Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:8786

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
30-09-2020
Datum publicatie
05-10-2020
Zaaknummer
8662725 VZ VERZ 20-14775
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Ontbindingsverzoek werkgever. Niet is komen vast te staan dat werknemer zich schuldig heeft gemaakt aan fraude. Verzoek op de e-grond afgewezen. Wel ernstig en duurzaam verstoorde arbeidsverhouding. Verzoek op subsidiaire g-grond toegewezen. TV.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2020-1177
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 8662725 VZ VERZ 20-14775

uitspraak: 30 september 2020

beschikking van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

InPublic B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

verzoekster,

gemachtigde: mr. E.M.Y. Sörensen te Rotterdam,

tegen

[verweerder] ,

wonende te [woonplaats verweerder] ,

verweerder,

gemachtigde: mr. M.J. Blom, werkzaam bij FNV te Rotterdam.

Partijen worden hierna aangeduid als “InPublic” en “ [verweerder] ”.

1. Het verloop van de procedure

1.1

Van de volgende processtukken is kennisgenomen:

  • -

    het verzoekschrift ex artikel 7:671b BW, met producties, ontvangen op 23 juli 2020;

  • -

    het verweerschrift, met producties, ontvangen op 31 augustus 2020;

  • -

    de voorafgaande aan de mondelinge behandeling aan de zijde van InPublic overgelegde brief van 27 augustus 2020, ter griffie ontvangen op 31 augustus 2020, met producties;

  • -

    de voorafgaande aan de mondelinge behandeling aan de zijde van [verweerder] overgelegde (fax)brief van 1 september 2020, met producties;

  • -

    de voorafgaande aan de mondelinge behandeling aan de zijde van InPublic overgelegde (fax)brief van 1 september 2020, met producties;

  • -

    het proces-verbaal van de op 3 september 2020 gehouden mondelinge behandeling;

  • -

    de voorafgaande aan de voortzetting van de mondelinge behandeling aan de zijde van [verweerder] overgelegde (fax)brief van 4 september 2020, met producties;

  • -

    de voorafgaande aan de voortzetting van de mondelinge behandeling aan de zijde van InPublic overgelegde (fax)brief van 8 september 2020, met producties;

  • -

    de bij gelegenheid van de voortzetting van de mondelinge behandeling aan de zijde van InPublic overgelegde beter leesbare versie van productie 5 bij verzoekschrift;

  • -

    de bij gelegenheid van de voortzetting van de mondelinge behandeling aan de zijde van InPublic overgelegde pleitaantekeningen.

1.2

De mondelinge behandeling was aanvankelijk gepland op 3 september 2020. Namens InPublic was daarbij aanwezig de heer [naam 1] (hierna: [naam 1] ), directeur/bestuurder, bijgestaan door de gemachtigde voornoemd. [verweerder] is in persoon verschenen, vergezeld van zijn echtgenote, en eveneens bijgestaan door zijn gemachtigde. Gelet op de in het proces-verbaal van die zitting neergelegde omstandigheden heeft de kantonrechter in overleg met partijen de (fysieke) mondelinge behandeling verplaatst naar 9 september 2020. Partijen hebben hun standpunten (nader) doen toelichten door hun respectieve gemachtigden, InPublic aan de hand van pleitaantekeningen en een beter leesbare versie van het overzicht van productie 5 bij verzoekschrift, die zij heeft overgelegd. Van hetgeen ter mondelinge behandeling is verhandeld heeft de griffier aantekening gehouden.

1.3

De kantonrechter heeft de uitspraak van deze beschikking bepaald op heden.

2. De feiten

In deze procedure wordt uitgegaan van de volgende feiten:

2.1

InPublic levert diensten met betrekking tot het beheer en/of de exploitatie van parkeerplaatsen in Nederland, zowel op straat als in parkeergarages. Daarnaast is InPublic actief op het gebied van dienstverlening door middel van het inzetten van toezichthouders en het verzorgen van parkeeradministraties.

