclusie van antwoord in reconventie,

- de akte overlegging producties in conventie en in reconventie, tevens akte vermeerdering en wijziging van eis in reconventie van Faciliture, met producties (waaronder een usb-stick) 42 t/m 72,

- de akte aanvullende wijziging van eis in reconventie van Faciliture,

- een brief van mr. Beiboer, voornoemd, van 12 maart 2020 met bijlage,

- een B13-formulier (deponeren stukken/voorwerpen) van de zijde van [eiser in conventie/verweerder in reconventie] met de op 16 maart 2020 gedeponeerde productie 9,

- het proces-verbaal van de comparitie van partijen gehouden op 16 maart 2020 en de door de advocaten daarbij overgelegde spreekaantekeningen,

- een brief van mr. Beiboer van 7 april 2020.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1.

Bij vonnis van deze rechtbank van 15 juli 2009 is [eiser in conventie/verweerder in reconventie] bij verstek veroordeeld tot betaling aan Faciliture van een bedrag van € 140.732,10 met rente. De vordering van Faciliture vloeide voort uit een overeenkomst van aanneming van werk die gesloten was met een vennootschap waarvan [eiser in conventie/verweerder in reconventie] bestuurder was ten behoeve van de verbouwing van een door die vennootschap te exploiteren restaurant en een aan die vennootschap verstrekte geldlening. [eiser in conventie/verweerder in reconventie] had zich persoonlijk garant en hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor die vordering.

2.2.

Op 30 juli 2009 werd voormeld verstekvonnis door Faciliture aan [eiser in conventie/verweerder in reconventie] betekend. [eiser in conventie/verweerder in reconventie] bood toen geen verhaal. Faciliture is op betaling van haar vordering door [eiser in conventie/verweerder in reconventie] blijven aandringen.

2.3.

In 2012 heeft [eiser in conventie/verweerder in reconventie] zich gewend tot de gemeente Spijkenisse (nu: de gemeente Nissewaard, hierna: de gemeente) met het verzoek te bemiddelen tussen hem en zijn schuldeisers, onder wie Faciliture, en aldus een minnelijke regeling van zijn schuldenlast te bewerkstelligen.

2.4.

Bij brief van 16 augustus 2013 heeft de gemeente aan Faciliture een voorstel voor een minnelijke schuldregeling gedaan. Onder andere heeft zij daarin bericht:

“Hierbij delen wij u mee dat een overzicht is gemaakt van de schulden van bovengenoemde cliënt(en). Het schuldenpakket kan als volgt worden gespecificeerd:

1. juridisch preferente vorderingen € 175.759,00

15 concurrente vorderingen € 609.938,13

----------------

Totale schuldpositie € 785.697,13

Uw vordering is onder Concurrent opgenomen voor een bedrag van € 176.136,38.

Conform artikel 3.1 van de Gedragscode Schuldregeling van de Nederlandse Vereniging voor Volkskrediet (hierna te noemen de Gedragscode) hebben wij vastgesteld dat er sprake is van een problematische schuldsituatie. (…)

(…)

Volgens onze prognose zal voor uw vordering over een periode van 36 maanden € 1.826,53 worden gereserveerd, mits er voor het restant van de vordering finale kwijting wordt verleend. Dit is 1,04% van uw vordering.

Wij wijzen u er op dat bovengenoemd voorstel een prognose is en uiteindelijk lager of hoger kan worden, afhankelijk van de reserveringsmogelijkheden van cliënte(n) gedurende de looptijd van de schuldregeling.

Wij verzoeken u ons (…) mee te delen of u akkoord kunt gaan met dit betalingsvoorstel.”

2.5.

Bij brief van 29 augustus 2013 heeft (de advocaat van) Faciliture de gemeente meegedeeld in te stemmen met het in de brief van de gemeente van 16 augustus 2013 vervatte betalingsvoorstel.

2.6.

Op verzoek van [eiser in conventie/verweerder in reconventie] is bij vonnis van deze rechtbank van 28 juli 2014 aan een tweetal schuldeisers van [eiser in conventie/verweerder in reconventie] (ABN en PSA) met toepassing van artikel 287a Faillissementswet (Fw) bevolen in te stemmen met de door [eiser in conventie/verweerder in reconventie] aangeboden schuldregeling. In dat vonnis is door de rechtbank onder meer overwogen:

“De rechtbank stelt vast dat het voorstel is getoetst door een deskundige en onafhankelijke partij, te weten schuldhulpverlening. Voorts is het voorstel naar het oordeel van de rechtbank goed en controleerbaar gedocumenteerd. Voldoende aannemelijk is dat het voorstel het uiterste is waartoe verzoeker in staat moet worden geacht.

Door schuldhulpverlening is ter zitting verklaard dat er is voldaan aan alle waarborgen, die ervoor moeten zorgen dat verzoeker het maximale ten behoeve van zijn schuldeisers zal afdragen. Verzoeker zal gebruik gaan maken van financieel beheer. Het ontstaan van nieuwe schulden ligt niet in de rede.

Naar verwachting zal de uitwerking van het voorstel een gunstiger resultaat hebben voor de schuldeisers, dan in de situatie dat de schuldsanering op verzoeken van toepassing zou zijn, zoals subsidiair is verzocht. Uit het verzoekschrift en het verhandelde ter zitting is gebleken dat verzoeker fulltime werkt. Dit betekent dat verzoeker reeds voldoet aan de in de schuldsaneringsregeling bestaande arbeidsverplichting voor 36 uur per week. Bovendien zou toepassing van de schuldsanering aanzienlijke kosten met zich meebrengen, (…). Dit betekent dat toepassing van de schuldsaneringsregeling de schuldeisers minder zou opleveren dan bij het akkoord wordt aangeboden.

Op grond van het voorgaande komt de rechtbank dan ook tot het oordeel dat de belangen van verzoeker (…) zwaarder wegen dan die van ABN en PSA, die hebben geweigerd in te stemmen.”

2.7.

Bij brief van 19 augustus 2014 heeft de gemeente Faciliture geschreven dat alle schuldeisers akkoord zijn gegaan met de voorgestelde schuldregeling. Volgens een e‑mailbericht van de gemeente aan Faciliture van mei 2015 is met de reservering van gelden in het kader van de schuldregeling met ingang van 1 oktober 2014 door de gemeente gestart.

2.8.

In november 2015 en oktober 2016 heeft de gemeente aan Faciliture meegedeeld dat hercontroles zijn uitgevoerd en dat daaruit blijkt dat [eiser in conventie/verweerder in reconventie] de maximale aflossingscapaciteit heeft gereserveerd en zich aan alle afspraken omtrent de schuldbemiddeling heeft gehouden. Faciliture is vanaf oktober 2016 met de gemeente in contact getreden. Per e-mail van 6 april 2017 heeft de gemeente Faciliture voorzien van door [eiser in conventie/verweerder in reconventie] aan haar verstrekte nadere gegevens, onder meer bestaande uit een door [eiser in conventie/verweerder in reconventie] opgestelde Excelsheet.

2.9.

Per email van 10 april 2017 heeft de heer [naam persoon 1] , directeur en aandeelhouder van Faciliture, aan de gemeente geschreven:

“Na bestudering van de door u aan mij toegestuurde documenten, valt mij op dat het inkomen van de heer [eiser in conventie/verweerder in reconventie] in de loop van de schuldhulpverlening is verdubbeld. Ik leid dit af uit het volgende:

Volgens het Excel overzicht heeft [eiser in conventie/verweerder in reconventie] zijn eerste salaris ontvangen in maart 2014 ten bedrage van € 1.345,-. Vanaf mei 2014 is dit verhoogd naar € 1.450,- en vervolgens in november 2015 naar € 3.000,-.

U heeft altijd aangegeven dat de heer [eiser in conventie/verweerder in reconventie] een inkomen genoot van € 1.500,--.

Op grond van art. 6 van de Wet Gemeentelijke Schuldhulpverlening had de heer [eiser in conventie/verweerder in reconventie] u moeten informeren - gevraagd dan wel uit eigen beweging - omtrent deze inkomenstoename.

(…)

Gelet op het feit dat de inkomsten van de heer [eiser in conventie/verweerder in reconventie] zijn verdubbeld, is zijn reserveringscapaciteit navenant toegenomen. Hierdoor dient het uiteindelijk resultaat hoger te worden indachtig het aanbod, waarmee ik indertijd heb ingestemd. Om die reden verzoek ik u dienovereenkomstig ervoor zorg te dragen dat deze verdubbeling van inkomsten ten voordele van de schuldeisers, ten wiens dienste de schuldhulpverlening mede is aangegaan, gaat strekken.

(…)

Graag ontvang ik dienovereenkomstig een nieuw voorstel van u tot positieve bijstelling van de eerder door u afgegeven prognose welk deel van de schuld middels de schuldhulpverlening zal worden voldaan onder overlegging van eventuele aanvullende onderliggende stukken ter verifiëring.”

2.10.

