Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:8868

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
17-09-2020
Datum publicatie
07-10-2020
Zaaknummer
8287812
Rechtsgebieden
Goederenrecht
Bijzondere kenmerken
Verzet
Inhoudsindicatie

Geschil over eigendom van auto; bezit, verkeersopvatting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 8287812 CV EXPL 20-283

uitspraak: 17 september 2020

Vonnis in verzet

in de zaak van:

[eiser 1] ,

wonende te [woonplaats eiser] ,

eiser in conventie in het verzet,

oorspronkelijk gedaagde in conventie,

eiser in (voorwaardelijke) reconventie,

gemachtigde: mr. E.E.F. Bronkhorst,

tegen

[gedaagde 1] ,

wonende te [woonplaats gedaagde] ,

gedaagde in conventie in het verzet,

oorspronkelijk eiser in conventie,

verweerder in (voorwaardelijke) reconventie,

gemachtigde: mr. R.A.J. van Wingerden.

Partijen worden hierna [eiser 1] en [gedaagde 1] genoemd.

1. Het verloop van de procedure

1.1

Dit blijkt uit:

- de verzetdagvaarding van 17 januari 2020, met producties

- de conclusie van antwoord in oppositie, tevens conclusie van antwoord in reconventie

- de conclusie van repliek in oppositie, tevens conclusie van repliek in reconventie

- de conclusie van dupliek in oppositie, tevens conclusie van dupliek in reconventie

1.2

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De vaststaande feiten

2.1

Bij verstekvonnis van 12 december 2019 heeft de kantonrechter in deze rechtbank, kort gezegd, voor recht verklaard dat [gedaagde 1] eigenaar is van de Mercedes, type 350 SL, met kenteken [kentekennummer] (hierna: de auto), [eiser 1] veroordeeld tot afgifte van de auto binnen een week na betekening van het vonnis, op straffe van een dwangsom van € 1.000,- per dag tot ten hoogste € 50.000,-, en tot betaling van € 209,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 12 december 2019, met zijn veroordeling in de proceskosten.

Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en de grosse is op 23 december 2019 aan [eiser 1] in persoon betekend.

2.2

[eiser 1] en [gedaagde 1] hebben afgesproken dat het verstekvonnis gedurende de verzetprocedure niet wordt geëxecuteerd.

2.3

[eiser 1] heeft in of omstreeks september 2013 de auto op zijn kosten APK laten keuren en er reparaties aan laten verrichten. Die kosten bedroegen € 1.683,33, inclusief btw. In 2015 heeft hij een verzekering voor de auto afgesloten. Aan verzekeringspremie heeft hij € 434,18 betaald.

In april, juli en september 2018 heeft [eiser 1] als bestuurder van de auto daarmee verkeersovertredingen begaan. Daarvoor zijn verkeersboetes opgelegd tot een totaalbedrag van € 169,-. De betreffende beschikkingen zijn door het CJIB naar [gedaagde 1] gestuurd. Deze heeft dat bedrag betaald.

2.4

Het kenteken van de auto staat op naam van [gedaagde 1] .

3. De oorspronkelijke vordering in conventie

3.1

[eiser 2] heeft gevorderd dat de kantonrechter, bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,

1. zal verklaren voor recht dat hij, [eiser 2] , eigenaar is van de auto;

2 [gedaagde 2] zal veroordelen binnen drie dagen na het in deze zaak te wijzen vonnis de auto aan hem te retourneren, op straffe van een dwangsom van € 1.000,- per dag met een maximum van € 50.000,-, dan wel een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen bedrag;

3 [gedaagde 2] zal veroordelen aan hem te betalen bedragen van € 169,- en € 40,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het verstekvonnis,

dit alles met zijn veroordeling in de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na de datum van het verstekvonnis.

3.2

Hij heeft zijn vordering, tegen de achtergrond van de vaststaande feiten, gebaseerd op de volgende, zakelijk weergegeven stellingen.

Hij heeft in 2002 de auto in bewaring gegeven aan [gedaagde 2] . De auto is gestald op diens bedrijfsterrein in [plaatsnaam] aan [adres] , waar [gedaagde 2] een pensionstal exploiteert. De auto is toen geschorst voor verzekering en wegenbelasting.