2.2

[verweerder] , geboren op [geboortedatum verweerder] , is op 1 januari 2016 voor bepaalde tijd bij (de rechtsvoorgangster van) InPublic in dienst getreden in de functie van parkeerwachter (cityhost). Met ingang van 1 maart 2017 is een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd ontstaan met een arbeidsomvang van 25 uur per week. Het salaris van [verweerder] bedroeg laatstelijk € 11,25 bruto per uur, exclusief emolumenten.

[verweerder] was (op structurele basis) werkzaam in drie parkeergarages, te weten Cilinderstraat te Rotterdam en Plein en Parking World Forum B te Den Haag.

De leidinggevende van [verweerder] is de heer [naam 2] (hierna: [naam 2] ).

2.3

[verweerder] beschikte over een (persoonlijke) parkeerpas om daarmee de parkeergarages (gratis) in en uit te kunnen rijden.

2.4

[verweerder] diende (kort) na zijn werkdag de door hem gewerkte uren in te voeren in het digitale systeem Dyflexis, het urenregistratiesysteem van InPublic. In PMS, het digitale parkeermanagementsysteem van InPublic, worden de logtijden met betrekking tot de in- en uitrijtijden van de parkeerwachters geregistreerd, zodra zij met hun persoonlijke parkeerpas de parkeergarages van InPublic in- en uitrijden.

2.5

Gedurende het dienstverband heeft [verweerder] een drietal officiële waarschuwingen gehad, te weten op 29 maart 2017, 1 juni 2018 en op 18 maart 2020, voor (kort gezegd) zijn houding en gedrag jegens bezoekers en collega’s. Bij brief van 18 maart 2020 bericht [naam 1] namens InPublic aan [verweerder] onder meer het navolgende:

“(…) Jij hebt in de parkeergarage ruzie gemaakt met [naam 3] en hem onder meer uitgescholden voor “varken’. Dit omdat hij de deur van de loge naar jouw zin niet snel genoeg open deed terwijl jij met volle handen voor de logedeur stond. (…) Jij hebt op 1 juni 2018 al een schriftelijke waarschuwing ontvangen voor jouw ontoelaatbare uitlatingen en houding richting jouw collega [naam 3] . (…) Ook op
29 maart 2017 waren jouw houding en beledigende uitlatingen jegens een parkeergast reden om jou een schriftelijke waarschuwing te geven. Jouw houding en uitlatingen zijn met regelmaat intimiderend en kwetsend. Dit is jouw derde en laatste waarschuwing. Jij dient je als goed werknemer netjes en collegiaal te gedragen ten opzichte van jouw leidinggevenden en collega’s. (…)”

2.6

Voornoemde brief van 18 maart 2020 is gezonden naar aanleiding van een op die datum met [verweerder] gehouden gesprek, waarbij onder meer ook is gesproken over een door [verweerder] te volgen verbetertraject. Bij e-mail van 29 maart 2020 heeft InPublic het verbetertraject aan [verweerder] toegestuurd.

De doelstellingen van het verbetertraject zijn onder andere:

  1. Geen beledigende, denigrerende of racistische opmerkingen tegen collega’s en/of leidinggevenden en/of bezoekers. Jouw uitlatingen op de werkvloer moeten constructief en positief zijn.

  2. Geen intimiderende of dreigende houding aannemen naar collega’s en/of leidinggevenden en/of bezoekers. Jouw houding moet welwillend en meewerkend zijn.

[verweerder] heeft het verbetertraject niet ondertekend.

2.7

[verweerder] is sinds 22 april 2020 arbeidsongeschikt.

2.8

InPublic heeft van 30 juni tot 6 juli 2020 onderzoek gedaan naar de door [verweerder] in Dyflexis genoteerde werktijden over de periode van februari tot 22 april 2020 en de logtijden die in PMS waren geregistreerd. Aanleiding voor dat onderzoek was de schorsing van [naam 4] , de zoon van [verweerder] , die eveneens voor InPublic werkzaam was, op 26 juni 2020 en het daarop volgende ontslag op staande voet op 30 juni 2020 wegens door InPublic gestelde urenfraude.