Nadat mr. Beiboer, advocaat van Faciliture, de gemeente had benaderd, heeft de gemeente per e-mailbericht van 31 mei 2017, voor zover van belang, haar geschreven:

“Wij hebben uw e-mail in goede orde ontvangen. Als reactie kan ik alvast meegeven dat wij inderdaad het dossier niet zullen sluiten zonder eerst met een voorstel te komen naar de heer [naam persoon 1] . Overigens wil ik opmerken dat de heer [naam persoon 1] een ons inziens verkeerde aanname doet door te stellen dat het inkomen van de heer [eiser in conventie/verweerder in reconventie] is toegenomen van € 1.450 naar € 3.000. Dat zijn namelijk de bedragen die door de detacheerder in rekening zijn

gebracht bij de inlener. De heer [eiser in conventie/verweerder in reconventie] heeft als verklaring gegeven dat in dat bedrag ook de kosten van de inlener zijn meegenomen, waarbij hij opmerkt dat de inlener (destijds zijn vriendin, nu zijn vrouw) er gedurende de facturatie van het bedrag van € 1.450 maandelijks geld op toelegde.

Wij zijn echter van mening dat meneer gezien zijn werkzaamheden te lang geen marktconform salaris heeft genoten. Ook daar heeft meneer [eiser in conventie/verweerder in reconventie] echter een verklaring voor en dat is dat zijn werkgever tot op heden nog altijd rode cijfers schrijft. De toekomst ziet er wat dat betreft echter gunstiger uit en de inlener ( Onder de Boompjes ) zou nu overwegen om het salaris van meneer te verhogen. Gezien de resterende duur van de schuldregeling kunnen de schuldeisers hier echter maar minimaal van profiteren. Om de schuldeisers tegemoet te komen willen wij daarom de duur van de schuldregeling verlengen. Dhr. [eiser in conventie/verweerder in reconventie] heeft aangegeven dat hij de gelden van de verlenging (niet uit eigen middelen) in één keer beschikbaar wil stellen. Volledigheidshalve wil ik aangeven dat het bedrag niet alleen ten goede zal komen aan de heer [naam persoon 1] , maar na rato van de hoogte van de vordering verdeeld zal worden onder alle schuldeisers. Het is nu echter nog wachten op stukken van de heer [eiser in conventie/verweerder in reconventie] waaruit het nieuwe nettosalaris blijkt, zodat de hoogte van dit bedrag vastgesteld kan worden. (…)”

2.11.

In een e-mail van 26 juli 2017 heeft de gemeente aan mr. Beiboer meegedeeld:

“De heer [eiser in conventie/verweerder in reconventie] heeft inmiddels alle door ons opgevraagde stukken ingeleverd. Ons zijn geen onregelmatigheden opgevallen en meneer heeft wat ons betreft dan ook aan al zijn verplichtingen voldaan. Er was sprake van dat de heer [eiser in conventie/verweerder in reconventie] een hoger salaris zou gaan ontvangen. De heer [eiser in conventie/verweerder in reconventie] heeft inmiddels aangegeven dat hier (voorlopig) toch geen sprake van zal zijn. Gezien zijn totale schuldenlast en de hoogte van het bedrag dat hij

conform de minnelijke schuldregeling uiteindelijk aflost aan zijn schuldeisers, is de heer [eiser in conventie/verweerder in reconventie] bereid zijn schuldeisers en derhalve ook de heer [naam persoon 1] tegemoet te komen en een extra bedrag van € 5.000 ter beschikking stellen voor zijn schuldeisers. Meneer verkrijgt dit bedrag middels leningen van zijn vrouw en familie. Meneer is conform de NVVK regels niet verplicht dit extra bedrag ter beschikking te stellen.

Bijgevoegd treft u een excelsheet aan met een berekening van de verdeling van het bedrag van € 5.000 over alle aanwezige schuldeisers. Hieruit kunt u opmaken dat Hart Advocaten, de heer [naam persoon 1] derhalve, een bedrag van € 1.081,81 extra tegemoet kan zien.

Wij hopen, mede namens de heer [eiser in conventie/verweerder in reconventie] , dat de heer [naam persoon 1] akkoord kan gaan met dit aanbod. De Gemeente Nissewaard ziet geen redenen het dossier van de heer [eiser in conventie/verweerder in reconventie] voortijdig te beëindigen. Mocht de heer [naam persoon 1] van mening zijn dat de heer [eiser in conventie/verweerder in reconventie] niet voldoet aan zijn inspanningsverplichting, dan wel niet te goeder trouw heeft gehandeld, dan staat het hem vrij om juridische stappen te nemen, waarvan hij denkt dat die in zijn mogelijkheden liggen. De bewijslast ligt in dat geval bij de heer [naam persoon 1] .

Graag verneem ik uw reactie op het voorstel.”

2.12.

Bij brief van 28 augustus 2017 heeft mr. Beiboer de gemeente namens Faciliture verzocht de schuldregeling van [eiser in conventie/verweerder in reconventie] te beëindigen. Daarbij deelde zij mee dat Faciliture, voor zover rechtens vereist, in ieder geval de medewerking aan de schuldregeling introk en geen medewerking zou verlenen aan een algehele finale kwijting. Ter onderbouwing van het verzoek tot beëindiging van de schuldregeling van [eiser in conventie/verweerder in reconventie] schrijft mr. Beiboer, onder meer:

“In casu is aan [cliënte] een prognose indertijd voorgehouden in het kader van de schuldbemiddeling die uiteindelijk hoger of lager zou kunnen uitvallen. Cliënte is ervan overtuigd dat het prognosebedrag fors naar boven dient te worden bijgesteld omdat de heer [eiser in conventie/verweerder in reconventie] zich niet tijdens de schuldregeling tot het uiterste heeft ingespannen om het meest maximaal haalbare resultaat voor de schuldeisers in het kader van de schuldbemiddeling te bereiken binnen de mogelijkheden die hij had. Zoals hieronder nader zal worden toegelicht en ik u ook woensdag 23 augustus jl. telefonisch heb uitgelegd, is het de keuze van de heer [eiser in conventie/verweerder in reconventie] zelf geweest om voor een zeer lage – absoluut niet bij zijn functie als manager passende – vergoeding te worden uitgeleend door het bedrijf van zijn echtgenote, met welke lage vergoeding hij zeker niet al die jaren genoegen had genomen indien deze uitlening geschiedde door een willekeurig ander dan het bedrijf van zijn echtgenote.

(…)

Uit het van u op 6 april 2017 ontvangen Excel overzicht blijkt dat de heer [eiser in conventie/verweerder in reconventie] zijn eerste salaris heeft ontvangen in maart 2014 ten bedrage van € 1.345,--. Vanaf mei 2014 is dit verhoogd naar € 1.450,- en vervolgens in november 2015 naar € 3.000,--. (…) Feit is dat er sprake is van een verdubbeling van de vergoeding voor de door de heer [eiser in conventie/verweerder in reconventie] geleverde diensten.

(…)

Door deze hogere vergoeding - blijkens uw stellingen - niet voor zichzelf te bedingen, heeft de heer [eiser in conventie/verweerder in reconventie] verwijtbaar gehandeld. Immers hierdoor heeft de heer [eiser in conventie/verweerder in reconventie] ten nadele van de schuldeisers voor zijn werkzaamheden geen marktconform salaris genoten. Indien zijn werkgever niet zijn echtgenote was geweest, had hij hiermee nimmer genoegen genomen. De hogere vergoeding van de inlener is thans - volgens uw stellingen - uitsluitend ten goede gekomen aan het bedrijf van zijn echtgenote, van wiens inkomensverbetering de heer [eiser in conventie/verweerder in reconventie] hoogstwaarschijnlijk wel profiteert via de huwelijkse samenleving met haar, maar de schuldeisers van de heer [eiser in conventie/verweerder in reconventie] niet.

Daarmee staat vast dat de heer [eiser in conventie/verweerder in reconventie] niet de maximale aflossingscapaciteit heeft gereserveerd die hij had kunnen reserveren indien hij wel een marktconform salaris had geëist.

Bovendien heeft de heer [eiser in conventie/verweerder in reconventie] blijkens zijn excell overzicht nieuwe kosten gemaakt, die zich niet verdragen met zijn positie als schuldenaar tijdens een schuldregeling. (…)

Aldus heeft de heer [eiser in conventie/verweerder in reconventie] uitgaven gedaan voor een totaalbedrag van € 16.598,-- waarvan volstrekt onduidelijk is hoe hij deze uitgaven heeft kunnen doen indachtig het geringe inkomen dat hij volgens zijn zeggen zou genieten. Daarmee staat bovendien vast dat zijn vermogenspositie veel rianter was dan hij doet voorkomen en hadden deze gelden ter aflossing van de schulden aan de schuldeisers dienen te worden aangewend. Indien hij hiertoe gelden heeft geleend, had hij u daarover vooraf moeten informeren nu hierdoor nieuwe schulden zijn ontstaan tijdens de schuldregeling, die juist ziet op afdoening van oude schulden, zodat de schuldenaar er uiteindelijk schuldenvrij uitkomt. (…)
(…)
Zowel op grond van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening als uw beleidsregels had de heer [eiser in conventie/verweerder in reconventie] u over de inkomensstijging dan wel het afzien daarvan door hem en zijn optimale verdiencapaciteit vooralsnog niet te willen benutten en voornoemde uitgaven / nieuwe schulden zelfstandig moeten informeren. Door de enkele omstandigheid dat hij dit heeft nagelaten, verkeert hij in gebreke en geeft u dit het recht om de schuldbemiddeling te beëindigen (art. 7 sub g van uw beleidsregels). Bovendien bent u eerst na informatie van mijn cliënte nader onderzoek gaan instellen naar de verdiensten van de heer [eiser in conventie/verweerder in reconventie] , waarover hij u voordien – oftewel reeds 2 1/2 jaar sinds de schuldregeling loopt – niet door de heer [eiser in conventie/verweerder in reconventie] zelfstandig bent geïnformeerd.