Tussen 2002 en 2009 heeft hij [gedaagde 2] meermalen bezocht en hem gevraagd om teruggave van de auto. [gedaagde 2] heeft hem gezegd dat hij de auto niet terugkreeg. Doordat hij in 2018 verkeersboetes ontving bemerkte hij dat [gedaagde 2] de auto gebruikte. Daarom heeft hij [gedaagde 2] op 19 november 2018 gesommeerd tot teruggave van de auto. [gedaagde 2] heeft daarop niet gereageerd. Zijn gemachtigde heeft bij brief van 3 oktober 2019 om teruggave van de auto gevraagd en [gedaagde 2] daarbij aansprakelijk gesteld voor de door [eiser 2] geleden schade en hem de buitengerechtelijke incassokosten aangezegd. Telefonisch heeft [gedaagde 2] aan zijn gemachtigde laten weten dat [eiser 2] hem € 26.000,- schuldig is en dat hij daarom de auto niet teruggeeft.

Hij betwist dat. Ook bestrijdt hij dat [gedaagde 2] een retentierecht zou hebben. Tussen de gestelde vordering van [gedaagde 2] en de vordering van [eiser 2] bestaat geen, althans onvoldoende samenhang. De verplichtingen vloeien niet voort uit eenzelfde overeenkomst en [gedaagde 2] en [eiser 2] zijn geen partijen die regelmatig zaken met elkaar doen, aldus [eiser 2] .

4. De vordering in conventie in verzet (die als conclusie van antwoord in conventie geldt)

4.1

[eiser 1] vordert dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde 1] in zijn vorderingen niet-ontvankelijk zal verklaren dan wel hem deze zal ontzeggen, met zijn veroordeling in de proceskosten en de eventuele nakosten, met bepaling dat hij over de proceskosten de wettelijke rente zal zijn verschuldigd vanaf veertien dagen na de datum van het in deze zaak te wijzen vonnis.

4.2

[eiser 1] baseert zijn vordering, tegen de achtergrond van de vaststaande feiten, op de volgende, zakelijk weergegeven stellingen.

Hij is eigenaar van de auto. Hij exploiteert in [plaatsnaam] aan de [adres] een landbouwbedrijf met onder andere opslagloodsen. [gedaagde 1] heeft zijn auto sinds oktober 2001 in een van de verwarmde loodsen gestald voor een bedrag van € 100,- per maand. Hij is dat met [gedaagde 1] mondeling overeengekomen. [gedaagde 1] heeft nooit de overeengekomen stallingskosten betaald. Hij, [eiser 1] , heeft tijdens de periode van de stalling onderhoudswerk aan de auto verricht. [gedaagde 1] kwam aanvankelijk regelmatig langs om te zeggen dat hij “wat krap bij kas zat”. [eiser 1] heeft actieve invordering vooralsnog uit coulance achterwege gelaten, omdat [gedaagde 1] steeds beloofde dat hij zijn schuld zou betalen en hijzelf ten slotte een retentierecht op de auto had. Omdat het stallingsbedrag steeds verder opliep en [gedaagde 1] zijn belofte te betalen niet nakwam heeft hij met [gedaagde 1] in juli 2013 een regeling getroffen.

Die regeling hield in dat [gedaagde 1] de eigendom van de auto aan hem overdroeg.

[gedaagde 1] heeft hem in dat verband de sleutels en het kentekenbewijs overhandigd. Op dat moment stond er aan stallings- en onderhoudskosten een bedrag van ruim € 14.200,-exclusief btw, open. De marktwaarde van de auto bedroeg toen slechts € 7.500,-.