2.9

Bij e-mail van 6 juli 2020 heeft InPublic [verweerder] uitgenodigd voor een gesprek met [naam 1] en [naam 2] op 8 juli 2020 met betrekking tot de door [verweerder] geschreven uren over de periode van februari tot 22 april 2020. Dat gesprek heeft op verzoek van
via WhatsApp video plaatsgevonden en is door InPublic opgenomen. De echtgenote van [verweerder] was ook bij het gesprek aanwezig.

3. Het verzoek en de grondslag daarvan

3.1

Het verzoek strekt tot ontbinding van de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst op een zo kort mogelijke termijn, primair wegens verwijtbaar handelen van [verweerder] en subsidiair wegens een verstoorde arbeidsverhouding, een en ander als bedoeld in artikel 7:669 lid 3 sub e respectievelijk sub g BW, en te bepalen dat InPublic geen transitievergoeding is verschuldigd en dat een verkorte opzegtermijn wordt gehanteerd.

3.2

Aan dit verzoek heeft InPublic - zakelijk weergegeven en voor zover van belang - het volgende ten grondslag gelegd:

3.2.1

[verweerder] heeft verwijtbaar gehandeld jegens InPublic, aangezien hij zich schuldig heeft gemaakt aan (structurele) urenfraude. Hij heeft (in ieder geval) in de periode van februari tot 22 april 2020 uren als gewerkt genoteerd in Dyflexis, terwijl de logtijden in PMS afwijkend (minder) zijn. [verweerder] heeft dan ook uren geschreven die hij niet daadwerkelijk aan het werk was. Ter onderbouwing daarvan wordt verwezen naar het als productie 5 bij verzoekschrift overgelegde overzicht. [verweerder] heeft zijn parkeerpas lang niet altijd gebruikt, waardoor zijn aanwezigheid op die betreffende dagen niet te controleren is voor InPublic. [verweerder] heeft InPublic bewust benadeeld. Het handelen van [verweerder] rechtvaardigt ontbinding van de arbeidsovereenkomst op grond van artikel 7:669 lid 3 sub e BW.

3.2.2

Indien moet worden aangenomen dat van verwijtbaar handelen geen sprake is, dan betoogt InPublic dat (onder andere) als gevolg van de ontstane situatie, de vele waarschuwingen die [verweerder] in de jaren daarvoor al had gekregen, het (niet ondertekenen van het) verbetertraject en de zeer beledigende opmerkingen die hij en zijn echtgenote in het gesprek van 8 juli 2020 jegens [naam 1] en [naam 2] hebben gemaakt, in ieder geval de arbeidsverhoudingen in ernstige mate en onherstelbaar zijn verstoord en dat InPublic het vertrouwen in [verweerder] volledig heeft verloren. Gelet hierop kan van InPublic redelijkerwijs niet gevergd worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. De arbeidsovereenkomst dient daarom op grond van artikel 7:669 lid 3 sub g BW te worden ontbonden.

3.2.3

[verweerder] kan geen aanspraak maken op de transitievergoeding. Voor toekenning van een billijke vergoeding aan [verweerder] bestaat evenmin aanleiding. InPublic heeft niet ernstig verwijtbaar gehandeld jegens [verweerder] .

4. Het verweer

4.1

Het verweer strekt primair tot afwijzing van het ontbindingsverzoek van InPublic. Subsidiair - in het geval van toewijzing van het ontbindingsverzoek - heeft [verweerder] verzocht om toekenning van een transitievergoeding van € 3.225,18 bruto en een billijke vergoeding van € 20.000,00 bruto aan [verweerder] ten laste van InPublic, vermeerderd met de wettelijke rente, met veroordeling van InPublic in de proceskosten.

4.2

Hiertoe heeft [verweerder] - zakelijk weergegeven en voor zover van belang - het volgende aangevoerd:

4.2.1

Van verwijtbaar handelen is geen enkele sprake. [verweerder] heeft niet frauduleus gehandeld. De door hem ingevoerde uren in Dyflexis zijn juist. Het overzicht van productie 5 bij verzoekschrift is niet correct. Niet alleen ontbreken de onderliggende gegevens uit PMS waarop de in het overzicht vermelde in- en uitrijtijden zouden zijn gebaseerd, maar ook wordt verwezen naar de diverse kanttekeningen die [verweerder] bij dat overzicht heeft geplaatst. Daarbij komt nog dat [naam 2] telkens het door [verweerder] ingevulde aantal werkuren heeft goedgekeurd. InPublic kan daar nu niet meer op terugkomen.