2.13.

Bij brief van 17 oktober 2017 heeft de gemeente Faciliture meegedeeld dat zij geen gehoor geeft aan het verzoek om de schuldbemiddeling van [eiser in conventie/verweerder in reconventie] (voortijdig) te beëindigen. Volgens de gemeente had [eiser in conventie/verweerder in reconventie] wel voldaan aan al zijn verplichtingen. De gemeente schrijft Faciliture dat [eiser in conventie/verweerder in reconventie] de door haar opgevraagde stukken heeft ingeleverd en dat uit die stukken geen onregelmatigheden zijn gebleken.

2.14.

Bij besluit van 17 oktober 2017 heeft de gemeente de schuldbemiddeling van [eiser in conventie/verweerder in reconventie] beëindigd op de grond dat hij de schuldbemiddeling heeft doorlopen.

Bij brief van diezelfde datum is aan de schuldeisers van [eiser in conventie/verweerder in reconventie] , onder wie Faciliture, meegedeeld dat [eiser in conventie/verweerder in reconventie] heeft voldaan aan de verplichtingen die voortvloeien uit de schuldregeling. In de brief is vermeld dat voor alle schuldeisers in totaal € 19.486,90 is gereserveerd. Voor Faciliture resulteerde dat in de uitbetaling van een bedrag van € 4.386,99.

2.15.

Tegen de aan haar gerichte brieven van 17 oktober 2017 van de gemeente heeft Faciliture een bezwaarschrift ingediend. Bij beslissing van 3 mei 2018 heeft de gemeente dit bezwaar niet ontvankelijk verklaard op de grond dat de weigering van de gemeente om gehoor te geven aan een verzoek van één van de schuldeisers om een lopende schuldbemiddeling voortijdig te beëindigen, geen besluit is als bedoeld in de Algemene wet bestuursrecht omdat daaruit voor die schuldeiser geen publiekrechtelijke rechtsgevolgen voortvloeien.

2.16.

Op 3 april 2018 heeft Faciliture uit hoofde van het verstekvonnis van 15 juli 2009 ten laste van [eiser in conventie/verweerder in reconventie] executoriaal derdenbeslag gelegd op diens bankrekening.

2.17.

[eiser in conventie/verweerder in reconventie] heeft in kort geding de opheffing van het voormelde gelegde executoriale derdenbeslag gevorderd. Bij vonnis van 14 februari 2019 heeft de voorzieningenrechter in deze rechtbank deze vordering van [eiser in conventie/verweerder in reconventie] afgewezen.

2.18.

Faciliture heeft hierna ten laste van [eiser in conventie/verweerder in reconventie] diverse andere executoriale beslagen onder derden gelegd.

3. Het geschil

in conventie

3.1.

[eiser] vordert - samengevat - dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

  1. voor recht verklaart dat door het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 augustus (naar de rechtbank begrijpt: juli) 2014 tussen partijen een schuldenregelingsovereenkomst ex artikel 287a FW is overeengekomen nu Faciliture ex artikel 6:217 BW het aanbod namens [eiser] van de schuldenregelingsovereenkomst heeft aanvaard;

  2. voor recht verklaart dat [eiser] heeft voldaan aan op hem rustende verplichtingen uit hoofde van deze schuldenregelingsovereenkomst nu aan hem door de gemeente Nissewaard een ‘schone lei’ is verstrekt;

  3. Faciliture opdraagt de executie van het vonnis van 15 juli 2009 te staken en gestaakt te houden op straffe van een dwangsom van € 1000,- per dag met een maximum van € 250.000,- voor ieder(e) dag(deel) dat Faciliture na betekening van het ten deze te wijzen vonnis voortgaat met ten uitvoerlegging van voormeld vonnis van 15 juli 2009;

  4. Faciliture opdraagt om alle ten laste van [eiser] onder derden van welke aard ook gelegde beslagen op te heffen en opgeheven te houden op straffe van een dwangsom van € 1000,- per dag met een maximum van € 250.000,- voor ieder(e) dag(deel) dat Faciliture na betekening van het ten deze te wijzen vonnis voortgaat met ten uitvoerlegging van voormelde beslagen,

  5. Faciliture veroordeelt tot terugbetaling ex artikel 6:203 BW aan eiser van alle bedragen die na het einde van de MSNP als gevolg van derden(beslagen) die na betekening van het vonnis van 15 juli 2009 door Faciliture doel hebben getroffen ten laste van eiser,

  6. voor recht verklaart dat Faciliture onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser] door over te gaan tot tenuitvoerlegging van het vonnis van 15 juli 2009 na afronding van de procedure MSNP en Faciliture veroordeelt tot schadevergoeding nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum dagvaarding tot aan de datum van algehele voldoening

met veroordeling van Faciliture in de kosten van de procedure.

3.2.

Faciliture voert verweer. Zij concludeert tot afwijzing van die vorderingen, met veroordeling van [eiser] in de proceskosten in conventie, de door haar gemaakte deskundigenkosten daaronder begrepen, en in de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na het wijzen van het vonnis, indien tijdige betaling in der minne binnen deze termijn uitblijft.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.4.

Faciliture vordert, in reconventie, - na eiswijziging - dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

  1. primair voor recht verklaart dat Faciliture rechtsgeldig is bevrijd althans niet meer is gebonden aan de overeenkomst betreffende de schuldregeling althans het schuldhulptraject van [verweerder] vanaf 28 augustus 2017 c.q. 29 januari 2019 althans (de rechtbank leest:) vanaf een door de rechtbank in goede justitie vast te stellen datum en/of dat het Faciliture vrijstaat bevoegdelijk gebruik te maken van haar recht tot executie van het vonnis van 15 juli 2009 vanaf een door uw rechtbank in goede justitie vast te stellen datum; subsidiair de hiervoor bedoelde overeenkomst (partieel) ontbindt dan wel meer subsidiair (partieel) vernietigt tegen een in goede justitie vast te stellen datum, althans
    primair voor recht verklaart dat een tussen Faciliture door tussenkomst van de gemeente Nissewaard met [verweerder] gesloten overeenkomst betreffende de schuldregeling althans het schuldhulptraject van [verweerder] per 28 augustus 2017 c.q. 29 januari 2019 althans tegen een door de rechtbank in goede justitie vast te stellen datum is beëindigd c.q. ontbonden dan wel vernietigd; subsidiair voornoemde overeenkomst (partieel) ontbindt dan wel meer subsidiair (partieel) vernietigt tegen een door de rechtbank in goede justitie vast te stellen datum,

  2. voor recht verklaart dat [verweerder] onrechtmatig heeft gehandeld jegens Faciliture door onder meer beslaglegging op roerende zaken hem toebehorende te frustreren, in de jaren voorafgaand aan het schuldhulptraject onder meer door inschrijving in de registers van de burgerlijke stand op een ander adres dan hij werkelijk woonachtig is met het oogmerk aan beslaglegging op zijn vermogensbestanddelen te ontkomen en thans in of omstreeks 1 april 2019 wederom door zijn kantoorinventaris onder te brengen in een rechtspersoon, te weten [naam bedrijf] ;

  3. voor recht verklaart dat [verweerder] zich schuldig heeft gemaakt aan paulianeus handelen jegens Faciliture althans zich schuldig heeft gemaakt en nog maakt aan onrechtmatig handelen door onder meer een doeltreffende executoriale beslaglegging door Faciliture ten laste van [verweerder] te voorkomen c.q. te frustreren door zijn werkzaamheden die hij eerst als ondernemer zelfstandig uitvoerde, voort te zetten in een daartoe speciaal opgerichte rechtspersoon tegen een beperkt aantal diensturen en daarbij gebruikt maakt van een stroman, te weten zijn echtgenote mevrouw [naam persoon 2] die deze rechtspersoon [naam bedrijf] daartoe bepaaldelijk heeft opgericht en de uiteindelijk directeur grootaandeelhouder van deze rechtspersoon c.q. personen is,

  4. voor recht verklaart dat [verweerder] jegens Faciliture onrechtmatig heeft gehandeld door een op hem rustende dwingende rechtsplicht tot betaling aan Faciliture te omzeilen door zich onder meer te verschuilen achter de rechtspersoonlijkheid van een door zijn echtgenote mevrouw [naam persoon 2] nieuw opgerichte rechtspersoon, en zijn bedrijfsactiviteiten onder te brengen in deze rechtspersoon [naam bedrijf] en/of aldaar tegen een zeer beperkt aantal uren in dienst te treden, beiden met het oogmerk om verhaal op zijn inkomen- en vermogensbestanddelen te voorkomen.

  5. [verweerder] verbiedt zich schuldig te maken aan onrechtmatige gedragingen zoals beschreven in het petitum onder 2, 3 en 4 op straffe van verbeurte van een dwangsom ten bedrage van € 2.500,— per overtreding en voor iedere dag, een deel van de dag daaronder begrepen, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, voor elke dag dat [verweerder] in gebreke blijft aan deze veroordeling te voldoen;

  6. [verweerder] veroordeelt tot betaling van een schadevergoeding aan Faciliture, welke schadevergoeding nader dient te worden opgemaakt bij staat en te worden vereffend volgens de wet, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 april 2019 althans vanaf de dag der instelling van deze eis in rechte tot de dag der algehele voldoening,

met veroordeling van [verweerder] in de proceskosten, de kosten van de door haar gemaakte deskundigenkosten en de nakosten daaronder begrepen, te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskosten en nakosten vanaf 14 dagen na het wijzen van het vonnis, indien tijdige betaling in der minne binnen deze termijn uitblijft.

