Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:8788

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
23-09-2020
Datum publicatie
27-10-2020
Zaaknummer
C/10/585947 / HA ZA 19-1065
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Terugbetaling van groot aantal schriftelijke en mondelinge geldleningsovereenkomsten; vertegenwoordiging in rechte tijdens bewind; art. 1:441 BW; geldbedragen onder meer verstrekt door storting op verschillende bankrekeningen gedaagde 2 en 3; hoofdelijke verbondenheid na einde huwelijk; deel geldleningen verstrekt tijdens bewind gedaagde 2; art. 1:439 lid 1 BW; art. 1:440 BW; beroep op verjaring; tussenvonnis met bewijsopdrachten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/585947 / HA ZA 19-1065

Vonnis van 23 september 2020

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats eiser] ,

eiser,

advocaat mr. J.B. Maliepaard te Rotterdam,

tegen

1. MODUS VIVENDI MEERDERJARIGENBEWIND B.V. in haar hoedanigheid van bewindvoerder over het vermogen van [gedaagde sub 2],

gevestigd te Zwijndrecht,

gedaagde,

advocaat mr. I.P. van Rossen te Amsterdam,

2. [gedaagde sub 2],

wonende te [woonplaats gedaagde sub 2] ,

gedaagde,

niet verschenen,

3. [gedaagde sub 3],

wonende te [woonplaats gedaagde sub 3] ,

gedaagde,

niet verschenen.

Eiser wordt hierna aangeduid als [eiser] . Gedaagden worden hierna aangeduid als Modus Vivendi, [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] .

1. De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 2 augustus 2019, met producties;

  • -

    de dagvaarding van 10 september 2019, met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord van Modus Vivendi, met producties;

  • -

    de conclusie van repliek;

  • -

    de conclusie van dupliek van Modus Vivendi.

1.2.

Tegen gedaagden [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] is verstek verleend.

1.3.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1.

In de periode van november 2006 tot en met november 2018 heeft [eiser] met regelmaat geldbedragen ter beschikking gesteld aan [gedaagde sub 2] en/of [gedaagde sub 3] .

2.2.

[gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] waren met elkaar gehuwd. Het huwelijk is ontbonden door de inschrijving op 22 april 2011 van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand.

2.3.

Op 25 oktober 2013 is het beschermingsbewind uitgesproken over alle (toekomstige) goederen van [gedaagde sub 2] op de grond dat hij geestelijk en/of lichamelijk niet in staat is zijn vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen. Modus Vivendi is de bewindvoerder over het vermogen van [gedaagde sub 2] .

2.4.

Op 3 januari 2019 heeft [eiser] het volgende per brief aan [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] medegedeeld:

“(…)

Gegeven onze bijzondere - en hechte relatie met jullie heb ik er moeite mee om jullie het hiernavolgende mede te delen.

Volgens afspraken en overeenkomsten zouden jullie ons jullie schulden per maand gaan terugbetalen, doch ondanks herhaalde verzoeken heb ik tot op heden geen enkele aflossing meer van jullie mogen ontvangen.
Ik heb dit “lijdzaam” toegelaten, gezien de moeilijke situaties, waarin jullie regelmatig terechtkwamen en waar ik jullie steeds maar weer uit heb willen helpen. Zie hiervoor de vele vastgelegde leenovereenkomsten.

Met een gerechtelijk schrijven besliste de Rechtbank onlangs, dat de ING-Bank de op jouw naam staande rekening uiterlijk 29 november 2018 (= de tot die datum geblokkeerde rekening) moest vrijgeven. Hierdoor zou jij jouw schulden aan ons kunnen terugbetalen.

Jij vertelde ons, dat die vrijgifte ook gebeurde, maar dat jij in de eerste week van december 2018 nog een onderhoud zou hebben met jouw adviseur bij de ING-Bank.
In dit gesprek werd afgesproken, dat jullie totale schuld aan ons op 10 december 2018 naar onze rekening zou worden overgeboekt.

Ook het bedrag, dat rechtens toekomt aan jouw dochter zou per diezelfde datum naar onze rekening worden overgemaakt, dit om redene van het feit, dat daar geen belastingtechnische problemen van konden komen.

