Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:8830

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
30-09-2020
Datum publicatie
05-10-2020
Zaaknummer
C/10/586369 / HA ZA 19-1098
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Geschil ex-echtgenoten, huwelijksvoorwaarden, deelgenootschap. Onvoldoende grondslag gesteld. Niets gesteld omtrent eindvermogen. “Cherry picking” door alleen helft aangroei hypotheekschuld te vorderen. Vordering uit ongerechtvaardigde verrijking? Vervaltermijn huishoudelijk kostenbeding van drie maanden in huwelijksvoorwaarden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/586369 / HA ZA 19-1098

Vonnis van 30 september 2020

in de zaak van

[naam eiser] ,

wonende te [woonplaats eiser] ,

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

advocaat mr. R.E. Gout de Kreek te Heenvliet,

tegen

[naam gedaagde] ,

wonende te [woonplaats gedaagde] ,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. E.N.J. Molendijk te Spijkenisse.

Partijen zullen hierna de man en de vrouw genoemd worden.

1. De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van de man van 27 november 2019 met producties 1-7;

  • -

    de conclusie van antwoord in conventie, tevens eis in reconventie van de vrouw van 8 januari 2020 met productie 1;

  • -

    de conclusie van repliek in conventie, tevens antwoord in reconventie van de man van 6 mei 2020, met producties 8-17;

  • -

    de conclusie van dupliek in conventie, tevens repliek in reconventie van de vrouw van 17 juni 2020;

  • -

    de conclusie van dupliek in reconventie van de man van 29 juli 2020.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1.

De man en de vrouw zijn ex-echtgenoten. Zij zijn op 29 april 1994 op huwelijkse voorwaarden met elkaar getrouwd. Bij beschikking van deze rechtbank van 5 juli 2016 is de echtscheiding tussen hen uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand op 10 augustus 2016.

2.2.

De man bezat bij aanvang van het huwelijk reeds een woning in Spijkenisse, staande en gelegen aan de [adres] , ook bekend onder [naam] , groot 1 are en 22 centiare (hierna ook: de woning). Ten tijde van de aanvang van het huwelijk rustte er een hypotheek op die woning in verband met een schuld van de man van fl. 123.000,= (€ 55.814,97).

De totale hypothecaire schuld (vanwege uiteindelijk een eerste, tweede, en derde hypotheek) is gedurende het huwelijk van partijen vergroot tot € 207.199,=. De vrouw heeft telkens meegetekend bij het aangaan van de (nieuwe) hypothecaire schuld(en). De woning is op 10 april 2017 getaxeerd voor een bedrag van € 146.000,=.

2.3.

Bij vonnis van 2 mei 2018 heeft deze rechtbank een vordering van de man “tot verdeling” van de hypothecaire schuld, en veroordeling van de vrouw tot betaling van de helft van deze schuld aan de man, afgewezen. Wel toegewezen bij voormeld vonnis werd de vordering van de man tot betaling door de vrouw aan hem, van een bedrag van € 7.498,83, nu de vrouw dat bedrag tijdens het huwelijk had geleend van de man.

2.4.

Per 22 maart 2019 heeft de bank de vrouw op verzoek van de man ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de (totale) hypothecaire geldlening.

2.5.

De huwelijkse voorwaarden, overeengekomen bij notariële akte van 22 maart 1994, houden kort gezegd en voor zover van belang in:

(Art. 1) “Tussen de echtgenoten zal ten aanzien van hun beider vermogen generlei vermogensrechtelijke gemeenschap bestaan, doch slechts een deelgenootschap, inhoudende de verplichting van de echtgenoten de vermeerdering van beider vermogen, die gedurende het deelgenootschap heeft plaatsgevonden, te delen (…)”;

(Art. 2) “De kosten der huishouding (…) zijn voor rekening van de vrouw (…)”;

“Zo een der echtgenoten zijn/haar inkomsten en/of vermogen geheel of gedeeltelijk mocht hebben aangewend ter bestrijding van dat gedeelte der uitgaven, welk volgens dit artikel ten laste komt van de andere echtgenoot, zal hij/zij deswege vergoeding of verrekening kunnen vorderen, mits dit geschiedt binnen drie maanden na afloop van elk kalenderjaar.”