3.5.

[verweerder] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van Faciliture in de kosten van de procedure, uitvoerbaar bij voorraad.

3.6.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

in conventie en in reconventie

4.1.

Het gaat in deze zaak om de vraag of Faciliture het ten gunste van haar jegens [eiser in conventie/verweerder in reconventie] gewezen (verstek)vonnis van 15 juli 2009, strekkende tot veroordeling van € 140.732,10 in hoofdsom, tegen [eiser in conventie/verweerder in reconventie] ten uitvoer mag leggen, in aanmerking genomen dat Faciliture in 2013 heeft ingestemd met een door de gemeente op grond van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening voor [eiser in conventie/verweerder in reconventie] voorgestelde minnelijke schuldregeling, waarvan de gemeente op 17 oktober 2017 heeft vastgesteld dat die door [eiser in conventie/verweerder in reconventie] zonder onregelmatigheden en voldaan hebbend aan al zijn verplichtingen was doorlopen en daarom werd beëindigd, waarna aan de schuldeisers, onder wie Faciliture, een uitkering naar rato van hun vorderingen is gedaan. Vast staat dat Faciliture bij het aangaan van de minnelijke schuldregeling akkoord is gegaan met een uitkering aan haar tegen finale kwijting van € 1.826,53 en dat aan het eind van de schuldregeling door de gemeente aan haar een bedrag van € 4.386,99 is uitgekeerd.

4.2.

[eiser in conventie/verweerder in reconventie] voert, samengevat, aan dat de verwijten die Faciliture hem maakt ongegrond zijn. De kern van zijn stellingen en verweer is dat de gemeente volledig op de hoogte was van zijn (financiële) situatie en dat de gemeente als gekwalificeerde en onafhankelijke deskundige, na kennisneming van alle van belang zijnde stukken, heeft geoordeeld dat [eiser in conventie/verweerder in reconventie] de verplichtingen uit de schuldregeling is nagekomen. Op grond daarvan moet Faciliture haar hiervoor genoemde toezegging om hem finale kwijting te verlenen, nakomen.

4.3.

Faciliture stelt, samengevat, dat zij niet (langer) aan de voormelde schuldregelingsovereenkomst is gebonden en dat zij haar (bij de totstandkoming van die overeenkomst gedane) toezegging om finale kwijting te verlenen als [eiser in conventie/verweerder in reconventie] de regeling zou hebben doorlopen, niet behoeft na te komen, omdat [eiser in conventie/verweerder in reconventie] niet heeft voldaan aan de verplichtingen die voor hem op grond van de schuldregelingsovereenkomst golden en dat zij de schuldregelingsovereenkomst dus rechtsgeldig kon en mocht ontbinden. In dat kader voert Faciliture onder andere aan dat [eiser in conventie/verweerder in reconventie] niet alleen haar, Faciliture, maar ook de gemeente en de rechtbank, zowel bij het aangaan van de schuldregeling als tijdens de loop daarvan, heeft misleid en bedrogen. Faciliture beroept zich mede om die reden, subsidiair, op dwaling en bedrog en vordert zij vernietiging van de schuldregelingsovereenkomst.

Algemeen

4.4.

Voorop gesteld wordt dat een minnelijke schuldregeling als hier aan de orde een meerpartijenovereenkomst is als bedoeld in onder andere artikel 6:213 lid 2 en 6:279 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Faciliture heeft op grond van die bepalingen in beginsel de bevoegdheden die aan contractspartijen bij wederkerige overeenkomsten toekomen, tenzij, kort gezegd, de aard van de overeenkomst zich daartegen verzet. Aangenomen wordt dat een schuldeiser een schuldregelingsovereenkomst wegens een tekortkoming van de schuldenaar in de nakoming van zijn daaruit voortvloeiende verplichtingen mag ontbinden (artikel 6:265 BW) of deze wegens dwaling (artikel 6:228 BW) of bedrog (artikel 3:44 BW) mag vernietigen, zo daartoe genoegzame gronden zijn. Ontbinding dan wel vernietiging zal een bevrijding van de verplichting voor de desbetreffende schuldeiser inhouden om finale kwijting te verlenen aan de schuldenaar en het terugkrijgen van de bevoegdheid om zijn vordering op de schuldenaar te verhalen. In deze procedure moet worden vastgesteld of, zoals door Faciliture is gesteld maar door [eiser in conventie/verweerder in reconventie] is weersproken, voor vernietiging wegens dwaling/bedrog dan wel ontbinding voldoende grond bestaat.

Beroep op dwaling en bedrog

4.5.

De rechtbank ziet aanleiding om eerst het - subsidiaire - beroep van Faciliture op dwaling en bedrog te bespreken. Deze leerstukken zien op de totstandkoming van in dit geval de schuldregelingsovereenkomst tussen partijen en het beroep van Faciliture op dwaling en bedrog leent zich daarom ervoor om als eerste te worden besproken.

4.6.

Aan haar stellingen dat van bedrog door [eiser in conventie/verweerder in reconventie] en dwaling aan haar zijde bij de totstandkoming van de schuldregelingsovereenkomst sprake is geweest, legt Faciliture, zakelijk samengevat, de volgende twee stellingen ten grondslag.
(i) [eiser in conventie/verweerder in reconventie] is in het voorjaar van 2012 in Delft gaan samenwonen met zijn toenmalige vriendin, sinds 2 september 2015 zijn echtgenote, [naam persoon 2] . [eiser in conventie/verweerder in reconventie] heeft bewust nagelaten deze adreswijziging door te geven aan de gemeente althans hij heeft zich daar ten onrechte niet uitgeschreven. Als [eiser in conventie/verweerder in reconventie] dit wel had gedaan, hetgeen hij had behoren te doen, had de gemeente zijn verzoek om schuldhulpverlening niet in behandeling genomen op grond van artikel 2 van de beleidsregels van de gemeente, dat bepaalt dat de doelgroep van gemeentelijke schuldbemiddeling inwoners van de gemeente zijn. Bovendien heeft het er toe geleid dat schuldeisers, zoals Faciliture, hebben afgezien van het leggen van verhaalsbeslag op zijn bezittingen.

(ii) [eiser in conventie/verweerder in reconventie] is per 1 november 2012 bij zijn toenmalige vriendin in dienst getreden als oproepkracht op basis van nul-uren contract met een uurvergoeding van € 8,84 bruto en is gedetacheerd bij Distilleerderij Onder de Boompjes BV (hierna: ODB), een in april 2011 opgerichte vennootschap van [naam persoon 3] , met wie [eiser in conventie/verweerder in reconventie] in 2011 in contact is gekomen. Volgens de arbeidsovereenkomst, die volgens Faciliture overigens pas op 25 juni 2017 is opgemaakt, zou [eiser in conventie/verweerder in reconventie] woonachtig zijn in Spijkenisse in zijn ouderlijk huis, terwijl hij bij aanvang van de arbeidsovereenkomst al ruim een half jaar in Delft met zijn toenmalige vriendin samenwoonde. De verschillende adressen heeft tot gevolg gehad dat de gemeente niet kon zien dat [eiser in conventie/verweerder in reconventie] feitelijk werkte voor zijn vriendin in plaats van een onafhankelijke derde. [eiser in conventie/verweerder in reconventie] heeft dus, aldus Faciliture, tegenover de gemeente niet transparant gehandeld.

Onjuiste woonplaatsvermelding?

4.7.

Voor de eerste stelling heeft Faciliture geen bewijs geleverd. De door Faciliture overgelegde facebook-pagina’s van de levenspartner van [eiser in conventie/verweerder in reconventie] bewijzen niet dat [eiser in conventie/verweerder in reconventie] in maart 2012 in Delft met haar is gaan samenwonen. De enkele mededeling daarin dat “wij” zijn verhuisd, is onvoldoende om die conclusie te trekken. [eiser in conventie/verweerder in reconventie] heeft betwist bij zijn vriendin te zijn gaan wonen, juist omdat hij wilde voorkomen dat ook op haar bezittingen beslag zou worden gelegd door zijn schuldeisers. Deze verklaring komt niet onaannemelijk voor omdat vast staat dat Faciliture juist in die periode actief verhaal trachtte te zoeken op [eiser in conventie/verweerder in reconventie] . Uit de schriftelijke reactie die [eiser in conventie/verweerder in reconventie] in reactie op de conclusie van antwoord in kort geding van Faciliture heeft gegeven (productie 7 bij conclusie van antwoord Faciliture), kan niet een erkenning door [eiser in conventie/verweerder in reconventie] van de juistheid van de stelling van Faciliture worden afgeleid. [eiser in conventie/verweerder in reconventie] verklaart daarin dat de stelling onder 13 van de conclusie van antwoord van Faciliture in kort geding klopt, maar laat daarop volgen (dat het juist is) dat zijn partner toen in dat huis in Delft is ingetrokken en dus geenszins dat hij dat toen ook gedaan heeft (zie ook de reactie van [eiser in conventie/verweerder in reconventie] onder 22 en 29). Dat [eiser in conventie/verweerder in reconventie] feitelijk veel bij zijn partner zal hebben verbleven, maakt dit niet anders. Volgens Faciliture bewijst de berekening van augustus 2013 van het VTLB (‘vrij te laten bedrag’) dat [eiser in conventie/verweerder in reconventie] de gemeente niet heeft geïnformeerd over zijn samenwoning met [naam persoon 2] , omdat daarin wordt uitgegaan van een woonsituatie “geen partner, zonder kinderen”. Deze opgave strookt echter met de verklaring van [eiser in conventie/verweerder in reconventie] dat hij formeel nog woonachtig was op het adres van zijn ouders, waar hij een kamer huurde, zoals ook is vastgelegd in de door Faciliture overgelegde schriftelijke huurovereenkomst. Dat [eiser in conventie/verweerder in reconventie] een onjuiste opgave heeft gedaan van zijn woonsituatie is niet komen vast te staan.