(…)


(…)

Ons tegoed, vermindert met reeds gedane betalingen bedraagt € 168.219,77.

(…)

Ik verzoek jouw thans dringend om onze afspraken en jullie beloftes te willen nakomen en hoop tevens, dat onze bijzondere relatie hierdoor geen schade zal oplopen.”

2.5.

Op 18 april 2019 heeft [eiser] het volgende per brief aan [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] medegedeeld:

“(…) Ondanks mijn eerdere brief aan jullie is er nog altijd niet betaald. Er lijkt ondanks meerdere toezeggingen ook geen zicht te zijn op vrijwillige betaling van jullie kant. Wij hebben een opeisbare vordering op jullie van in totaal € 168.219,77, waarvan betaling, ondanks diverse verzoeken onzerzijds, nog steeds niet heeft plaatsgevonden. Ook de in het verleden getroffen betalingsregelingen zijn jullie telkens niet nagekomen.

Wij verzoeken, en zo nodig sommeren wij jullie, binnen 15 dagen na de ontvangst van deze brief tot betaling van het door jullie verschuldigde bedrag over te gaan.

(…)

Is het bedrag van € 168.219,77 niet binnen de genoemde termijn op onze rekening bijgeschreven, dan zal ik de vordering op grond van de wet verhogen met de buitengerechtelijke kosten van € 2.457,20 zodat het totaalbedrag na de genoemde 15 dagen € 170.676,97 zal zijn.

(…)

Wij vinden het vervelend dat het zover is gekomen, maar gaan er vanuit dat jullie begrijpen dat wij niet anders meer kunnen en verwachten dan ook dat jullie tot betaling zullen overgaan.”

2.6.

Op 23 juli 2019 hebben [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] het volgende per e-mail aan [eiser] medegedeeld:

“ Allee eerst onze excuses voor een wat late reactie.

Ook ons was het niet duidelijk dat er voor de leen auto betaald moest worden. Wij hebben zonder overleg de auto een aantal keren gereden voor boodschappen.

Wij hebben van [naam persoon] vernomen over de gemaakte kosten en hebben met haar afgesproken om in termijnen van 5 maanden af te lossen aan jullie.

4 x 50€ en 5e maand €94.

[naam persoon] is akkoord gegaan hiermee en wij moesten het ook even doorgeven aan jullie.

Eind deze maand zal de eerste betaling plaatsvinden.

Horen graag op welke rekeningnummer wij het bedrag moeten overmaken.”

3. Het geschil

3.1.

[eiser] vordert bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

Primair
Modus Vivendi, [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van:

  • -

    een bedrag van € 168.039,82 op grond van schriftelijke en mondelinge leenovereenkomsten of een door de rechtbank vast te stellen bedrag;

  • -

    een bedrag van € 294,00 op grond van de overeengekomen betalingsregeling ten aanzien van de leenauto of een door de rechtbank vast te stellen bedrag;

Subsidiair

I. Modus Vivendi, [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van:

  • -

    een bedrag van € 93.566,55 op grond van schriftelijke leningsovereenkomsten of een door de rechtbank vast te stellen bedrag;

  • -

    een bedrag van € 294,00 op grond van de overeengekomen betalingsregeling ten aanzien van de leenauto of een door de rechtbank vast te stellen bedrag;

  • -

    een bedrag van € 5.426,00 op grond van mondelinge leenovereenkomsten of een door de rechtbank vast te stellen bedrag;

II. [gedaagde sub 2] te veroordelen tot betaling van € 46.431,00 op grond van mondelinge leenovereenkomsten of een door de rechtbank vast te stellen bedrag;

III. [gedaagde sub 3] te veroordelen tot betaling van € 22.247,27 op grond van mondelinge leenovereenkomsten of een door de rechtbank vast te stellen bedrag;

Meer subsidiair

I. Modus Vivendi, [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van:

  • -

    een bedrag van € 93.566,55 op grond van schriftelijke leningsovereenkomsten of een door de rechtbank vast te stellen bedrag;

  • -

    een bedrag van € 294,00 op grond van de overeengekomen betalingsregeling ten aanzien van de leenauto of een door de rechtbank vast te stellen bedrag;