[verweerder] valt niets te verwijten.

4.2.2

Er kan geen sprake van zijn dat het vertrouwen van InPublic in [verweerder] ernstig en duurzaam is geschonden en voortzetting van de arbeidsovereenkomst niet meer van InPublic kan worden gevergd. [verweerder] heeft spijt van zijn uitlatingen in het gesprek van 8 juli 2020. Ook het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst op grond van een verstoorde arbeidsverhouding moet gelet op het voorgaande worden afgewezen.

4.2.3

Indien de arbeidsovereenkomst toch zal worden ontbonden, dient aan [verweerder] een transitievergoeding van € 3.225,18 bruto en een billijke vergoeding van
€ 20.000,00 bruto te worden toegekend wegens ernstig verwijtbaar handelen door InPublic.

5. De beoordeling

5.1

Voorop gesteld wordt dat tussen partijen niet meer in geschil is dat InPublic als gevolg van een overgang van onderneming per 1 januari 2020 als de huidige werkgever van
[verweerder] heeft te gelden. [verweerder] heeft dat ter zitting ook erkend en het eerder in dat verband gevoerde verweer dat hij in dienst is bij InPublic Personeelsdiensten B.V. ingetrokken. Deze kwestie kan derhalve verder in het midden blijven. InPublic is ontvankelijk in haar verzoek.

5.2

Het gaat in deze zaak om de vraag of de arbeidsovereenkomst tussen partijen moet worden ontbonden op grond van artikel 7:671b lid 1 BW. Ingevolge artikel 7:671b
lid 1, aanhef en onder a, BW gelezen in samenhang met artikel 7:669 lid 1 BW kan de kantonrechter op verzoek van de werkgever de arbeidsovereenkomst ontbinden indien daar een redelijke grond voor is en herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn, al dan niet met behulp van scholing, in een andere passende functie niet mogelijk is of niet in de rede ligt. De kantonrechter stelt vast dat in casu weliswaar sprake is van een opzegverbod zoals bedoeld in artikel 7:671b lid 2 BW, omdat ervan uitgegaan dient te worden dat [verweerder] nog steeds arbeidsongeschikt is, maar dit opzegverbod staat gezien artikel 7:671b lid 6 BW niet aan de ontbinding van de arbeidsovereenkomst in de weg. Het verzoek houdt immers geen enkel verband met de ziekte van [verweerder] , maar is gebaseerd op de door InPublic gestelde (uren)fraude (dan wel de verstoorde arbeidsverhouding). De ziekmelding door [verweerder] op 22 april 2020 was bijna
2,5 maand eerder dan de datum waarop het gesprek tussen partijen over de registratie door [verweerder] van zijn arbeidsuren plaatsvond (8 juli 2020).

Het verweer van [verweerder] dat zijn klachten zouden zijn verergerd door de discussie over de gestelde urenfraude, nog afgezien van het ontbreken van een onderbouwing daarvan, maakt dit niet anders. Dit kan er immers niet toe leiden dat daardoor “dus” een verband is ontstaan met het ontbindingsverzoek.

5.3

De wetgever heeft onder meer verwijtbaar handelen van de werknemer en een verstoorde arbeidsverhouding als redelijke gronden voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst aangemerkt. Dat is bepaald in artikel 7:669 lid 3, aanhef en onder e en g, BW. Het verzoek van InPublic strekt tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst op die gronden.

5.4

Allereerst wordt overwogen dat het verweer van [verweerder] dat nu de door hem in Dyflexis geregistreerde uren telkens door [naam 2] zijn goedgekeurd, InPublic daar niet meer op kan terugkomen, niet slaagt. Indien een werkgever op enig moment (eventueel na onderzoek) constateert dat een werknemer zich schuldig heeft gemaakt aan (uren)fraude, valt niet in te zien op grond waarvan de werkgever daar dan geen actie meer op kan ondernemen en de fraudesituatie moet laten voortbestaan.