Verzwijging van “payrolling” door echtgenote?

4.8.

Ook de tweede stelling wordt door Faciliture ter onderbouwing van het beroep op bedrog of dwaling tevergeefs geponeerd. [eiser in conventie/verweerder in reconventie] heeft nadrukkelijk tegengesproken dat hij de gemeente niet heeft geïnformeerd over zijn indiensttreding bij zijn vriendin, latere echtgenote, en dat hij door haar tewerk werd gesteld/‘gepayrolled’ bij ODB. Hij heeft aangevoerd dat hij dat met zoveel woorden in de aanvraag van de schuldhulpverlening heeft vermeld. [eiser in conventie/verweerder in reconventie] verwijst daarvoor naar productie A die hij bij zijn in de kortgedingprocedure overgelegde schriftelijke reactie op de conclusie van antwoord van Faciliture in kort geding heeft gevoegd. Deze productie betreft een uitvoerige schriftelijke toelichting van [eiser in conventie/verweerder in reconventie] op het ontstaan van zijn schuldenproblematiek, bestemd voor de schuldeisers en de rechter. Onder meer vermeldt [eiser in conventie/verweerder in reconventie] daarin expliciet dat hij bij ODB niet op de loonlijst stond, omdat [naam persoon 3] , directeur en eigenaar van ODB, dat te risicovol vond voor de kort daarvoor door hem opgerichte onderneming en dat daarom ervoor is gekozen om [eiser in conventie/verweerder in reconventie] via de eenmanszaak van zijn toenmalige vriendin aan ODB te “payrollen”, waardoor hij de continuïteit van zijn salaris kon waarborgen en zijn werkgever te vriend kon houden. Faciliture heeft niet onderbouwd dat de gemeente van een en ander niet op de hoogte was. Het had op de weg van Faciliture gelegen die onderbouwing wel te verschaffen, te meer nu de gemeente heeft verklaard onderzoek te hebben gedaan naar de aantijgingen van Faciliture aan het adres van [eiser in conventie/verweerder in reconventie] en desalniettemin tot de conclusie is gekomen dat [eiser in conventie/verweerder in reconventie] zijn (informatie- en inspannings)verplichtingen niet heeft geschonden. Zij zou de gemeente hebben kunnen verzoeken zich te verklaren over de vraag of het haar bekend was dat [eiser in conventie/verweerder in reconventie] bij zijn vriendin in dienst was. Geconcretiseerd bewijs van de stelling dat de gemeente daarvan niet op de hoogte was door middel van het horen van getuigen heeft Faciliture niet aangeboden en de rechtbank ziet geen aanleiding Faciliture ambtshalve tot bewijs daarvan toe te laten.

4.9.

De slotsom is dat het beroep van Faciliture op bedrog en dwaling moet worden verworpen. Voor een succesvol beroep op dwaling heeft Faciliture overigens sowieso te weinig aangevoerd, aangezien op geen enkele wijze blijkt dat zij zich heeft laten informeren over de inkomstenbronnen van [eiser in conventie/verweerder in reconventie] toen zij het besluit nam in te stemmen met de door de gemeente voorgestelde minnelijke schuldregeling. De gestelde dwaling komt daarom voor haar risico.

Ontbinding van de schuldregelingsovereenkomst wegens tekortkoming in de nakoming?

4.10.

Volgens Faciliture is [eiser in conventie/verweerder in reconventie] tijdens de duur van de schuldregeling (in ernstige mate) tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichtingen en rechtvaardigt dit de ontbinding van de schuldregelingsovereenkomst. Ter zake poneert Faciliture een groot aantal verschillende stellingen. De rechtbank heeft deze stellingen gepoogd te ordenen en aan de hand van die ordening zullen deze stellingen, voor zover daaraan door Faciliture een duidelijke conclusie is verbonden, hieronder worden besproken.

Bewust te laag salaris/te lage detacheringsvergoeding?

4.11.

Het eerste hoofdverwijt dat Faciliture aan [eiser in conventie/verweerder in reconventie] maakt is dat hij zijn salaris gedurende de loop van de schuldregelingsovereenkomst bewust (te) laag heeft gehouden, terwijl [naam persoon 2] een (ongeveer twee keer) hogere vergoeding voor de tewerkstelling van [eiser in conventie/verweerder in reconventie] bij ODB ontving. Faciliture voert aan dat [eiser in conventie/verweerder in reconventie] bij ODB een erg goede baan had, namelijk Marketing Manager en Export Manager was. In die functie heeft hij de hele wereld over gereisd en dure werkvakanties in verre oorden genoten. [eiser in conventie/verweerder in reconventie] lijkt wel ‘partner’ bij ODB gezien zijn nauwe betrokkenheid bij dit bedrijf. [eiser in conventie/verweerder in reconventie] is, althans zo presenteert hij zich op het internet, een gevierd bartender en het is dan ook opmerkelijk dat hij sinds 2012 genoegen neemt met een salaris dat niet boven het wettelijk minimumloon uitkomt. Het salaris van [eiser in conventie/verweerder in reconventie] is, aldus steeds Faciliture, ongebruikelijk en onwaarschijnlijk laag geweest. De suggestie die Faciliture met dit betoog doet is dat [eiser in conventie/verweerder in reconventie] een hoger salaris had moeten en kunnen eisen van zijn vriendin/echtgenote, gezien de verdiencapaciteiten die uit zijn functie bij ODB blijken, althans dat laatstgenoemde van ODB een hogere vergoeding had kunnen eisen.

4.12.

Voordat de rechtbank nader op dit betoog ingaat, wenst de rechtbank in de eerste plaats op te merken dat Faciliture reeds bij aanvang van de schuldregeling moet hebben geweten dat [eiser in conventie/verweerder in reconventie] een laag salaris genoot, gezien het uiterst geringe uitkeringspercentage dat aan haar in het vooruitzicht werd gesteld. Klaarblijkelijk had Faciliture toen geen problemen met de lage inkomsten van [eiser in conventie/verweerder in reconventie] .

4.13.

Over de inhoud van het verwijt overweegt de rechtbank het volgende. Faciliture heeft niet aangetoond dat ODB financieel in staat was aan de partner van [eiser in conventie/verweerder in reconventie] een hogere vergoeding voor de werkzaamheden die [eiser in conventie/verweerder in reconventie] verrichtte te betalen dan zij in de periode van de schuldregeling feitelijk heeft gedaan. [eiser in conventie/verweerder in reconventie] heeft gemotiveerd betwist dat ODB bereid en in staat was meer te betalen voor de tewerkstelling van [eiser in conventie/verweerder in reconventie] bij haar. Op Faciliture rust de bewijslast van de stelling dat dit anders is. Dat bewijs heeft Faciliture echter naar het oordeel van de rechtbank niet geleverd en evenmin door middel van het horen van getuigen te bewijzen aangeboden. Reeds daarom gaat de rechtbank aan het betoog van Faciliture dat [eiser in conventie/verweerder in reconventie] een hoger salaris had moeten bedingen voorbij.

4.14.

Feitelijk was de hoogte van de vergoeding die [naam persoon 2] van ODB ontving tot eind 2013 om en nabij twee keer hoger dan het salaris van [eiser in conventie/verweerder in reconventie] , maar daaruit kan niet worden afgeleid dat het salaris van [eiser in conventie/verweerder in reconventie] “te laag” was. De vergoeding die [naam persoon 2] voor de tewerkstelling van [eiser in conventie/verweerder in reconventie] van ODB bedong, is overigens tijdelijk lager geweest, namelijk op het niveau van om en nabij het salaris dat [eiser in conventie/verweerder in reconventie] ontving (€ 1.450,-) , en met ingang van oktober 2015 weer verhoogd naar € 3.000,- exclusief onkostenvergoedingen, waarmee deze vanaf dat moment dus weer het niveau van vóór januari 2014 was.
Door Faciliture is niet bestreden dat de vriendin/echtgenote van [eiser in conventie/verweerder in reconventie] als werkgever de werkgeverslasten diende te dragen, met zijn indienstneming de risico’s van het werkgeverschap droeg, een eigen bedrijf had en op de tewerkstelling van [eiser in conventie/verweerder in reconventie] bij ODB geen verlies behoefde te draaien. Naar het oordeel van de rechtbank was het, integendeel, aan de echtgenote van [eiser in conventie/verweerder in reconventie] volstrekt toegestaan om met het uitlenen of “payrollen” van [eiser in conventie/verweerder in reconventie] aan ODB eigen revenuen te incasseren. In haar - uitvoerige en soms uiterst gedetailleerde - beschouwingen over deze zaak, lijkt Faciliture dit algemene gezichtspunt uit het oog te hebben verloren.

