Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:8798

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
04-09-2020
Datum publicatie
05-10-2020
Zaaknummer
8299428 CV EXPL 20-4040
Formele relaties
Einduitspraak: ECLI:NL:RBROT:2020:10967
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Huurachterstand, ontbinding, ontruiming. Bewind.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 8299428 CV EXPL 20-4040

uitspraak: 4 september 2020

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van:

[eiser] ,

wonende te [woonplaats eiser] ,

eiser,

gemachtigde: mr. F.L. van der Eerden,

tegen

de stichting

Stichting CAV, in de hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen die (zullen) toebehoren aan [naam] ,

gevestigd te Zoetermeer,

gedaagde,

gemachtigde: [gemachtigde] .

Partijen worden hierna aangeduid als ‘ [eiser] ’ en ‘de bewindvoerder’. [naam] wordt aangeduid als ‘ [naam] ’.

1. Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken:

  1. de dagvaarding van 27 januari 2020, met bijlagen;

  2. de akte vermeerdering van eis van [eiser] , met een bijlage;

  3. de conclusie van antwoord van [naam] , met een bijlage;

  4. de rolbeslissing van 10 maart 2020;

  5. het exploot waarmee de bewindvoerder is opgeroepen;

  6. het antwoord van de bewindvoerder;

  7. de conclusie van repliek, met een bijlage;

  8. de conclusie van dupliek van [naam] .

De kantonrechter heeft de datum van het vonnis bepaald op heden.

2. De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, staat tussen partijen het volgende vast.

2.1

[naam] huurt van [eiser] de woning aan de [adres] , tegen een huurprijs van laatstelijk € 405,- per maand, welk bedrag bij vooruitbetaling dient te worden voldaan.

2.2

Bij beschikking van de kantonrechter te Rotterdam van 12 juni 2015 zijn de goederen die (zullen) toebehoren aan [naam] onder bewind gesteld, onder benoeming van Stichting CAV tot bewindvoerder.

3. Het geschil

3.1

[eiser] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

  1. ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde;

  2. betaling van € 2.003,-, vermeerderd met de wettelijke rente over € 1.640,- vanaf de dag van dagvaarding tot aan de dag van algehele voldoening;

  3. betaling van € 405,- per maand of een gedeelte daarvan vanaf 1 februari 2020 tot aan de dag van daadwerkelijke ontruiming;

  4. betaling van de kosten van deze procedure.

3.2

Het door [eiser] gevorderde bedrag van € 2.003,- bestaat uit € 1.640,- aan achterstallige huurpenningen tot en met januari 2020 en € 363,- aan buitengerechtelijke incassokosten.

3.3

[eiser] heeft nakoming van de huurovereenkomst aan zijn vordering tot betaling van de huurpenningen ten grondslag gelegd. De bewindvoerder is op grond van de huurovereenkomst verplicht de maandelijkse huur te betalen. De bewindvoerder is deze verplichting niet nagekomen, waardoor een huurachterstand is ontstaan. Vanwege deze tekortkoming in de nakoming vordert [eiser] ontbinding van de huurovereenkomst.

4. De beoordeling

de gevolgen van het bewind over de goederen van [naam]

4.1

[eiser] heeft [naam] gedagvaard, terwijl de goederen van [naam] toen reeds onder bewind waren gesteld, welk bewind is ingeschreven in het Centraal curatele- en bewindregister. Tijdens het bewind komen het beheer en de beschikking over de onder bewind staande goederen niet toe aan de rechthebbende, maar aan de bewindvoerder, met inachtneming van de in de wet vermelde voorwaarden (art. 1:438 leden 1 en 2 BW). Ingevolge artikel 1:441 lid 1 BW vertegenwoordigt tijdens het bewind de bewindvoerder bij de vervulling van zijn taak de rechthebbende in en buiten rechte. Uit deze artikelen vloeit voort dat de rechthebbende gelet op het ingestelde beschermingsbewind niet de bevoegdheid heeft om zelfstandig te procederen, maar dat de bewindvoerder ter zake de onder bewind staande goederen optreedt als formele procespartij ten behoeve van de rechthebbende.