Vervolgens heeft hij de auto APK laten keuren en onderhoud eraan laten plegen. Ook heeft hij de auto verzekerd. Toen de auto rijklaar was wilde hij het kenteken op zijn naam zetten. Toen is hem gebleken dat het kentekenbewijs dat hij had ontvangen inmiddels niet meer geldig was en dat [gedaagde 1] een nieuw kentekenbewijs had aangevraagd. Hij heeft gepoogd daarover in contact te komen met [gedaagde 1] , maar deze was voor hem onvindbaar. [gedaagde 1] is geen eigenaar meer. Voor hem, [eiser 1] , geldt in elk geval dat hij, als bezitter, op grond van artikel 3:119 lid 3 BW wordt vermoed rechthebbende te zijn. Hij maakt al jaren gebruik van de auto, onderhoudt deze en heeft de auto verzekerd.

Het kentekenbewijs waarop [gedaagde 1] zich beroept is geen bewijs van eigendom van de auto.

5. De vordering in (deels voorwaardelijke) reconventie

5.1

[eiser 1] vordert dat de kantonrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,

1. voor recht zal verklaren dat [eiser 1] eigenaar is van de auto

2 [verweerder] zal veroordelen om binnen 7 dagen na betekening van het in deze zaak te wijzen vonnis aan hem af te geven

*het originele Tenaamstellingsbewijs (Deel IB) en het Overschrijvingsbewijs,

ofwel

*het kentekenbewijs op creditcardformaat (kentekencard) en de tenaamstellingscode,

op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,- per dag voor elke dag dat

[verweerder] daarmee in gebreke blijft, met een maximum van € 50.000,-, dan wel een in redelijkheid door de kantonrechter te bepalen bedrag;

3 Alleen in het geval de kantonrechter in conventie zou oordelen dat [verweerder] eigendomsrechten kan uitoefenen:

[verweerder] zal veroordelen tot betaling aan hem van een bedrag van € 24.017,51, te vermeerderen met een bedrag van € 100,- per maand vanaf 17 januari 2020 tot de dag waarop hij volledig zal hebben voldaan aan de veroordeling in reconventie, met bepaling dat [eiser 1] pas tot afgifte van de Mercedes hoeft over te gaan indien en zodra

[verweerder] volledig heeft voldaan aan de veroordeling in reconventie, met zijn veroordeling in de proceskosten en de eventuele nakosten, met bepaling dat hij over de proceskosten de wettelijke rente zal zijn verschuldigd vanaf veertien dagen na de datum van het in deze zaak te wijzen vonnis.

5.2

[eiser 1] baseert zijn vordering, tegen de achtergrond van de vaststaande feiten, op wat hij in conventie ten verwere heeft aangevoerd en op de volgende, zakelijk weergegeven stellingen.

Hij heeft belang bij een verklaring voor recht dat hij eigenaar is van de auto en bij een veroordeling van [verweerder] tot afgifte van de bij de eigendom van de auto behorende documentatie:

*het originele Tenaamstellingsbewijs (Deel IB) en het Overschrijvingsbewijs,

ofwel

*het kentekenbewijs op creditcardformaat (kentekencard) en de tenaamstellingscode.

Omdat hij de kans aanwezig acht dat [verweerder] niet tot afgifte zal overgaan vraagt hij aan de veroordeling een dwangsom te verbinden van € 1.000,- per dag, met een maximum van € 50.000,-.

Voor het geval de kantonrechter zou oordelen dat [verweerder] eigenaar van de auto is beroept hij zich op zijn retentierecht en maakt aanspraak op betaling van de stallingskosten en de overige kosten en schade. Hij is de overeenkomst tot bewaarneming aangegaan in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf en heeft daarom recht op het overeengekomen bewaarloon van € 100,- per maand. Vast staat dat [verweerder] nooit bewaarloon heeft betaald. Hij, [eiser 1] , heeft een retentierecht op de auto totdat [verweerder] al zijn vorderingen heeft voldaan.

Het bewaarloon bedraagt over de periode 2001 tot en met juni 2013 € 14.200,-,

Vanaf juli 2013 tot en met de datum van de verzetdagvaarding, 17 januari 2020, bedragen die kosten € 7.700,-. De kosten voor stalling vanaf laatstgenoemde datum bedragen € 100,- per maand tot en met de datum waarop [verweerder] gerechtigd zal zijn de auto op te halen.

De kosten van keuring en onderhoud bedragen € 1.683,33 en die van verzekering € 434,18.