4.15.

In april 2017 heeft [eiser in conventie/verweerder in reconventie] aan de gemeente een overzicht verstrekt waarop de inkomsten en uitgaven worden vermeld die de echtgenote van [eiser in conventie/verweerder in reconventie] over de periode van de schuldregeling van [eiser in conventie/verweerder in reconventie] , althans vanaf augustus 2014, tot april 2017 heeft verkregen respectievelijk heeft gedaan in het kader van de tewerkstelling van [eiser in conventie/verweerder in reconventie] bij ODB. Daaruit blijkt dat zij feitelijk daarmee geen winst heeft gemaakt, maar zelfs een klein verlies heeft geboekt. Faciliture heeft dit overzicht op onderdelen bestreden, maar naar het oordeel van de rechtbank kan die bestrijding haar niet baten. Onder andere heeft zij aangevoerd dat op het overzicht als kostenpost de aanschaf van een Mini Cooper ten bedrage van € 12.000,- is vermeld, terwijl die auto eigendom was geweest van ODB. Faciliture vermoedt dat de auto niet is betaald door [naam persoon 2] , maar een gift/betaling in natura was van ODB aan haar, waarbij Faciliture opmerkt dat de tijdelijke verlaging van de detacheringskosten van [eiser in conventie/verweerder in reconventie] in de periode 2014 (zie hierboven onder 4.13) neerkomt op circa € 12.000,-, dus precies het bedrag dat de auto heeft gekost. [eiser in conventie/verweerder in reconventie] heeft daartegenover aangevoerd dat de auto wel degelijk door zijn echtgenote is aangeschaft en dat zij het geld hiervoor van ODB heeft geleend, hetgeen hij heeft gestaafd met een door hem in de kortgedingprocedure overgelegde geldleningsovereenkomst. Op haar beurt heeft Faciliture deze geldleningsovereenkomst als “fictief” bestempeld. Wat hiervan verder zij, ook indien de kostenpost van de auto niet wordt afgetrokken van de inkomsten die de echtgenote van [eiser in conventie/verweerder in reconventie] met de detachering bij ODB heeft ontvangen, toont dit nog niet aan dat de echtgenote van [eiser in conventie/verweerder in reconventie] een dermate hoge vergoeding voor de tewerkstelling van [eiser in conventie/verweerder in reconventie] bij ODB ontving, dat zij het salaris van [eiser in conventie/verweerder in reconventie] naar boven had moeten bijstellen. Zoals gezegd: het stond haar vrij om met die activiteiten enig eigen inkomen te genereren. Faciliture heeft een berekening gemaakt van de inkomsten die de echtgenote van [eiser in conventie/verweerder in reconventie] heeft ontvangen in de periode dat de schuldregeling duurde. Volgens Faciliture komt dit neer op € 55.871,77. [eiser in conventie/verweerder in reconventie] heeft de juistheid van deze berekening als niet op feiten gebaseerd betwist. Voor de rechtbank is de berekening ook onvoldoende toegelicht en onvoldoende inzichtelijk, maar ook al zou de berekening juist zijn, kan het niet tot de slotsom voeren dat daarmee vast staat dat de echtgenote van [eiser in conventie/verweerder in reconventie] bovenmatig heeft geprofiteerd van de detachering van [eiser in conventie/verweerder in reconventie] bij ODB.

4.16.

Een tweede - in het verlengde van het eerste liggend - verwijt van Faciliture aan [eiser in conventie/verweerder in reconventie] is, dat hij door te solliciteren naar een andere baan of door het beginnen van een eigen onderneming dan wel werkzaam te zijn als zzp’r een hoger inkomen zou hebben kunnen realiseren. Concreet wijst Faciliture erop dat ODB in augustus 2015 een vacature heeft opengesteld voor de functie van Account Manager on-Trade. Ondanks dat voor deze functie een vast basissalaris werd betaald en bonussen beschikbaar waren, heeft [eiser in conventie/verweerder in reconventie] daarop niet gesolliciteerd, hetgeen [eiser in conventie/verweerder in reconventie] volgens Faciliture wel had moeten doen, zulks ten behoeve van zijn schuldeisers.

4.17.

[eiser in conventie/verweerder in reconventie] heeft hiertegenover aangevoerd dat ODB een startup onderneming was en dat hij in het verleden met zulke beginnende ondernemingen in die zin slechte ervaringen had, dat deze niet altijd in staat bleken regelmatig salaris uit te betalen. Zo heeft hij slechte ervaringen opgedaan met een vorige werkgever van hem, [naam persoon 4] , die [eiser in conventie/verweerder in reconventie] op enige moment vier maanden lang geen salaris meer betaalde wegens financiële problemen.

4.18.

De rechtbank acht de motieven van [eiser in conventie/verweerder in reconventie] om niet in dienst te treden bij, bijvoorbeeld, ODB, valide en in overeenstemming met het principe dat schuldenaren gedurende de loop van de schuldregeling geen onnodige risico’s behoren te nemen. Dat laat onverlet dat schuldenaren gedurende de schuldregeling de inspanningsverplichting hebben een zo hoog mogelijke aflossing te genereren. In de regel wordt van een schuldenaar die van zijn schulden probeert af te komen en in een saneringstraject verkeert, niet verwacht dat hij een bestaande werkkring verruild met een andere. [eiser in conventie/verweerder in reconventie] heeft aangevoerd dat het risico van ontslag zich bij ODB daadwerkelijk heeft voorgedaan: twee van de drie personeelsleden die ODB in 2015 had aangenomen zijn korte tijd daarna ontslagen omdat het bedrijf er financieel niet goed voor stond en de resultaten van het nieuw aangetrokken personeel uitbleven. Deze verklaring is in een schriftelijke verklaring (volgens [eiser in conventie/verweerder in reconventie] ) ondertekend door [naam persoon 3] bevestigd. Faciliture stelt hiertegenover dat ODB in 2014 twee mensen heeft aangenomen, die nog steeds werkzaam zijn bij ODB en dat een derde personeelslid in september 2015 in dienst is getreden die nog steeds als ‘general manager’ bij ODB werkzaam is. Volgens Faciliture blijkt dus niet dat ODB er financieel niet goed voor stond. Hiermee gaat Faciliture echter niet in op het gestelde ontslag van twee werknemers door ODB in 2015. Bovendien staaft Faciliture niet met stukken, hetgeen op haar weg had gelegen omdat zij zich op het standpunt stelt dat [eiser in conventie/verweerder in reconventie] bij ODB in dienst had behoren te treden, dat het ODB financieel wel voor de wind ging. De enkele omstandigheid dat volgens de jaarrekening de omzet in 2015 is gestegen zegt in dat verband onvoldoende. Dat er aan het indiensttreden bij ODB risico’s verbonden waren althans dat [eiser in conventie/verweerder in reconventie] die risico’s daaraan verbonden mocht achten, staat daarom als onvoldoende weersproken vast. Indiensttreding bij ODB behoefde daarom niet van [eiser in conventie/verweerder in reconventie] te worden gevergd.

4.19.

Om dezelfde reden dat een schuldenaar in een schuldregeling geen onnodige risico’s mag nemen, was het [eiser in conventie/verweerder in reconventie] niet toegestaan een eigen onderneming te beginnen of als zzp’er aan de slag te gaan. Dit is een algemene stelregel in het schuldsaneringstraject, die ook door de gemeente werd gehanteerd (zie bijvoorbeeld artikel 2, slot, van de beleidsregels van de gemeente). Ook op dit punt heeft Faciliture, kennelijk onvoldoende bewust van de regels die bij schuldsanering gelden, [eiser in conventie/verweerder in reconventie] ten onrechte verweten dat hij bijvoorbeeld niet met een paar oud-collega’s het later door deze collega’s gestarte bedrijf Right Spirits is begonnen. Dat was eenvoudigweg niet toegestaan.

Meer inkomsten dan opgegeven salaris?

4.20.

In de derde plaats suggereert Faciliture op meerdere plaatsen in haar processtukken dat [eiser in conventie/verweerder in reconventie] feitelijk meer inkomsten heeft genoten dan zijn salarisstroken lieten zien.

4.21.