  • -

    een bedrag van € 5.426,00 op grond van onverschuldigde betaling of een door de rechtbank vast te stellen bedrag;

II. [gedaagde sub 2] te veroordelen tot betaling van € 46.431,00 op grond van onverschuldigde betaling of een door de rechtbank vast te stellen bedrag;

III. [gedaagde sub 3] te veroordelen tot betaling van € 22.247,27 op grond van onverschuldigde betaling of een door de rechtbank vast te stellen bedrag;

Zowel primair, subsidiair als meer subsidiair

Modus Vivendi, [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] te veroordelen tot betaling van:

  • -

    de wettelijke rente over de ter lening verstrekte dan wel onverschuldigd betaalde bedragen vanaf 3 januari 2019 of een door de rechtbank vast te stellen datum;

  • -

    de wettelijke rente over het bedrag van de betalingsregeling met betrekking tot de leenauto vanaf 1 augustus 2019 of een door de rechtbank vast te stellen datum;

  • -

    buitengerechtelijke kosten conform de BIK Staffel;

  • -

    de kosten van het geding, waaronder de kosten van het conservatoire beslag ad € 802,38, de kosten van onderhavige procedure en de nakosten.

3.2.

[eiser] stelt ter onderbouwing van zijn primaire vordering dat [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] hoofdelijk verbonden zijn tot terugbetaling van een leningsbedrag van in totaal € 168.039,82. Dit bedrag bestaat volgens [eiser] uit schriftelijke geldleningsovereenkomsten met een totaalbedrag van € 93.935,55 en mondelinge geldleningsovereenkomsten met een totaalbedrag van € 74.104,27. Ter onderbouwing van het bedrag van € 93.935,55 heeft [eiser] de betreffende overeenkomsten overgelegd. [eiser] heeft ter onderbouwing van het bedrag van € 74.104,27 de volgende overzichten in de dagvaarding opgenomen:

Lening

datum

begunstigde

afgelost

restant

€ 8.256,00

8 maart 2012

[gedaagde sub 2]

€ 19.500,00

16 en 24 november 2014

[gedaagde sub 2]

€ 4.250,00

€ 1.200,00

28 juli 2015

[gedaagde sub 2]

€ 700,00

€ 500,00

18 december 2015

[gedaagde sub 2]

€ 200,00

€ 6.000,00

20 juli 2016

[gedaagde sub 2]

€ 1.200,00

10 maart 2017

[gedaagde sub 2]

€ 3.000,00

21 maart 2017

[gedaagde sub 2]

€ 2.500,00

9 april 2017

[gedaagde sub 2]

€ 2.500,00

9 april 2017

[gedaagde sub 2]

€ 3.400,00

24 mei 2017

[gedaagde sub 2]

€ 860,00

22 augustus 2018

[gedaagde sub 2]

€ 2.000,00

23 augustus 2018

[gedaagde sub 2]

€ 665,00

22 november 2018

[gedaagde sub 2]

€ 51.581,00

€ 5.150,00

€ 46.431,00

Lening

datum

begunstigde

afgelost

restant

€ 10.000,00

8 januari 2013

[gedaagde sub 3]

€ 12.366,45

9, 26 en 27 februari en 4 maart 2015

[gedaagde sub 3]

€ 3.103,18

€ 550,00

30 maart 2016

[gedaagde sub 3]

€ 409,00

21 juni 2016

[gedaagde sub 3]

€ 100,00

23 februari 2017

[gedaagde sub 3]

€ 50,00

19 mei 2017

[gedaagde sub 3]

€ 200,00

3 juni 2017

[gedaagde sub 3]

€ 200,00

9 juni 2017

[gedaagde sub 3]

€ 800,00

13 juni 2017

[gedaagde sub 3]

€ 400,00

1 juli 2017

[gedaagde sub 3]

€ 200,00

3 oktober 2017

[gedaagde sub 3]

€ 75,00

25 november 2018

[gedaagde sub 3]

€ 25.350,45

€ 3.103,18

€ 22.247,27

lening

datum

begunstigde

afgelost

restant

€ 4.426,00

4 december 2013

beiden

€ 1.000,00

13 december 2013

beiden

€ 5.426,00

€ 5.426,00

3.3.