6. Het verweer in conventie en in (voorwaardelijke) reconventie

[gedaagde 1] heeft de vordering gemotiveerd weersproken. Op zijn verweer gaat de kantonrechter hierna, indien, en zo ja, waar nodig, in.

7. De beoordeling in conventie en in reconventie

7.1

Vanwege hun samenhang beoordeelt de kantonrechter de vorderingen in conventie en in reconventie gezamenlijk.

7.2

Het verstekvonnis is op 23 december aan [eiser 1] in persoon betekend.

De verzetdagvaarding is op 17 januari 2020 aan [gedaagde 1] betekend. [eiser 1] is dus tijdig, dat wil zeggen binnen de termijn van 4 weken van artikel 143 Rv, in verzet gekomen.

7.2

Op 19 november 2018 heeft [gedaagde 1] [eiser 1] aangeschreven met het oog op teruggave door [eiser 1] van de auto. In die brief meldt hij onder meer: “Tien jaar geleden heb ik mijn auto bij u gestald.”.

De gemachtigde van [gedaagde 1] heeft [eiser 1] op 3 oktober 2019 (productie 7 bij dagvaarding) met hetzelfde doel aangeschreven. In die brief meldt de gemachtigde dat

[gedaagde 1] de auto in 2002 bij [eiser 1] op het terrein van zijn onderneming heeft gestald.

[gedaagde 1] heeft bij dagvaarding, in lijn daarmee, gesteld dat hij de auto in 2002 aan

[eiser 1] in bewaring heeft gegeven en dat deze is gestald op het bedrijfsterrein van

[eiser 1] aan [adres] in [plaatsnaam] , waar [eiser 1] een pensionstal exploiteert.

Bij conclusie van antwoord in oppositie bestrijdt hij echter dat hij die overeenkomst met [eiser 1] is aangegaan. Thans stelt hij dat de moeder van [eiser 1] zijn wederpartij was.

Hij heeft die stelling echter niet, althans onvoldoende onderbouwd, wat in het licht van zijn eerdere stelling en de inhoud van de hiervoor genoemde brieven wel op zijn weg had gelegen. Nu [eiser 1] die stelling gemotiveerd bestrijdt gaat de kantonrechter ervan uit dat [gedaagde 1] in 2002 de betreffende overeenkomst met [eiser 1] heeft gesloten.

Die overeenkomst is een overeenkomst van bewaarneming als bedoeld in artikel 7:600 BW.

7.4

Art 3:108 BW bepaalt: “Of iemand een goed houdt en of hij dit voor zichzelf of voor een ander doet, wordt naar verkeersopvatting beoordeeld, met inachtneming van de navolgende regels en overigens op grond van uiterlijke feiten.”

Dit artikel verschaft de criteria aan de hand waarvan moet worden bepaald of iemand houdt en, zo ja, voor wie. Houdt hij voor zichzelf, dan is hij bezitter (artikel 3:107). Houdt hij voor een ander, dan is sprake van houderschap. De verkeersopvatting vormt het hoofdcriterium en behelst een objectieve maatstaf, die meebrengt dat alle omstandigheden van het geval, waaronder de aard en de bestemming van het betrokken goed, in aanmerking moeten worden genomen. Het criterium richt zich op louter uiterlijke feiten, met name de uitoefening van de feitelijke macht. De wil van degene die de macht uitoefent is zowel voor de vraag of hij houdt als voor de vraag voor wie hij dit doet, slechts relevant voor zover hij in zulke feiten tot uiting komt (Parl. Gesch. BW Boek 3, p. 428).

7.5

Als bewaarnemer was [eiser 1] vanaf 2002 houder van de auto; houder voor een ander: [gedaagde 1] . De feitelijke macht over de auto, in de zin van houderschap, was hem door [gedaagde 1] overgedragen.

Of [eiser 1] inmiddels van houder voor een ander houder voor zichzelf, en dus bezitter, is geworden moet worden beoordeeld naar de uiterlijke feiten, met name de uitoefening van de feitelijke macht.

