Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:8781

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
30-09-2020
Datum publicatie
12-10-2020
Zaaknummer
C/10/588181 / HA ZA 19-1190
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

In hoofdzaak met eiseres uit Panama is een incidentele vordering tot zekerheidstelling proceskosten op grond van artikel 224 Rv ingesteld. Afgewezen omdat effectieve toegang tot de rechter zou worden belemmerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/588181 / HA ZA 19-1190

Vonnis in incident van 30 september 2020

in de zaak van

de vennootschap naar het recht van de plaats van haar vestiging

GUDRI SHIPPING & TRADING CORP.,

gevestigd te Panama City, Panama,

eiseres in de hoofdzaak,

verweerster in het incident,

advocaat mr. T. Bezmalinovic te Rotterdam,

tegen

1. de vennootschap naar het recht van de plaats van haar vestiging

BRACHT DECKERS EN MACKELBERT N.V. (B.D.M. N.V.),

gevestigd te Antwerpen, België,

2. de vennootschap naar het recht van de plaats van haar vestiging

STARSTONE INSURANCE SERVICES LIMITED (under the “authority” of Syndicate 1301),

gevestigd te Londen, Verenigd Koninkrijk,

3. de vennootschap naar het vennootschapsrecht van de Europese Unie

AMLIN INSURANCE SE,

gevestigd te Amstelveen,

4. de vennootschap naar Belgisch recht

BALOISE BELGIUM N.V.,

gevestigd te Beesd,

5. de vennootschap naar het vennootschapsrecht van de Europese Unie

XL INSURANCE COMPANY SE,

gevestigd te Amsterdam,

6. de naamloze vennootschap

AEGON SCHADEVERZEKERING N.V.,

gevestigd te ‘s-Gravenhage,

7. de naamloze vennootschap

HDI-GERLING VERZEKERINGEN N.V.,

gevestigd te Rotterdam,

8. de naamloze vennootschap

DE NEDERLANDEN VAN NU SCHADEVERZEKERINGEN,

gevestigd te Diemen ,

9. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DUPI UNDERWRITING AGENCIES B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagden in de hoofdzaak,

eiseressen in het incident,

advocaat mr. P.A. den Haan te Rotterdam.

Partijen zullen hierna Gudri en Bracht c.s. genoemd worden. Gedaagden afzonderlijk zullen Bracht, Starstone, Amlin, Baloise, XL, Aegon, HDI, DNVN respectievelijk Dupi genoemd worden.

1. De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaardingen van 1 november 2019;

  • -

    de akte overlegging bewijs betekening dagvaarding buitenland alsmede overlegging van de Engelse vertaling, met producties;

  • -

    de akte overlegging producties van Gudri;

  • -

    de incidentele conclusies van eis voor alle weren op grond van artikel 224 Rv en op grond van artikel 843a Rv tevens conclusie van antwoord in hoofdzaak van Bracht c.s., met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord in het art. 224 en 843a Rv-incident, met productie.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald in het incident op grond van artikel 224 Rv.

2. Het geschil in het incident op grond van artikel 224 Rv

2.1.1.

Bracht c.s. vordert dat Gudri zekerheid stelt voor de proceskosten binnen een termijn van maximaal zes weken op straffe van niet-ontvankelijkheid in de hoofdzaak, althans op een door de rechtbank te bepalen termijn, voor een totaalbedrag van € 25.339,-, althans een door de rechtbank te bepalen bedrag, middels een bankgarantie op Rotterdams garantieformulier, laatste versie, door een eersteklas Nederlandse bank, met veroordeling van Gudri in de kosten van het incident.

2.1.2.

Bracht c.s. heeft hieraan kort samengevat ten grondslag gelegd dat Gudri is gevestigd in Panama, dat de uitzonderingen als bedoeld in artikel 224 lid 2 aanhef en onder a tot en met d Rv niet van toepassing zijn en dat Gudri daarom zekerheid dient te stellen voor de proceskosten overeenkomstig artikel 224 Rv.

2.2.

Gudri voert verweer, strekkende tot afwijzing, althans matiging van de vordering, met veroordeling van Bracht c.s. bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis in de proceskosten. Gudri heeft hieraan kort samengevat ten grondslag gelegd dat zij onvoldoende middelen heeft om zekerheid te stellen, en dat zij bij toewijzing van de vordering derhalve zal worden belemmerd in haar effectieve toegang tot de rechter.

2.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

3. De beoordeling in het incident op grond van artikel 224 Rv

3.1.

De incidentele vordering is tijdig en voor alle weren ingesteld. Op grond van artikel 224 lid 1 Rv dient degene die zonder woonplaats of gewone verblijfplaats in Nederland bij een Nederlandse rechter een vordering instelt, op vordering van de wederpartij zekerheid te stellen voor de proceskosten. Dit is slechts anders indien een van de in artikel 224 lid 2 Rv genoemde uitzonderingen van toepassing is.