(Art 4) “Na het eindigen van het deelgenootschap kan ieder der echtgenoten de deling van de vermogensvermeerdering vorderen en kan ieder der echtgenoten tot de beschrijving van zijn vermogen overgaan en vorderen dat het vormogen van de andere echtgenoot wordt beschreven. (…)”

(Art. 5) “De deling geschiedt doordat de ene echtgenoot uit zijn vermogen zoveel aan de andere echtgenoot uitkeert, dat beider vermogen met een gelijk bedrag is vermeerderd. Heeft een der echtgenoten een verlies geleden, dat groter is dan de winst, die de andere echtgenoot heeft gemaakt, dan wordt aan de eerstbedoelde echtgenoot slechts de door de andere echtgenoot gemaakte winst uitgekeerd.”

Volgens artikel 6 wordt de vermeerdering of vermindering van het vermogen van een echtgenoot berekend door van de waarde van het eindvermogen ten tijde van ontbinding van het huwelijk, de waarde van het stamvermogen af te trekken. Het stamvermogen van een echtgenoot wordt gevormd door de goederen die de echtgenoot bij de aanvang van het huwelijk bezat, verminderd met de toenmalige schulden. (“Klederen, lijflinnen en lijfsieraden uitgezonderd.”)

Volgens artikel 7 wordt de aanvangswaarde van de tot het stamvermogen behorende goederen bewezen door de staat van aanbrengsten.

2.6.

Uit de staat van aanbrengsten blijkt dat de man de woning heeft aangebracht voor een bedrag van f 150.000,=. De man bracht verder aan: een hypotheekschuld van
f 123.000,= , een doorlopend kredietschuld van f 20.000,=, een boot (gein kruiser) van
f 32.000,=, een bankstel van f 500,=, audio- en video apparatuur van f 1.500,=, een aquarium van f 850,=, een brommer van f 2.500,=, een keuken van f 500,=, een wandkast van
f 1.000,=, een eethoek van f 750,=, een salontafel van f 250,=, een audio- en videomeubel van f 300,=, een slaapkamerameublement van f 1.500,=, twee goudkleurige hanglampen van f 1.500,=, twee goudkleurige wandlampen van f 500,=, een brommer en fiets van [samen]
f 1.000,=, bestek en glasservies van f 750,= en een schuld wegens onderhands van de vrouw geleend geld van f 8.050,=.

Het aangebrachte vermogen van de zijde van de man bedroeg hiermee dus per saldo:
f 44.350,=, ofwel € 20.125,14.

De vrouw heeft alleen een vordering wegens onderhands aan de man geleend geld aangebracht van f 8.050,=.

3. Het geschil

in conventie en in reconventie

3.1.

De man vordert in conventie samengevat - veroordeling van de vrouw tot betaling van € 75.962,50, en stelt daartoe het volgende.

3.2.

Het gevorderde bedrag bestaat uit:

  • -

    a) de helft van de aangroei van de hypotheekschuld bóven het (oorspronkelijke) bedrag van € 55.814,= (f 123.000,=), tot het (totale) bedrag van € 207.199,=, dus de helft van € 151.385,=, zijnde € 75.692,50;

  • -

    b) de helft van de notariskosten (totaal € 540,= dus € 270,=).

De man heeft méér dan zijn aandeel in de hypothecaire schuld voldaan, en de man heeft op grond van artikel 6:10 BW verhaal voor het meerdere op de vrouw. Tevens heeft de man het aandeel van de vrouw in de notariskosten aan de notaris betaald.

3.3.

De man stelt voorts: “Deze (eerste, tweede en derde) hypotheek is door de man op 22 maart 2019 toebedeeld. De vrouw is per dezelfde datum ontslagen als geldnemer”. De rechtbank begrijpt deze stelling aldus, dat de hypothecaire schuld van in totaal € 207.199,= aan de man is toegerekend op 22 maart 2019, per welke datum de vrouw werd ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor deze hypothecaire schuld.

3.4.

Dat de oorspronkelijke hypothecaire schuld van de man telkens werd verhoogd tot de genoemde totale hypothecaire schuld op beider naam, was steeds vanwege consumptieve doeleinden van de man en de vrouw.

3.5.

De vrouw voert als verweer aan, kort gezegd en voor zover van belang:

Ten aanzien van onderdeel (b): De man was alleengerechtigd met betrekking tot de verkoop en levering van de woning, zij heeft daarmee niets van doen gehad, maar heeft slechts getekend heeft voor haar ontslag uit de hoofdelijke aansprakelijkheid. Er is geen grondslag voor het meebetalen door de vrouw aan de notariskosten.