Vast staat dat [eiser 1] de auto in september 2013 op zijn kosten heeft laten keuren en repareren, dat hij deze heeft verzekerd en de kosten daarvan heeft betaald, en dat hij ermee heeft gereden (zie hiervoor onder 2.2).

Die uiterlijke feiten maken, in het licht van de stelling van [eiser 1] dat hij in juli 2013 op grond van een overeenkomst met [gedaagde 1] eigenaar van de auto is geworden, dat naar verkeersopvatting [eiser 1] vanaf september 2013 houder voor zichzelf was en daarmee bezitter van de auto.

7.6

Het hiervoor genoemde standpunt van [eiser 1] dat hij in juli 2013 eigenaar van de auto is geworden, is een standpunt waarvan hij op zichzelf genomen de bewijslast heeft. [eiser 1] beroept zich echter op het rechtsvermoeden van artikel 3:119 BW: “De bezitter van een goed wordt vermoed rechthebbende te zijn.”

Tegenover dit rechtsvermoeden zal [gedaagde 1] tegenbewijs moeten leveren.

Bij een wettelijk vermoeden zal dit tegenbewijs moeten bestaan uit het bewijs van het tegendeel. De rechter is immers op grond van het wettelijk vermoeden verplicht het feit als waar aan te nemen en is pas van die verplichting ontslagen als naar zijn overtuiging vaststaat dat het feit waarop het vermoeden is gebaseerd zich niet voordoet. In dit geval komt dat erop neer dat [gedaagde 1] zal moeten bewijzen dat hij eigenaar is (gebleven) van de auto. Het feit dat het kenteken op zijn naam is gesteld betekent niet dat hij eigenaar van de auto is.

Hij zal daartoe in de gelegenheid worden gesteld. De zaak zal in verband daarmee worden verwezen naar de rol.

7.7.1

Slaagt [gedaagde 1] in dat bewijs, dan is zijn vordering tot verklaring voor recht dat hij eigenaar van de auto is toewijsbaar, evenals, in beginsel, zijn vordering tot afgifte van de auto. Ook de vordering tot betaling van het bedrag van € 169,- aan verkeersboetes, met wettelijke rente, is als op zichzelf onbetwist, toewijsbaar.

[gedaagde 1] baseert zijn vordering tot betaling van de verkeersboetes op onrechtmatig handelen van [eiser 1] . De buitengerechtelijke incassokosten die hij vordert baseert hij op de Wet normering buitengerechtelijke incassokosten. Het op die wet gebaseerde Besluit vergoeding buitengerechtelijke incassokosten (hierna: Besluit) mist echter toepassing bij een vordering uit onrechtmatige daad (artikel 1 Besluit).

Op grond van de wet (artikel 6:96 lid 2 onder c BW) is de vordering evenmin toewijsbaar, nu de kosten de redelijkheidstoets niet kunnen doorstaan. Eén enkele sommatie (productie 7 bij dagvaarding) is daartoe onvoldoende.

[eiser 1] zal in dat geval als grotendeels in het ongelijk gestelde partij de kosten van de verstekprocedure en de verzetprocedure in conventie moeten dragen.

7.7.2

De vordering tot afgifte van de auto is, zoals hiervoor onder 7.7.1 overwogen, dan in beginsel toewijsbaar. In beginsel, omdat met het eventuele oordeel dat [gedaagde 1] eigenaar van de auto is, de voorwaarde waaronder de reconventionele vordering van [eiser 1] is ingesteld in vervulling gaat. De kantonrechter zal in dat geval de gegrondheid van de vordering tot betaling van bewaarloon en kosten moeten beoordelen en, wanneer die vordering gegrond zou blijken, moeten beslissen over de vraag of [eiser 1] zich terecht op een retentierecht beroept. De kantonrechter overweegt daarover nu al het volgende.

7.7.3

Artikel 7:601 BW luidt:

1 Indien de overeenkomst door de bewaarnemer in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf is aangegaan, is de bewaargever hem loon verschuldigd.

2 Indien loon verschuldigd is, doch de hoogte niet door partijen is bepaald, is de bewaargever het op de gebruikelijke wijze berekende loon of, bij gebreke daarvan, een redelijk loon verschuldigd.