5.5

Tussen partijen staat vast dat geen schriftelijke afspraken zijn gemaakt omtrent het (verplicht) gebruik van de parkeerpas door [verweerder] . Hij heeft ter zitting weliswaar erkend dat hij die pas in beginsel diende te gebruiken bij het in- en uitrijden van de parkeergarages, maar niet in geschil is dat hij regelmatig op verzoek van [naam 2] een kaartje diende te trekken bij de ingang van de garages om het functioneren van het toegangssysteem te controleren en dat hij die tickets ook telkens aan [naam 2] diende te verstrekken. [verweerder] heeft daar ook voorbeelden van in het geding gebracht.

Daarnaast heeft [verweerder] aangevoerd dat hij regelmatig lopend naar de parkeergarage aan de Cilinderstraat te Rotterdam ging, aangezien hij vlakbij die garage woont. Gelet daarop was het niet mogelijk om zijn parkeerpas op die werkdagen te gebruiken, aldus
. InPublic heeft ook niet betwist dat hij op loopafstand van die parkeergarage woonachtig is.

Ook kwam het volgens [verweerder] af en toe voor dat zijn echtgenote de auto uit de parkeergarage aan de Cilinderstraat te Rotterdam ophaalde om bijvoorbeeld boodschappen te kunnen doen. InPublic heeft tijdens de zitting ook erkend dat dat wel eens het geval kan zijn geweest.

Verder heeft [verweerder] nog aangevoerd dat het regelmatig voorkwam dat de slagbomen en speedgate in de parkeergarage aan de Cilinderstraat te Rotterdam niet functioneerden, waardoor hij zijn parkeerpas niet kon gebruiken.

Gesteld noch gebleken is dat [verweerder] is gewaarschuwd voor het niet gebruiken van zijn parkeerpas.

Gelet op al deze omstandigheden moet vastgesteld worden dat het door InPublic beoogde gebruik van de parkeerpas en daarmee de in- en uitrijregistratie in PMS (zeker) niet waterdicht is.

5.6

Voorts heeft InPublic tijdens de mondelinge behandeling erkend dat [verweerder] zelf kon bepalen op welk moment van de dag hij de 3 geplande diensturen werkte in de parkeergarage aan de Cilinderstraat. Dit betekent dat voor zover [verweerder] in die garage op andere tijden heeft gewerkt dan waarop hij in Dyflexis was ingeroosterd, dat niet tot de conclusie kan leiden dat hij op enigerlei wijze heeft gefraudeerd met werktijden.

5.7

De kantonrechter stelt vast dat InPublic tegen de hiervoor onder 5.5 vermelde achtergrond en in het licht van de vele verweren die door [verweerder] zijn gevoerd tegen de door InPublic gestelde onjuist door hem ingevulde uren in Dyflexis en het door InPublic als productie 5 overgelegde overzicht niet heeft kunnen aantonen dat [verweerder] over de periode van februari tot 22 april 2020 zijn werktijden niet juist heeft geregistreerd. [verweerder] heeft concrete verweren gevoerd die niet, althans onvoldoende, door InPublic zijn weerlegd. Daartoe wordt als volgt overwogen.

5.7.1

[verweerder] heeft onder andere aangevoerd dat de onderliggende gegevens uit PMS waarop het overzicht zou zijn gebaseerd ontbreken. InPublic heeft ter zitting meegedeeld dat de daarop vermelde in- en uitrijtijden wel afkomstig zijn uit PMS, maar dat zij geen uitdraai heeft gemaakt van die logtijden en dat zij nu niet meer over die gegevens beschikt omdat die gegevens al naar drie maanden worden overschreven. InPublic heeft weliswaar aangevoerd dat het misschien nog mogelijk is om bepaalde loggegevens via de provider op te vragen, maar zij heeft niet aangeboden om (voor zover toch nog mogelijk) die gegevens alsnog in het geding te brengen en ook overigens heeft zij op dit punt geen bewijs aangeboden. InPublic heeft zelf meerdere malen gesteld dat geen camerabeelden beschikbaar zijn in het geval van [verweerder] (in tegenstelling tot de situatie bij zijn zoon [naam 4] ), waardoor niet met zekerheid kan worden vastgesteld dat de tijden uit PMS kloppen. Bovendien heeft InPublic nog gesteld dat er geen steekproeven worden gehouden bij de werknemers en dat er altijd volledig op goed vertrouwen wordt gewerkt.