De vordering van de man (a) benoemt de vrouw als een vordering van de man met betrekking tot de hypothecaire restschuld, en zij acht die vordering niet redelijk, omdat alleen de man eigenaar van de woning was, en de waardevermeerdering van de woning alleen hem is toegekomen. De vrouw stelt dat doordat zij meetekende voor wijziging/verhoging van de hypothecaire geldlening, zij tegenover de bank hoofdelijk aansprakelijk werd, maar dat in de onderlinge verhouding tussen partijen heeft te gelden dat de restschuld een schuld betreft die alleen de man aangaat omdat alleen de man eigenaar van de woning was, en dat daarom alleen de man draagplichtig is voor deze schuld. De vrouw verwijst naar een uitspraak van deze rechtbank van 1 juni 2016 welke zij heeft overgelegd.

De vrouw betwist voorts bij gebrek aan wetenschap dat de man meer dan zijn aandeel in de hypothecaire schuld heeft voldaan.

De vrouw beroept zich er verder op dat de man niet heeft gesteld, noch bewezen, dat de vermogens van beide partijen met een gelijk bedrag zullen zijn vermeerderd (gedurende het deelgenootschap) als de vrouw een bedrag van € 75.692,50 aan de man betaalt.

3.6.

In reconventie vordert de vrouw te verklaren voor recht “dat de man jegens de vrouw bij uitsluiting (intern) draagplichtig is voor al hetgeen partijen uit hoofde van de hypothecaire geldlening(en) ter financiering van de woning aan de geldverstrekker verschuldigd zijn.”

3.7.

De man voert in reconventie verweer.

3.8.

Op de stellingen en weren wordt bij de beoordeling ingegaan, voor zover bij die beoordeling van belang.

4. De beoordeling

in conventie en in reconventie

Vordering (a) in conventie

4.1.

Deze vordering van de man zal worden afgewezen omdat de man geen deugdelijke feitelijke en juridische grondslag stelt voor die vordering. Hiertoe wordt het navolgende overwogen.

4.2.

Ten eerste is er het verweer van de vrouw, dat de man niet heeft gesteld, noch bewezen, dat de vermogens van beide partijen met een gelijk bedrag zullen zijn vermeerderd (gedurende het deelgenootschap) als de vrouw een bedrag van € 75.692,50 aan de man betaalt. Dit verweer snijdt hout.

Gelet op het wettelijk deelgenootschap tijdens het huwelijk had de man afwikkeling van dat deelgenootschap kunnen vorderen, waarbij het verschil in eindvermogen van de ex-echtgenoten wordt verrekend conform het bepaalde in de artikelen 4 en 5 van de huwelijkse voorwaarden. De man heeft niets gesteld omtrent zijn eindvermogen, noch omtrent dat van de vrouw. In plaats daarvan haalt de man uit het geheel van activa en passiva van beide partijen één schuld, te weten de (totale) hypothecaire geldlening, waarvan vast staat dat die niet een gezamenlijk goed aangaat, maar de woning van de man, en wil hij de helft van die schuld bij de vrouw neerleggen. De man doet dus aan “cherry picking”.

4.3.

De rechtbank begrijpt voorts - stelling van de man - dat partijen de (totale) hypothecaire schuld aan de man hebben willen toerekenen. De vrouw is immers ontslagen uit de hoofdelijkheid. In welk kader partijen één en ander zijn overeengekomen laat de man in het midden. Ook laat de man in het midden of de woning inmiddels wellicht is verkocht, of daarbij sprake is/was van winst of van een restschuld (waarover de vrouw spreekt), en of de hypothecaire schuld (dus) naderhand (geheel dan wel gedeeltelijk) door hem is afgelost. Indien sprake was van een vermogensvermindering van de man (aan het eind van het deelgenootschap, ten opzichte van zijn stamvermogen) is van belang, dat die vermindering volgens de huwelijkse voorwaarden niet wordt gedeeld.