3 De bewaargever moet aan de bewaarnemer de aan de bewaring verbonden onkosten vergoeden, voor zover deze niet in het loon zijn begrepen, alsook de schade die de bewaarnemer als gevolg van de bewaring heeft geleden.

Voor de beantwoording van de vraag of [gedaagde 1] bewaarnemingskosten verschuldigd is is allereerst van belang of hij de bewaarnemingsovereenkomst is aangegaan in de uitoefening van beroep of bedrijf. [eiser 1] stelt dat dat zo is en [gedaagde 1] heeft dat gemotiveerd betwist, onder verwijzing naar een (destijds, begrijpt de kantonrechter) vriendschappelijke relatie tussen hem en (de familie) [eiser 1] . [eiser 1] zal dat daarom moeten bewijzen.

Wanneer zou blijken dat de bewaarnemingsovereenkomst in de uitoefening van beroep of bedrijf is aangegaan, dan is [gedaagde 1] in elk geval bewaarloon verschuldigd. Wanneer dat niet het geval zou blijken te zijn, dan is, ingevolge 7:601 lid 2 de vraag aan de orde of loon, en zo ja hoeveel, is overeengekomen. Ook daarvan rust, gelet op de gemotiveerde betwisting door [gedaagde 1] de bewijslast op [eiser 1] .

Zou wel blijken dat loon is overeengekomen, maar niet hoeveel, dan is ingevolge hetzelfde artikellid nog de vraag wat een redelijk loon is.

Om proceseconomische redenen zal de kantonrechter deze bewijsopdracht nu reeds geven.

7.7.4

Wanneer de kantonrechter na die bewijslevering tot het oordeel zou komen dat

[gedaagde 1] bewaarloon is verschuldigd en hoeveel, dan is de volgende vraag die naar het retentierecht.

Artikel 3:290 luidt: “Retentierecht is de bevoegdheid die in de bij de wet aangegeven gevallen aan een schuldeiser toekomt, om de nakoming van een verplichting tot afgifte van een zaak aan zijn schuldenaar op te schorten totdat de vordering wordt voldaan”.

[eiser 1] en [gedaagde 1] verschillen van mening op dit punt. Volgens [gedaagde 1] komt [eiser 1] geen retentierecht toe vanwege onvoldoende samenhang tussen de vorderingen.

De kantonrechter acht de visie van [eiser 1] juist, om de volgende reden.

Als na bewijslevering zou vaststaan dat [gedaagde 1] eigenaar is, dan moet hij, [gedaagde 1] , nu de auto kennelijk nog steeds bij [eiser 1] staat, nog steeds als bewaargever en

[eiser 1] nog steeds als bewaarnemer worden beschouwd. Gesteld noch gebleken is immers dat aan die overeenkomst, die kennelijk voor onbepaalde tijd is aangegaan, een einde is gekomen.

De vordering tot betaling van bewaarloon voor de auto hangt samen met de eventuele verplichting tot afgifte van de auto aan [gedaagde 1] . Daarom kan [eiser 1] zich, zou hij gehouden zijn tot afgifte en zou [gedaagde 1] gehouden zijn tot betaling van bewaarloon, op zijn retentierecht beroepen.

De reconventionele vordering onder 3 is dan in beginsel toewijsbaar, waarbij het exacte bedrag afhangt van wat na bewijslevering aan bewaarloon verschuldigd zal blijken te zijn. De kosten van keuring, reparatie en verzekering zullen niet worden toegewezen omdat die in dat geval voor rekening en risico van [eiser 1] moeten blijven, die immers slechts bewaarnemer was en daarvoor, zo heeft [gedaagde 1] onweersproken gesteld, geen opdracht had. Dat er sprake is van onkosten die ten laste van [gedaagde 1] zouden moeten komen is niet gebleken.

7.8

Slaagt [gedaagde 1] niet in het hiervoor onder 7.6 bedoelde bewijs, dan worden zijn vorderingen alsnog afgewezen. Hij zal dan de kosten van de verstekprocedure en die van de verzetprocedure moeten dragen.