Zij suggereert dit onder andere door erop te wijzen dat die salarisstroken, die zij in december 2017 van de gemeente op haar verzoek heeft ontvangen, eerst op 25 juni 2017 zijn opgemaakt, terwijl zij op een eerdere periode betrekking hadden. Ook heeft Faciliture erop gewezen dat de loonadministratie van de echtgenote van [eiser in conventie/verweerder in reconventie] werd uitgevoerd met het pakket Proflon, dat volgens Faciliture een simpel pakket is voor kleine ondernemers, die daardoor op eenvoudige wijze in de administratie wijzigingen kunnen aanbrengen. Volgens Faciliture lijkt dat laatste ook hier te zijn gebeurd. Een aanwijzing die, aldus Faciliture, op “andere geldstromen (…) zou kunnen duiden” is de omstandigheid dat de echtgenote van [eiser in conventie/verweerder in reconventie] op haar facturen aan ODB het factuuradres vermeldt van een dochtervennootschap van ODB. Ook heeft Faciliture de stelling geponeerd dat “aannemelijk” is dat ODB aan [eiser in conventie/verweerder in reconventie] althans aan zijn echtgenote bonussen (kennelijk buiten de administratie om) uitbetaalde, welke stelling Faciliture onderbouwt met een verwijzing naar de vermelding bij de door haar opengestelde vacature in augustus 2015 (zie hiervoor onder 4.16) van een “aantrekkelijke bonusstructuur” bij ODB. Faciliture acht het voorts onaannemelijk dat [eiser in conventie/verweerder in reconventie] geen overwerkvergoeding ontving, gezien ook zijn buitenlandse reizen die hij voor ODB maakte. Faciliture acht het verder “heel goed mogelijk” dat [eiser in conventie/verweerder in reconventie] of zijn echtgenote betalingen ontvangen wegens verrichte werkzaamheden door [eiser in conventie/verweerder in reconventie] voor andere opdrachtgevers. Ten slotte heeft Faciliture naar voren gebracht dat de echtgenote van [eiser in conventie/verweerder in reconventie] - blijkens de overgelegde facturen van haar aan ODB - niet alleen de gewone werkzaamheden van [eiser in conventie/verweerder in reconventie] bij ODB declareerde maar ook diverse andere activiteiten en onkosten. [eiser in conventie/verweerder in reconventie] zou dus ook andere inkomsten genereren. De gemeente is hierover nooit geïnformeerd en [eiser in conventie/verweerder in reconventie] zou daarmee zijn inlichtingenverplichting hebben geschonden, aldus Faciliture.

4.22.

De stellingen van Faciliture blijven alle in suggestie steken. Door Faciliture is op geen enkele wijze met ‘harde’ gegevens aangetoond dat [eiser in conventie/verweerder in reconventie] feitelijk meer uitbetaald kreeg dan hij aan salaris ontving.

4.23.

Faciliture heeft ter onderbouwing van haar stellingen een verklaring van [naam persoon 4] , de hiervoor genoemde vorige werkgever van [eiser in conventie/verweerder in reconventie] , overgelegd. Volgens deze zou [eiser in conventie/verweerder in reconventie] naar zijn inschatting op basis van 140 gewerkte uren met een uurtarief van € 35,- tot € 50,- per uur gemiddeld € 6.000,- per maand verdienen. Deze verklaring is echter, evenals de stellingen van Faciliture, op geen enkele wijze gestaafd met bewijsstukken, maar uitsluitend gebaseerd op aannames (met betrekking tot het aantal uren en het in rekening gebrachte uurtarief). Die verklaring heeft dan ook geen bewijswaarde en de rechtbank passeert deze als volledig speculatief. Het bewijsaanbod om Braam als getuige te horen worden gepasseerd, omdat het aangeboden getuigenbewijs niet betrokken is op een voldoende gecroncretiseerde feitelijke stelling.

4.24.

Faciliture heeft geen bewijs verschaft van de door haar gesuggereerde manipulatie met de salarisstroken van [eiser in conventie/verweerder in reconventie] . Daarvoor is onvoldoende dat de digitale documenten waarin de salarisstroken zijn aangemaakt op een latere datum zijn gewijzigd. Dat betekent niet dat die documenten niet al eerder kunnen zijn uitgegeven. Het is ook onaannemelijk dat dit niet ook daadwerkelijk is gebeurd. Als door Faciliture niet voldoende weersproken staat vast dat [eiser in conventie/verweerder in reconventie] de gemeente periodiek diende te informeren over zijn salaris en dat de gemeente de door [eiser in conventie/verweerder in reconventie] aangedragen gegevens vervolgens controleerde aan de hand van bankgegevens. Dat hierbij onregelmatigheden aan het licht zijn gekomen, heeft de gemeente niet kenbaar gemaakt.

4.25.

Ook de overige stellingen van Faciliture leveren niet het bewijs op dat [eiser in conventie/verweerder in reconventie] de gemeente niet juist heeft ingelicht over zijn inkomsten. Faciliture kan niet worden gevolgd in haar stelling dat [eiser in conventie/verweerder in reconventie] de gemeente zou hebben moeten informeren over het feit dat zijn echtgenote ook onkosten declareerde bij ODB, zoals gemaakte reiskosten. De vergoeding van reiskosten kan immers niet worden gelijkgesteld met inkomen, dat aan de gemeente moest worden afgedragen.

Twee niet verwerkte incidentele betalingen van € 1.768,- en € 2.420,-

4.26.

Faciliture heeft aandacht gevraagd voor het feit dat uit de (loon)administratiegegevens die [eiser in conventie/verweerder in reconventie] aan de gemeente heeft verstrekt blijkt dat [eiser in conventie/verweerder in reconventie] in december 2014 een uitbetaling van vakantie-uren heeft ontvangen van € 1.768,- en ODB in mei 2017 aan de echtgenote van [eiser in conventie/verweerder in reconventie] een “fee-bonus voor [eiser in conventie/verweerder in reconventie] ” van € 2.420,- heeft betaald. De kennelijke strekking van deze constateringen is dat (de echtgenote van) [eiser in conventie/verweerder in reconventie] deze bedragen had moeten afdragen aan de gemeente. [eiser in conventie/verweerder in reconventie] heeft aangevoerd dat dit ook is gebeurd. Op grond van het totaaloverzicht van betalingen door de echtgenote van [eiser in conventie/verweerder in reconventie] aan de gemeente kan worden vastgesteld dat dit voor wat betreft de uitbetaalde vakantie-uren naar alle waarschijnlijkheid niet is gebeurd. Ook de bedoelde bonus is waarschijnlijk niet doorbetaald aan de gemeente. Ook als daarvan wordt uitgegaan, acht de rechtbank dat verzuim echter van onvoldoende gewicht om de schuldregeling op de voet van artikel 6:265 BW te ontbinden. Dat hier sprake is van opzettelijk achterhouden van gelden is onvoldoende gebleken. Het gaat om slechts twee incidentele betalingen die niet juist lijken te zijn verwerkt. Voor wat betreft de vakantie-uren kan dit zijn ingegeven door de gedachte dat het om een vergoeding voor niet genoten vakantie-uren en dus niet om een reguliere loonbetaling gaat. De genoemde bonus is kennelijk aan de echtgenote van [eiser in conventie/verweerder in reconventie] uitbetaald en de vraag is of het [eiser in conventie/verweerder in reconventie] kan worden verweten er niet voor te hebben zorggedragen dit bedrag aan de gemeente te hebben doorbetaald. Een en ander voert de rechtbank tot de conclusie dat, voor zover al sprake is van een tekortkoming, deze van te geringe betekenis is en daarom, mede gelet op de ernstige gevolgen die dat voor [eiser in conventie/verweerder in reconventie] zou hebben, niet tot ontbinding van de schuldregeling mag leiden. De rechtbank komt op de vraag of in plaats van ontbinding het toekennen van schadevergoeding een gepaste reactie vormt op de tekortkoming, hierna nog terug.

Verhoging van de vergoeding van ODB met ingang van november 2015

4.27.

Faciliture heeft gesteld dat sprake is geweest van een verdubbeling van de door ODB betaalde vergoeding voor de door de heer [eiser in conventie/verweerder in reconventie] geleverde diensten met ingang van november 2015 (uit de overgelegde facturen van de echtgenote van [eiser in conventie/verweerder in reconventie] blijkt overigens dat dit vermoedelijk met ingang van oktober 2015 het geval is geweest). De door ODB verschuldigde vergoeding is vanaf dat moment op € 3.000,- vastgesteld, waar dat daarvoor (gedurende ruim anderhalf jaar) €1.450,- was geweest. Hiervoor is reeds besproken dat Faciliture stelt dat [eiser in conventie/verweerder in reconventie] hierdoor verwijtbaar heeft gehandeld, omdat hij ten nadele van zijn schuldeisers voor zijn werkzaamheden klaarblijkelijk geen marktconform salaris heeft genoten. Dat verwijt treft geen doel, omdat de vergoeding niet aan [eiser in conventie/verweerder in reconventie] betaalbaar werd gesteld en van [eiser in conventie/verweerder in reconventie] niet kon worden verlangd, zoals hiervoor is overwogen, dat hij voor dat salaris een dienstbetrekking bij een derde zou aangaan. Ook kan en mag Faciliture zich er niet over beklagen dat de vergoeding verminderd met het salaris van [eiser in conventie/verweerder in reconventie] ten goede kwam aan zijn echtgenote. Dat zou anders zijn indien die netto vergoeding het redelijke zou overstijgen. Naar het oordeel van de rechtbank is van dat laatste niet gebleken, zoals hiervoor onder 4.14 aan de orde is gekomen. Ook de echtgenote van [eiser in conventie/verweerder in reconventie] had recht op een fatsoenlijk inkomen. Dat [eiser in conventie/verweerder in reconventie] mogelijk van dat inkomen mede zou profiteren via de huwelijkse samenleving met haar, kunnen de schuldeisers niet aan haar en [eiser in conventie/verweerder in reconventie] tegenwerpen. Zij hebben ervan geprofiteerd dat [eiser in conventie/verweerder in reconventie] gedurende een vaste periode een stabiel, zij het laag, salaris heeft ontvangen. De schuldeisers moeten overigens van dat lage salaris al vanaf de aanvang van de schuldregeling, wetende welk percentage op de vordering als finale betaling na afloop van de schuldregeling werd voorgesteld, bewust zijn geweest en hadden zich over dat salaris kunnen laten informeren. Het verwijt van Faciliture dat [eiser in conventie/verweerder in reconventie] niet de maximale aflossingscapaciteit heeft gereserveerd, die hij had kunnen reserveren indien hij wel een marktconform salaris had geëist, moet daarom worden verworpen.