4.2

De onderhavige vorderingen dienden daarom te worden ingesteld tegen de bewindvoerder. Bij rolbeslissing van 13 maart 2020 is [eiser] in de gelegenheid gesteld voor zover nodig de bewindvoerder in de onderhavige procedure op te roepen om de procedure als formele procespartij ten behoeve van [naam] over te nemen.
Blijkens de 'checklist mondeling telefonisch verweer’ heeft de bewindvoerder verweer gevoerd. De kantonrechter concludeert hieruit dat de bewindvoerder alsnog in de procedure is verschenen, waardoor zij de procespartij is geworden. Dit betekent dat [naam] geen partij meer is in deze procedure (zie Hoge Raad 7 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:525). De kantonrechter is niet verplicht om in een dergelijk geval de eisende partij in zijn vordering niet-ontvankelijk te verklaren en wel bevoegd om zo nodig ambtshalve de meest gerede partij in de gelegenheid te stellen om de bewindvoerder in het geding te roepen Van die bevoegdheid is hier gebruik gemaakt. In de conclusie van repliek heeft [eiser] [naam] als gedaagde 1 en de bewindvoerder als gedaagde 2 aangemerkt en gereageerd op de conclusie van antwoord van [naam] en het mondelinge verweer door de bewindvoerder. De kantonrechter heeft [naam] gelet op het vorenstaande ten onrechte in de gelegenheid gesteld om te reageren op de conclusie van repliek, terwijl de bewindvoerder hiertoe niet in de gelegenheid is gesteld. Hierbij wordt betrokken dat bij voormeld rolbericht mr. Schroeder in de gelegenheid is gesteld zich uit te laten over de vraag of hij in de onderhavige procedure met machtiging van de bewindvoerder kan optreden. Mr. Schroeder heeft zich hierover echter niet uitgelaten.

het verdere verloop van de procedure

4.3

De bewindvoerder is gelet op het vorenstaande ten onrechte niet in de gelegenheid gesteld om te reageren op de conclusie van repliek. Om proces-economische redenen en om verdere vertraging van de procedure te voorkomen zal een mondelinge behandeling worden bepaald. Deze mondelinge behandeling zal plaatsvinden via Skype voor bedrijven. Bij die mondelinge behandeling zal [eiser] tevens informatie dienen te verstrekken zoals hierna vermeld. Ten behoeve van de mondelinge behandeling wordt alvast het volgende overwogen.

4.4

[eiser] heeft vermeld zijn eis te willen vermeerderen, omdat na dagvaarding ook de huur over de maand februari 2020 opeisbaar is geworden. [eiser] vorderde bij dagvaarding echter € 405,- per maand aan huur vanaf 1 februari 2020 tot aan de dag van ontruiming. Het lijkt er voorshands op dat de huur over de maand februari 2020 al werd gevorderd, waarover [eiser] zich nog moet uitlaten.

4.5

Volgens [eiser] was in juni 2020 sprake van een huurachterstand van € 1.950,-. Uit het door hem overgelegde overzicht volgt dat in dat bedrag ook zijn opgenomen € 200,- voor ‘jaarrekening Eneco 2018’ en € 150,- voor ‘aanmaning te late betaling huur’. [eiser] zal deze bedragen alsnog deugdelijk moeten toelichten, alsmede of en op welke wijze in het door hem overgelegde overzicht rekening is gehouden met de betaling van € 405,- die is opgenomen in de kolom van de huur voor februari 2020. [eiser] wordt verzocht voorafgaand aan de zitting een overzicht in het geding te brengen waaruit de actuele betaalstand blijkt.

4.6

Gelet op het voorgaande wordt de zaak verwezen naar de beraadrol van 14 september 2020 teneinde partijen in de gelegenheid te stellen opgave te doen van hun verhinderdata voor de komende drie maanden en de e-mailadressen van de personen die aan de zitting willen deelnemen.

4.7

Iedere verdere beslissing wordt in dit stadium aangehouden.

5. De beslissing

de kantonrechter:

bepaalt dat een mondelinge behandeling zal plaatsvinden via Skype voor bedrijven;

verwijst de zaak naar de beraadrol van maandag 14 september 2020 voor het door partijen opgeven van hun verhinderdata voor de komende drie maanden en de e-mailadressen van de personen die aan de zitting willen deelnemen;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. I.K. Rapmund en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

43416