5.7.2

Het voorgaande betekent reeds dat het voor zowel de kantonrechter als voor [verweerder] niet mogelijk is om te controleren of de diverse in- en uitrijtijden op het door InPublic verstrekte overzicht correct zijn.

5.7.3

Verder heeft [verweerder] zich op het standpunt gesteld dat hij regelmatig tijdens zijn werkzaamheden, voordat hij zijn diensturen had volgemaakt, werd weggeroepen om calamiteiten en storingen (zoals problemen met toegangshekken en slagbomen) in andere parkeergarages te verhelpen, als gevolg waarvan hij de parkeergarage waar hij aanvankelijk werkzaam was op een eerder tijdstip dan gepland verliet en die uitrijtijd door InPublic werd geregistreerd. [verweerder] heeft daar ook diverse voorbeelden van overgelegd. Dat verklaart volgens [verweerder] ook dat op 20 februari 2020 op het overzicht wel een uitrijtijd, maar geen inrijtijd is vermeld. Hoewel InPublic enkele schriftelijke verklaringen, ook van [naam 1] , heeft overgelegd dat het niet frequent voorkwam dat [verweerder] werd weggeroepen, heeft [naam 1] tijdens de zitting anders verklaard. Bij die gelegenheid heeft hij meegedeeld dat “calamiteiten wel voorkwamen, maar niet iedere dienst” en dat hij ook niet kan uitsluiten dat zich in de periode waarop het overzicht betrekking heeft calamiteiten in andere parkeergarages hebben voorgedaan, waarop [verweerder] werd ingezet. Ook blijkt uit de geluidsopname van het op 8 juli 2020 gehouden gesprek dat [naam 2] heeft gezegd: “Het is niet zo dat ik je iedere dag belde voor storingen”.

Er moet dan ook vanuit worden gegaan dat [verweerder] (vrij) regelmatig werd opgeroepen om tijdens zijn diensten naar andere parkeergarages af te reizen.

Tussen partijen staat vast dat het niet mogelijk is om die (rooster)wijzigingen in Dyflexis in te voeren, in geval die wijzigingen zich tijdens de reguliere diensturen voordoen. Een en ander komt voor rekening en risico van InPublic. Ook dit doet afbreuk aan de betrouwbaarheid van het overzicht.

5.7.4

Voorts heeft [verweerder] aangevoerd dat hij soms ook op een aanvankelijk geplande vrije dag werd opgeroepen voor het verhelpen van een storing waarbij bijvoorbeeld de slagbomen open bleven staan en alleen een uitrijtijd van [verweerder] kon worden geregistreerd. Ook dat is door InPublic niet betwist.

5.7.5

Ook is het opmerkelijk dat op de laatste pagina van het overzicht in- en uitrijtijden zijn vermeld op (vrijdag) 22 mei 2020. [verweerder] was toen al geruime tijd arbeidsongeschikt en tussen partijen is ook niet in geschil dat hij toen niet meer heeft gewerkt. InPublic heeft in de pleitaantekeningen juist uitdrukkelijk benadrukt dat [verweerder] vanaf 22 april 2020 geen enkele keer meer heeft gewerkt. InPublic heeft ter zitting geen verklaring kunnen geven voor de tijdsregistraties op 22 mei 2020.

5.8

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat diverse feiten en omstandigheden in aanzienlijke mate afbreuk doen aan de betrouwbaarheid van het overzicht. De kantonrechter kan dan ook niet op dit overzicht afgaan, terwijl de door InPublic gestelde urenfraude volledig op dit overzicht is gebaseerd. InPublic heeft niet kunnen aantonen dat [verweerder] zijn arbeidsuren onjuist (te hoog) heeft geregistreerd in Dyflexis, laat staan op structurele basis. Een en ander leidt tot de slotsom dat niet is komen vast te staan dat [verweerder] zich schuldig heeft gemaakt aan (uren)fraude. Het ontbindingsverzoek dat gebaseerd is op de e-grond dient dan ook afgewezen te worden.