[eiser] stelt ter onderbouwing van zijn subsidiaire en meer subsidiaire vorderingen – indien en voor zover hoofdelijkheid aan de zijde van [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] niet wordt aangenomen – dat de bedragen van de mondeling overeengekomen leningen van in totaal € 74.104,27 op de bankrekeningen van [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] zijn overgemaakt en zij als begunstigden gehouden zijn de ontvangen bedragen aan [eiser] terug te betalen op grond van de mondelinge geldleningsovereenkomsten dan wel op grond van onverschuldigde betaling.

3.4.

Modus Vivendi voert verweer, dat strekt tot afwijzing van de vorderingen onder veroordeling van [eiser] in de kosten van het geding.

3.5.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

De vorderingen tegen [gedaagde sub 2]

4.1.

De rechtbank heeft kennis genomen van de dagvaardingen van 2 augustus 2019 en 10 september 2019. In de dagvaarding van 2 augustus 2019 zijn [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] als gedaagden opgenomen. In de dagvaarding van 10 september 2019 is ook Modus Vivendi als gedaagde partij opgenomen. De rechtbank stelt vast dat [eiser] de dagvaarding jegens [gedaagde sub 2] niet heeft ingetrokken.

Vaststaat dat [gedaagde sub 2] bij beschikking van 25 oktober 2013 onder bewind is gesteld. Op grond van artikel 1:441 lid 1 BW vertegenwoordigt Modus Vivendi [gedaagde sub 2] in en buiten rechte. Gelet hierop en nu [eiser] in ieder geval ten tijde van de tweede dagvaarding bekend was met het bewind, had het op zijn weg gelegen om alleen Modus Vivendi en niet ook/opnieuw [gedaagde sub 2] te dagvaarden (vergelijk HR 7 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:525, antwoord op vraag 2). [eiser] zal daarom in het eindvonnis niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vorderingen tegen [gedaagde sub 2] .

De vorderingen tegen [gedaagde sub 3]

4.2.

Tegen [gedaagde sub 3] is verstek verleend. Op grond van artikel 140 lid 2 Rv zal het eindvonnis wat haar betreft als een vonnis op tegenspraak worden beschouwd. Gelet op de gevorderde hoofdelijke veroordelingen van [gedaagde sub 3] en de overwegingen van de rechtbank op dit punt in het geschil tussen [eiser] en Modus Vivendi (zie vanaf 4.12) ziet de rechtbank aanleiding om de beoordeling van de vorderingen tegen [gedaagde sub 3] aan te houden tot het eindvonnis.

Het geschil tussen [eiser] en Modus Vivendi

4.3.

Tussen [eiser] en Modus Vivendi is in geschil in hoeverre [gedaagde sub 2] de aan hem en/of aan [gedaagde sub 3] verstrekte geldbedragen moet terugbetalen. Dat de door [eiser] verstrekte bedragen geldleningen zijn, is niet door Modus Vivendi betwist en wordt daarom als vaststaand feit aangenomen.

Verjaring

4.4.

Modus Vivendi heeft het standpunt ingenomen dat een deel van de vorderingen van [eiser] is verjaard.
meent dat Modus Vivendi in dit verband niet heeft voldaan aan haar stelplicht en dat de verjaringstermijnen niet zijn verstreken, omdat deze pas zijn gaan lopen toen de geleende bedragen werden opgeëist.

4.5.

Het beroep van Modus Vivendi op verjaring is een bevrijdend verweer, waarvan de stelplicht en (als Modus Vivendi voldoet aan haar stelplicht en haar stellingen door [eiser] voldoende gemotiveerd worden betwist) de bewijslast op haar rust. De rechtbank heeft geconstateerd dat [eiser] in de periode van 2006 tot en met 2018 een groot aantal geldleningen heeft verstrekt aan [gedaagde sub 2] en/of [gedaagde sub 3] . Een deel van de geldleningsovereenkomsten is niet schriftelijk vastgelegd. De schriftelijke geldleningsovereenkomsten die er zijn, zijn wat de voorwaarden betreft niet allemaal hetzelfde. In een aantal schriftelijke geldleningsovereenkomsten is duidelijk bepaald wanneer de lening moet worden terugbetaald en wat betreft deze overeenkomsten heeft Modus Vivendi voldaan aan haar stelplicht, terwijl in andere schriftelijke geldleningsovereenkomsten een nader te bepalen datum voor aflossing is opgenomen. Modus Vivendi heeft niet nader onderbouwd wanneer de verjaringstermijnen van de betalingsverplichtingen die voortvloeien uit alle schriftelijke en mondelinge geldleningsovereenkomsten zijn aangevangen en wanneer die volgens haar zijn verstreken.