Schending van de informatieverplichting op het punt van de vergoedingsverhoging en consequenties daarvan

4.28.

De rechtbank acht voldoende aannemelijk dat [eiser in conventie/verweerder in reconventie] van de verhoging van de vergoeding van ODB voor zijn werkzaamheden op de hoogte is geweest. Naar het oordeel van de rechtbank valt [eiser in conventie/verweerder in reconventie] te verwijten - hoewel niet direct geheel duidelijk is dat ook Faciliture dat doet - dat hij de gemeente als toezichthouder op het goede verloop van de minnelijke schuldregeling daarvan niet onmiddellijk op de hoogte heeft gesteld, maar pas begin 2017, nadat de gemeente bij [eiser in conventie/verweerder in reconventie] informatie heeft opgevraagd naar aanleiding van vragen van Faciliture over het verloop van de schuldregeling van [eiser in conventie/verweerder in reconventie] . De vraag is of daaraan de consequentie moet worden verbonden die Faciliture voor ogen staat, te weten ontbinding van de schuldregelingsovereenkomst, met als gevolg dat Faciliture weer voor haar volle vordering verhaal kan proberen te verhalen op vermogensbestanddelen van [eiser in conventie/verweerder in reconventie] .

4.29.

Het uitspreken van de ontbinding van de schuldregelingsovereenkomst voor de geconstateerde tekortkoming is naar het oordeel van de rechtbank een te vergaande consequentie, gezien de bijzondere aard van de tekortkoming die hier aan de orde is, en gelet op de overige omstandigheden van het geval. Van andere tekortkomingen van [eiser in conventie/verweerder in reconventie] in de nakoming van de schuldregeling is naar het oordeel van de rechtbank niet voldoende gebleken. Tevens wordt bij voornoemd oordeel in aanmerking genomen dat onvoldoende zeker is dat als [eiser in conventie/verweerder in reconventie] de gemeente eerder op de hoogte had gesteld van de verhoging van de vergoeding door ODB met ingang van oktober 2015, dit tot een verhoging van het salaris van [eiser in conventie/verweerder in reconventie] aanleiding had moeten geven, gezien de kostenstructuur van de detacheringsconstructie voor de echtgenote van [eiser in conventie/verweerder in reconventie] . De rechtbank acht een andere sanctie dan ontbinding als reactie op de geconstateerde tekortkoming, bestaande uit een schending van de informatieplicht, meer passend, te weten schadevergoeding. Getracht zal dan moeten worden vast te stellen welk salaris van [eiser in conventie/verweerder in reconventie] in redelijke verhouding zou staan tot de van ODB te ontvangen vergoeding en tot welke (verhoging van de) uitkering aan schuldeisers dit zou hebben kunnen leiden. Voor de rechtbank is hier evenwel geen taak weggelegd. De reden daarvan is dat Faciliture uitdrukkelijk geen schadevergoeding vordert in verband met schending door [eiser in conventie/verweerder in reconventie] van zijn verplichtingen in het kader van de schuldregelingsovereenkomst, maar uitdrukkelijk alleen ontbinding.

4.30.

De rechtbank komt thans toe aan een bespreking van de ingestelde vorderingen.

(verder) in conventie

4.31.

De vordering van [eiser] onder 1 veronderstelt dat tussen partijen door het vonnis van de rechtbank van 28 juli 2014 een schuldenregelingsovereenkomst ex artikel 287a Faillissementswet (dwangakkoord) tot stand is gekomen. Er kwam een minnelijke schuldregelingsovereenkomst tot stand door de instemming van Faciliture met het betalingsvoorstel van de gemeente, zoals weergegeven onder 2.4. Voor het overige heeft [eiser] onvoldoende zelfstandig belang bij de gevorderde verklaring van recht. Deze vordering zal daarom worden afgewezen.

4.32.

De vordering in conventie onder 2 maakt melding van een door de gemeente verleende “schone lei” op grond waarvan vast staat dat [eiser] aan de verplichtingen uit hoofde van de schuldregelingsovereenkomst heeft voldaan. De gemeente verleent echter geen “schone lei” en stelt ook niet in de verhouding tussen partijen – een civielrechtelijke rechtsrelatie – vast of [eiser] aan zijn verplichtingen heeft voldaan. Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen kan worden vastgesteld dat Faciliture niet kan worden gevolgd in haar stelling dat [eiser] niet voldaan heeft aan die verplichtingen. Nu de verklaring van recht niet die strekking heeft, zal ook deze vordering worden afgewezen.

4.33.

De vorderingen onder 3 is toewijsbaar. Faciliture is gehouden de executie van het verstekvonnis van 15 juli 2009 te staken en gestaakt te houden. Zij is gebonden aan haar aan [eiser] gedane toezegging finale kwijting te verlenen, nu [eiser] de schuldregelingsovereenkomst heeft doorlopen. Faciliture heeft uit hoofde van het genoemde vonnis niets meer te vorderen. De dwangsom op het gebod zal worden beperkt tot € 500,00 per dag met een maximum van € 50.000,00.

4.34.

De vordering onder 4 is, gelet op het hiervoor is overwogen, eveneens toewijsbaar. Op dit gebod zal dezelfde dwangsom als hiervoor worden opgelegd, met hetzelfde maximum.

4.35.

De vordering onder 5 is toewijsbaar, aangezien de door Faciliture op grond van het verstekvonnis geïncasseerde bedragen ten onrechte zijn ingevorderd, zoals uit het voorgaande volgt.

4.36.

Ten slotte zal ook de vordering onder 6 worden toegewezen. Faciliture heeft onrechtmatig gehandeld door het verstekvonnis na de afronding van het minnelijke schuldtraject ten uitvoer te leggen. Voldoende aannemelijk is dat [eiser] hierdoor mogelijk schade heeft geleden. Daarom zal de vordering tot schadevergoeding nader op te maken bij staat, te vermeerderen met de gevorderde en niet weersproken wettelijke rente, worden toegewezen.

4.37.

Faciliture zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:

- dagvaarding € 99,01

- griffierecht 297,00

- salaris advocaat 904,00 (2,0 punt × tarief € 452,00)

Totaal € 1.300,01

(verder) in reconventie

4.38.

De vordering van Faciliture onder 1 zal in haar geheel worden afgewezen, aangezien Faciliture onvoldoende gronden heeft aangevoerd om bevrijd te zijn van de overeenkomst betreffende de schuldregeling van [verweerder] of die schuldregelingsovereenkomst te ontbinden of ontbonden te achten of te vernietigen of vernietigd te achten en dus dat het haar niet vrijstond het verstekvonnis van 15 juli 2009 te executeren.

4.39.

De vorderingen onder 2, 3 en 4 komen evenmin voor toewijzing in aanmerking. [verweerder] heeft niet onrechtmatig of paulianeus gehandeld zoals in die vorderingen omschreven. Voor toewijzing van de vorderingen onder 5 en 6 bestaat daarom evenmin grond.

4.40.

Faciliture zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [verweerder] worden begroot op:

- salaris advocaat 452,00 (2,0 punten × factor 0,5 × tarief € 452,00)

Totaal € 452,00

5. De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1.

draagt Faciliture op de executie van het tussen partijen gewezen (verstek)vonnis van 15 juli 2009 met zaak-rolnummer 332105 / HA ZA 09-1590, te staken en gestaakt te houden op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag met een maximum van € 50.000,00 voor ieder(e) dag(deel) dat Faciliture na betekening van het onderhavige vonnis voortgaat met ten uitvoerlegging van dat vonnis van 15 juli 2009;

5.2.

draagt Faciliture op om alle ten laste van [eiser] onder derden van welke aard ook gelegde beslagen op te heffen en opgeheven te houden op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag met een maximum van € 50.000,00 voor ieder(e) dag(deel) dat Faciliture na betekening van het onderhavige vonnis voortgaat met ten uitvoerlegging van voormelde beslagen;

5.3.

veroordeelt Faciliture tot terugbetaling ex artikel 6:203 BW aan [eiser] van alle bedragen die na het einde van de MSNP als gevolg van derden(beslagen) die na betekening van het voormelde vonnis van 15 juli 2009 door Faciliture doel hebben getroffen ten laste van [eiser] ;

5.4.

verklaart voor recht dat Faciliture onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser] door over te gaan tot tenuitvoerlegging van het voormelde vonnis van 15 juli 2009 na afronding van de procedure MSNP en veroordeelt Faciliture tot schadevergoeding nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de 17 juli 2019 tot aan de datum van algehele voldoening,

5.5.

veroordeelt Faciliture in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 1.300,01,

5.6.

verklaart dit vonnis in conventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.7.

wijst het meer of anders gevorderde af.

in reconventie

5.8.

wijst de vorderingen af,

5.9.

veroordeelt Faciliture in de proceskosten, aan de zijde van [verweerder] tot op heden begroot op € 452,00,

5.10.

verklaart dit vonnis in reconventie wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.E. Molenaar en ondertekend en in het openbaar uitgesproken door mr. C. Bouwman, rolrechter, op 30 september 2020.

3152/2515