5.9

Subsidiair heeft InPublic aan haar verzoek ten grondslag gelegd dat sprake is van een ernstig en duurzaam verstoorde arbeidsverhouding.

Gelet op de omstandigheid dat de houding en het gedrag van [verweerder] regelmatig te wensen overliet, hij in een relatief korte periode al drie (officiële) waarschuwingen had gekregen wegens (met name) het in strijd handelen met de binnen InPublic geldende arbeidsvoorschriften en voor de wijze waarop hij zich zowel mondeling als schriftelijk uitliet jegens diverse personen en [verweerder] in maart van dit jaar zelfs nog een derde en laatste waarschuwing opgelegd had gekregen met een laatste kans, moet ervan uitgegaan worden dat het vertrouwen van InPublic in [verweerder] al flink beschadigd was voordat het gesprek op 8 juli 2020 tussen [naam 1] en [naam 2] enerzijds en [verweerder] en zijn echtgenote anderzijds plaatsvond.

[verweerder] heeft weliswaar enige kanttekeningen geplaatst bij die waarschuwingen, maar dat neemt niet weg dat vaststaat dat [verweerder] zich regelmatig in niet mis te verstane bewoordingen heeft uitgelaten tegenover collega’s, leidinggevenden en bezoekers. InPublic heeft [verweerder] op 29 maart 2020 ook een verbetertraject opgelegd met als (primair) doel het verbeteren van zijn houding en gedrag en het in de toekomst voorkomen van beledigende, denigrerende en/of racistische opmerkingen. Dat [verweerder] dat verbetertraject niet heeft willen ondertekenen vanwege de daaraan door InPublic verbonden arbeidsrechtelijke gevolgen in geval van het niet behalen van de doelstellingen betekent niet dat van dat traject “dus” geen sprake (meer) is. Dat het traject niet of nauwelijks van de grond is gekomen is het gevolg van de ziekmelding door [verweerder] enkele weken later.

5.9.1

De kantonrechter is van oordeel dat zowel [verweerder] als zijn echtgenote zich in het gesprek van 8 juli 2020, waarin InPublic aan [verweerder] verzocht om een verklaring voor het verschil tussen de in Dyflexis door hem geregistreerde uren en de tijden zoals volgens haar vermeld in PMS, op onacceptabele wijze hebben uitgelaten jegens [naam 1] en [naam 2] . De wijze waarop dat gesprek door [verweerder] is gevoerd gaat alle perken te buiten en is wederom in strijd met de eerdere waarschuwingen en het verbetertraject. Desondanks is [verweerder] weer in de fout gegaan. [verweerder] en zijn vrouw gingen met name in de tweede helft van het gesprek compleet “los” en toonden geen enkel respect voor de directeur en leidinggevende van InPublic.

5.9.2

Uit de geluidsopname van het gesprek blijkt dat [verweerder] en zijn echtgenote [naam 1] en [naam 2] op grove wijze hebben beledigd. [verweerder] heeft onder andere tegen [naam 1] en [naam 2] gezegd: “Je bent echt een triest geval”, “Laat me die vieze ogen van jou dan eens zien” en “ook voor die enge lul die naast je zit”. De vrouw van [verweerder] heeft onder andere tegen [naam 1] gezegd: “Je bent een viezerik” en “Je bent een hele nette man maar van binnen ben je rot”.

Het verweer van [verweerder] dat zijn uitlatingen het gevolg waren van emoties maakt niet dat hij zich “dus” op een dergelijke onfatsoenlijke wijze kon uitlaten. In het licht van de eerder genoemde omstandigheden was er een redelijke aanleiding voor InPublic om aan [verweerder] om een toelichting te vragen op zijn urenregistratie. Bovendien was dit gesprek al een paar dagen van tevoren ingepland, zodat [verweerder] zich daarop ruimschoots had kunnen voorbereiden en hij daar dus niet door overvallen werd. [verweerder] heeft zich ook gedurende het gesprek kennelijk niet gerealiseerd dat hij (veel) te ver ging. Voor zover [verweerder] zijn woorden zelf al niet als een ernstige belediging heeft opgevat of heeft bedoeld, hoefde InPublic dergelijk gedrag in redelijkheid niet toe te laten, zeker niet gelet op de voorgeschiedenis van [verweerder] op dit punt.