4.6.

De rechtbank stelt Modus Vivendi in de gelegenheid nader te onderbouwen dat de vorderingen van [eiser] (gedeeltelijk) zijn verjaard, door per geldleningsovereenkomst toe te lichten 1) wanneer de verjaringstermijn van de betalingsverplichting van [gedaagde sub 2] jegens [eiser] is aangevangen en waarom en 2) wanneer de verjaringstermijn is verstreken. [eiser] mag daar vervolgens bij akte op reageren.

Bewind [gedaagde sub 2]

4.7.

Modus Vivendi heeft gesteld dat niet [gedaagde sub 2] maar zij zelf in haar hoedanigheid van bewindvoerder bevoegd is om het vermogen van [gedaagde sub 2] te binden. Modus Vivendi stelt verder dat [eiser] wist van het bewind en in ieder geval, in zijn hoedanigheid van een schuldeiser die hoge geldbedragen ter beschikking heeft gesteld, met het bestaan daarvan bekend had kunnen zijn. Als gevolg daarvan zijn de leningen die [eiser] na 25 oktober 2013 heeft verstrekt aan [gedaagde sub 2] – voor zover die in rechte komen vast te staan – niet verhaalbaar op het vermogen van [gedaagde sub 2] , aldus Modus Vivendi.
[eiser] heeft dit standpunt van Modus Vivendi betwist en heeft gesteld dat hij pas in augustus 2019 op de hoogte is geraakt van het bewind van [gedaagde sub 2] .

4.8.

Op grond van artikel 1:438 BW heeft niet [gedaagde sub 2] , maar Modus Vivendi het beheer en de beschikking over het onder het bewind staande vermogen van [gedaagde sub 2] . Rechtshandelingen na 25 oktober 2013 die zonder medewerking van Modus Vivendi of zonder een machtiging van de kantonrechter tot stand zijn gekomen, zijn ongeldig. Op grond van artikel 1:439 lid 1 BW kan deze ongeldigheid echter alleen aan [eiser] worden tegengeworpen als hij het bewind kende of had behoren te kennen. Als vast komt te staan dat [eiser] het bewind kende of had behoren te kennen, kan hij zijn vorderingen gelet op artikel 1:440 BW niet op het vermogen van [gedaagde sub 2] verhalen. Als [eiser] het bewind niet kende en niet had behoren te kennen – en aldus te goeder trouw was ten aanzien daarvan – gaat het betoog van Modus Vivendi niet op.

4.9.

Of [eiser] het bewind kende of behoorde te kennen, hangt af van de omstandigheden van het geval en van het al dan niet gepubliceerd zijn van het bewind. Gesteld noch gebleken is dat het bewind van [gedaagde sub 2] is gepubliceerd. Modus Vivendi zal daarom nadere feiten en omstandigheden moeten stellen waaruit voortvloeit dat [eiser] bekend was of behoorde te zijn met het bewind van [gedaagde sub 2] , nu [eiser] dat betwist. De stelling dat [eiser] wist van het bewind omdat hij Modus Vivendi heeft gedagvaard, is op zichzelf onvoldoende om aan te nemen dat [eiser] het bewind ook ten tijde van het verstrekken van de geldleningen al kende of behoorde te kennen.

4.10.

De rechtbank stelt Modus Vivendi in de gelegenheid om nader te onderbouwen waaruit blijkt dat [eiser] het bewind van [gedaagde sub 2] kende of behoorde te kennen op het moment van het verstrekken van de geldleningen aan [gedaagde sub 2] . [eiser] mag daar vervolgens bij akte op reageren.

Hoofdelijke verbondenheid

4.11.