De reconventionele vordering van [eiser 1] tot verklaring voor recht is in dat geval toewijsbaar, evenals de vordering tot afgifte van

*het originele Tenaamstellingsbewijs (Deel IB) en het Overschrijvingsbewijs,

ofwel

*het kentekenbewijs op creditcardformaat (kentekencard) en de tenaamstellingscode als op zichzelf onbetwist toewijsbaar.

In dat geval acht de kantonrechter een dwangsom van € 1.000,- per dag passend met het oog op de na te komen verplichting. De dwangsom zal in dat geval worden gemaximeerd tot € 25.000,-.

[gedaagde 1] zal in dat geval ook de proceskosten in reconventie moeten dragen.

Aan de beoordeling van de vordering in voorwaardelijke reconventie komt de kantonrechter dan niet toe.

7.9

In afwachting van de uitkomst van de bewijslevering zal iedere (verdere) beslissing worden aangehouden.

7.10

De kantonrechter overweegt in verband met het verdere verloop van deze procedure het volgende.

[gedaagde 1] en [eiser 1] hebben bijna 18 jaar geleden afspraken gemaakt, maar die niet schriftelijk of digitaal vastgelegd.

Hadden zij destijds slechts een deel van de tijd die tot dusverre met deze procedure is gemoeid besteed aan het vastleggen van die afspraken, dan was deze procedure misschien niet nodig geweest en hadden zij in onderling overleg tot een oplossing kunnen komen.

[gedaagde 1] en [eiser 1] kunnen in samenspraak met hun gemachtigden waarschijnlijk hun kansen bij bewijslevering goed inschatten. Aan bewijslevering zijn kosten verbonden, die afhankelijk van de uitkomst van de procedure op een van hen, dan wel op elk van beiden voor een deel zullen rusten, terwijl met het mogelijke horen van getuigen veel tijd gemoeid zal zijn. Dat moet voor [gedaagde 1] en [eiser 1] onaangenaam zijn. Daarom geeft de kantonrechter hen in serieuze overweging om mede aan de hand van de tot dusverre gegeven oordelen tot een minnelijke oplossing te komen.

De beslissing in verzet in conventie en in reconventie

De rechtbank:

laat [gedaagde 1] toe tot het bewijs van feiten en/of omstandigheden waaruit kan blijken dat hij eigenaar is (gebleven) van de auto;

laat [eiser 1] toe tot het bewijs van feiten en/of omstandigheden waaruit kan blijken dat hij met [gedaagde 1] de bewaarnemingsovereenkomst is aangegaan in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf en dat hij met [gedaagde 1] loon is overeengekomen en zo ja, hoeveel;

verwijst de zaak naar de rolzitting van de kantonrechter in deze rechtbank van
15 oktober 2020 voor het schriftelijk meedelen door [gedaagde 1] en [eiser 1] of en, zo ja, op welke wijze van de bewijsmogelijkheid gebruik zal worden gemaakt;

wijst [gedaagde 1] en [eiser 1] erop dat de schriftelijke reactie in tweevoud dient te worden ingestuurd en dat deze uiterlijk de dag vóór genoemde rolzitting om 12.00 uur ter griffie ontvangen moet zijn;

bepaalt dat [gedaagde 1] en [eiser 1] , als zij getuigen willen laten horen, bij die gelegenheid het aantal en de namen van eventueel te horen getuigen moeten opgeven

– in welk geval zij tevens opgave moeten van de verhinderdata van partijen en de getuigen voor de maanden november 2020 tot en met februari 2021 – en/of op het bewijsthema betrekking hebbende stukken in het geding mogen brengen;

wijst [gedaagde 1] en [eiser 1] erop dat namen en woonplaatsen van eventueel voor te brengen getuigen ten minste zeven dagen vóór het te houden getuigenverhoor schriftelijk aan de kantonrechter en de wederpartij moeten worden aangezegd;

bepaalt dat een eventueel getuigenverhoor zal worden gehouden in het gerechtsgebouw aan het adres Steegoversloot 36 in Dordrecht, ten overstaan van de hierna genoemde kantonrechter.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. P. Joele en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

37878