3.2.

Tussen partijen is niet in geschil dat Gudri gevestigd is in Panama en geen vestigingsplaats heeft in Nederland. Dat betekent dat de vordering in beginsel kan worden toegewezen. Beoordeeld dient te worden of zich een van de hiervoor bedoelde uitzonderingssituaties voordoet.

3.3.

Panama is geen partij bij een verdrag of EU-Verordening als bedoeld in artikel 224 lid 2 aanhef en onder a Rv waaruit voortvloeit dat geen verplichting tot het stellen van zekerheid bestaat. Evenmin is er een verdrag, EU-Verordening of wet van toepassing op grond waarvan een eventuele proceskostenveroordeling in Panama ten uitvoer zal kunnen worden gelegd (artikel 224 lid 2 aanhef en onder b Rv). Deze uitzonderingssituaties zijn derhalve niet van toepassing.

3.4.

Ook is niet aannemelijk dat Gudri verhaal voor een eventuele proceskostenveroordeling biedt in Nederland. Gudri heeft dit ook niet gesteld. De uitzondering van artikel 224 lid 2 aanhef en onder c Rv doet zich derhalve evenmin voor.

3.5.

Gudri heeft haar stelling dat de uitzonderingssituatie van artikel 224 lid 2 aanhef en onder d Rv zich voordoet, als volgt onderbouwd.

3.5.1.

Gudri is een one-ship company, met als enige vermogensbestanddeel de sleepboot “ [naam sleepboot] ”, welke bij Bracht c.s. was verzekerd tegen onder meer total loss. Deze sleepboot is op 5 november 2013 gekapseisd en vergaan. Na het verlies van de sleepboot is Gudri een lege vennootschap geworden, met als enige vermogensbestanddeel de claim tegen Bracht c.s. in de hoofdzaak. Een zekerheidstelling zou Gudri daarom belemmeren in de effectieve toegang tot de rechter. Gudri heeft ter onderbouwing van haar stelling een verklaring overgelegd van de heer [naam persoon] , algemeen directeur van Jampur International Fze (hierna: Jampur), de scheepsmanager van de “ [naam sleepboot] ”. De heer [naam persoon] heeft onder meer het volgende verklaard:

“3. Gudri Shipping continues to exist but it has no assets whatsoever save for its right, claimed in these proceedings, tob e indemnified by its insurers in respect of the loss of the “ [naam sleepboot] ”.

4. In these circumstances Gudri Shipping would be unable to provide security to satisfy the demand of its insurers (…).

5. Gudri Shipping’s legal expenses in these proceedings are presently funded by Jampur in the absence of any obligation to do so, but in the expectation that the insurers will eventually honour their obligation to indemnify Gudri Shipping in respect of their loss. This would enable Jampur to recover its expense. (…)”

3.5.2.

Daarnaast is het vorderen van de zekerheistelling in strijd met de polisvoorwaarden, waarin geen eis tot zekerheidstelling is opgenomen, alsook met de ratio van de polisvoorwaarden. In het geval van een total loss van het enige vermogensbestanddeel van verzekerde moet het immers mogelijk zijn voor verzekerde om aanspraak te kunnen maken op de verzekeringspenningen, en daartoe toegang te krijgen tot de bevoegde rechter, aldus nog steeds Gudri.

3.6.

De rechtbank is van oordeel dat de incidentele vordering moet worden afgewezen. De stelling van Bracht c.s. dat het onwaarschijnlijk is dat Gudri wel de middelen heeft om een procedure te beginnen, maar niet om zekerheid te stellen, is niet concreet onderbouwd en wordt weerlegd door de door Gudri overgelegde verklaring van de heer [naam persoon] . Uit die verklaring volgt dat Jampur de proceskosten tot op heden op zich heeft genomen, maar dat Jampur hiertoe niet gehouden is.

3.7.

Bracht c.s. wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de kosten van het incident. De kosten aan de zijde van Gudri worden begroot op € 695, aan salaris advocaat (1 punt × tarief III à € 695,). De vordering tot uitvoerbaarverklaring bij voorraad is gegrond op de wet en komt voor toewijzing in aanmerking.

4. De beslissing

De rechtbank

in het incident op grond van artikel 224 Rv

4.1.

wijst het gevorderde in het incident af,

4.2.

veroordeelt Bracht c.s. in de proceskosten, aan de zijde van Gudri tot op heden begroot op € 695,;

4.3.

verklaart onderdeel 4.2 van dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

in het incident op grond van artikel 843a Rv

4.4.

bepaalt dat zaak weer op de rol zal komen van 14 oktober 2020 voor partijberaad als bedoeld in artikel 2.16 van het Landelijk procesreglement.

Dit vonnis is gewezen door mr. drs. J. van den Bos en in het openbaar uitgesproken op 30 september 2020.

3178/1407