Als het beroep op verjaring door Modus Vivendi niet of slechts ten dele slaagt en de ongeldigheid van de rechtshandelingen van [gedaagde sub 2] na 25 oktober 2013 niet aan [eiser] kan worden tegengeworpen, komt de rechtbank toe aan de beoordeling van de door [eiser] gestelde hoofdelijke verbondenheid van [gedaagde sub 2] voor de terugbetaling van de leningsbedragen.
Modus Vivendi heeft erkend dat [gedaagde sub 2] in de periode waarin hij met [gedaagde sub 3] was gehuwd schriftelijke geldleningsovereenkomsten met [eiser] is aangegaan. Tussen partijen staat de hoofdelijke verbondenheid voor de terugbetaling van de betreffende leningsbedragen vast. Ten aanzien van de geldleningsovereenkomsten in de periode na het huwelijk heeft Modus Vivendi de hoofdelijke verbondenheid van [gedaagde sub 2] betwist, stellende dat [gedaagde sub 2] niet gebaat was bij het aangaan van de geldleningsovereenkomsten en dat de leningsbedragen niet op zijn bankrekening zijn gestort, maar op de bankrekening(en) van (familieleden van) [gedaagde sub 3] .

4.12.

Op grond van artikel 6:6 lid 1 BW geldt dat schuldenaren voor een gelijk deel zijn verbonden indien de prestatie door twee of meer schuldenaren is verschuldigd, tenzij uit de wet, gewoonte of rechtshandeling voortvloeit dat zij voor ongelijke delen of hoofdelijk verbonden zijn. [eiser] heeft gelet op de gemotiveerde betwisting van Modus Vivendi onvoldoende onderbouwd waaruit de hoofdelijke verbondenheid van [gedaagde sub 2] in de periode na het huwelijk voortvloeit. Het standpunt van [eiser] dat [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] formeel zijn gescheiden maar feitelijk geen wijziging heeft plaatsgevonden van de tussen hen bestaande relatie, is onvoldoende om hoofdelijke verbondenheid van [gedaagde sub 2] aan te nemen. De werking van artikel 1:85 BW eindigt immers zodra de beschikking waarin de ontbinding van het huwelijk is uitgesproken in de gemeentelijke registers is ingeschreven.

4.13.

Voor de na 22 april 2011 verstrekte leningen geldt dat het op de weg van [eiser] ligt om gemotiveerd te stellen waaruit volgt dat [gedaagde sub 2] heeft te gelden als schuldenaar die gehouden is de betreffende lening zelf(standig) dan wel hoofdelijk dan wel voor een deel terug te betalen. Op basis van de overzichten van [eiser] (rechtsoverweging 3.2) en zijn overige stellingen is, enkele uitzonderingen daargelaten, niet per na 22 april 2011 verstrekte geldlening gesteld waaruit volgens [eiser] volgt dat sprake is van een (mede) aan [gedaagde sub 2] geleend en (mede) door hem terug te betalen geldbedrag.

4.14.

De rechtbank stelt [eiser] in de gelegenheid nader te onderbouwen waaruit per verstrekte lening in de periode na het huwelijk blijkt dat [gedaagde sub 2] heeft te gelden als schuldenaar die gehouden is de betreffende lening zelf(standig) dan wel hoofdelijk dan wel voor een deel terug te betalen. Daarna zal Modus Vivendi in de gelegenheid worden gesteld bij akte te reageren op deze onderbouwing.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1.

verwijst de zaak naar de rol van 21 oktober 2020 voor het nemen van een akte door Modus Vivendi over hetgeen is vermeld onder 4.6 en 4.10;

5.2.

bepaalt dat de zaak daarna op de rol zal komen van vier weken daarna voor het nemen van een antwoordakte door [eiser] en voor het nemen van een akte over hetgeen is vermeld onder 4.14;

5.3.

bepaalt dat de zaak daarna op de rol van vier weken daarna komt zodat Modus Vivendi een antwoordakte kan nemen over uitsluitend de onderbouwing van [eiser] als vermeld onder 4.14;

5.4.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. B. van Velzen, rechter, in tegenwoordigheid van mr. B. Meeuwisse-den Boer, griffier, en ondertekend en in het openbaar uitgesproken door mr. J.F. Koekebakker, rolrechter, op 23 september 2020.

3266/2066/3194/2294