De vraag is ook, en ook daaromtrent stelt de man niets, of partijen, gelijktijdig met de toerekening van de (totale) hypothecaire schuld aan de man en het ontslag uit de hoofdelijkheid van de vrouw, ten aanzien van de interne draagplicht voor de (totale) hypothecaire schuld afspraken hebben gemaakt. Indien immers partijen toen géén regres/verhaal hebben afgesproken, is de vraag of zulks naderhand nog gevorderd kan worden, en op grond waarvan. Partijen zijn nadien immers geen hoofdelijk schuldenaren meer. Artikel 6:10 BW, waar de man zijn vordering op baseert, is van toepassing op hoofdelijk verbonden schuldenaren. Een regresvordering uit hoofde van art. 6:10 BW ontstaat (pas) wanneer de hoofdelijk verbonden schuldenaar de schuld voldoet voor méér dan het gedeelte dat hem aangaat (HR 6 april 2012, NJ 2016/196). De man stelt ook niets over eventuele verklaringen of gedragingen van de vrouw, waaruit de man heeft mogen begrijpen dat toerekening van de gehele schuld aan hem, niet tevens zou betekenen dat hij die schuld geheel zou dragen.

4.4.

Tenslotte: De man stelt dat de opéénvolgende verhogingen van de hypothecaire schuld gedurende het huwelijk telkens bedoeld waren voor consumptieve doeleinden. Mogelijk bedoelt de man de vrouw aan te spreken met als juridische grondslag ongerechtvaardigde verrijking, omdat de vrouw gedurende het huwelijk heeft geprofiteerd van consumptieve kredieten die partijen gezamenlijk aangingen, en die uiteindelijk na de echtscheiding als (de aan hem toegerekende) totale hypothecaire schuld op zijn woning, door de man worden/zijn afgelost. Maar in de huwelijkse voorwaarden is een vervalbeding opgenomen dat bepaalt dat de huishoudelijke kosten slechts verrekend kunnen worden binnen drie maanden na afloop van elk kalenderjaar. Een vordering uit ongerechtvaardigde verrijking lijkt daardoor te laat. Binnen drie maanden na de echtscheiding had de man nog slechts de mogelijkheid om de consumptieve kosten die kwalificeren als kosten van de huishouding over het laatste jaar van het huwelijk te verhalen.

4.5.

De slotsom uit het bovenstaande is al weergegeven onder 4.1. De vordering van de man zal bij gebrek aan grondslag worden afgewezen.

Vordering (b) in conventie

4.6.

Uit de factuur die de man als productie 7 in het geding heeft gebracht begrijpt de rechtbank dat de man geen regres wil nemen voor kosten van de notaris (in welk kader dan ook), maar dat een assurantiekantoor kosten in rekening heeft gebracht bij de man én de vrouw, ieder voor de helft, vanwege “kosten regelen hoofdelijk ontslag”. Tevens staat op de factuur vermeld: “Deze nota zal via de notaris met ons worden verrekend”. Hieruit begrijpt de rechtbank dat voor het bewerkstelligen van het ontslag van de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid, kosten zijn gemaakt, welke feitelijk door de man (vanwege de verrekening bij de notaris) zijn voldaan. De vrouw heeft aangegeven te hebben getekend voor het ontslag, en had bij dat ontslag ook belang. Voor zover de vrouw niet zelf samen met de man de opdracht voor de werkzaamheden aan het assurantiekantoor heeft verstrekt, heeft de man die opdracht uit hoofde van zaakwaarneming (6:198 BW e.v.) mede namens de vrouw kunnen verstrekken, en dient de vrouw haar helft van die kosten om die reden te dragen. De regresvordering van de man wordt toegewezen.

4.7.

Gelet op de relatie tussen partijen, partijen zijn ex-echtgenoten, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

De vordering van de vrouw in reconventie

4.8.

Bij de beoordeling van de reconventionele vordering van de vrouw, neemt de rechtbank haar oordeel in conventie over, dat niet gesteld of gebleken is van een grondslag voor interne draagplicht van de vrouw voor de helft van de (totale) hypothecaire schuld. In dat oordeel ligt besloten dat de vordering in reconventie toewijsbaar is.

4.9.

Gelet op de relatie tussen partijen, partijen zijn ex-echtgenoten, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5. De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1.

wijst vordering (a) af,

5.2.

wijst vordering (b) toe en veroordeelt de vrouw tot betaling van € 270,=,

5.3.

verklaart het vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.4.

bepaalt dat ieder van partijen de eigen proceskosten draagt,

in reconventie

5.5.

verklaart voor recht dat de man jegens de vrouw bij uitsluiting draagplichtig is voor al hetgeen partijen uit hoofde van de hypothecaire geldlening(en) ter financiering van de woning aan de geldverstrekker verschuldigd zijn,

5.6.

bepaalt dat ieder van partijen de eigen proceskosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. de Geus en ondertekend en in het openbaar uitgesproken door mr. C. Bouwman, rolrechter, op 30 september 2020.

3246/ 638