5.9.3

Op basis van het voorgaande moet vastgesteld worden dat [verweerder] kennelijk niet in staat is om zijn houding en gedrag te verbeteren en zich te onthouden van het maken van beledigende opmerkingen. [verweerder] heeft na het gesprek ook niets ondernomen om de verstandhouding tussen partijen te verbeteren.

5.9.4

Vastgesteld wordt dat [verweerder] diverse keren zodanig heeft gehandeld dat daarmee de arbeidsverhouding ernstig en duurzaam is verstoord. Naar het oordeel van de kantonrechter is dan ook voldoende aannemelijk dat InPublic het vertrouwen in [verweerder] heeft verloren en dat een vruchtbare samenwerking tussen partijen in de toekomst niet meer tot de mogelijkheden behoort. De kantonrechter gaat voorbij aan de stelling van [verweerder] dat hij waarschijnlijk “niet meer aan het werk komt”. Nog afgezien van het feit dat hij niets heeft overgelegd ter onderbouwing daarvan, moet [verweerder] in overwegende mate verantwoordelijk worden gehouden voor de ontstane situatie.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat sprake is van een zodanig verstoorde arbeidsverhouding, dat van InPublic redelijkerwijs niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen ligt herplaatsing van [verweerder] bij InPublic niet in de rede.

5.10

De conclusie is dat de kantonrechter het verzoek van InPublic tot ontbinding op de subsidiaire grondslag zal toewijzen. De einddatum van de arbeidsovereenkomst wordt bepaald op de hierna te melden datum, rekening houdend met de opzegtermijn van één maand en de behandelduur van de onderhavige procedure vanaf 23 juli 2020. Het verzoek van InPublic om een verkorte opzegtermijn te hanteren kan niet slagen.

5.11

Uit artikel 7:673 lid 1 BW volgt dat de werkgever aan de werknemer een transitievergoeding verschuldigd is indien (kort gezegd) de arbeidsovereenkomst op verzoek van de werkgever is ontbonden. Ingevolge het bepaalde onder lid 7 sub c van dit artikel is geen transitievergoeding verschuldigd indien het eindigen of niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is daarvan geen sprake. Dit houdt in dat [verweerder] recht heeft op een transitievergoeding. Het verzoek van InPublic om te bepalen dat zij geen transitievergoeding is verschuldigd, wordt dan ook afgewezen.

InPublic heeft niet betwist dat de transitievergoeding voor [verweerder] correspondeert met een bedrag van € 3.225,18 bruto, zodat die vergoeding zal worden toegewezen. De wettelijke rente over de transitievergoeding is op grond van artikel 7:686a lid 1 BW toewijsbaar vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst zal eindigen.

5.12

Gelet op artikel 7:671b lid 9 sub c BW is voor toekenning van een billijke vergoeding alleen plaats indien de ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is daarvan (zeker) geen sprake. Er is dan ook geen aanleiding om aan [verweerder] een billijke vergoeding toe te kennen.

5.13

Hetgeen verder nog door partijen is aangevoerd, kan tot geen ander oordeel leiden en behoeft daarom geen (nadere) bespreking.

5.14

Nu partijen over en weer op punten in het ongelijk zijn gesteld, wordt het redelijk geacht dat partijen ieder hun eigen proceskosten dragen.

6. De beslissing

De kantonrechter:

ontbindt de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst met ingang van 1 november 2020;

veroordeelt InPublic tot betaling aan [verweerder] van een bedrag van € 3.225,18 bruto aan transitievergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf

een maand na de ontbindingsdatum tot de dag der algehele voldoening;

bepaalt dat elk der partijen de eigen kosten van deze procedure draagt;

verklaart deze beschikking voor zover het de veroordelingen betreft uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. E.I. Mentink en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

764