Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:8780

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
09-09-2020
Datum publicatie
05-10-2020
Zaaknummer
C/10/585135 / HA ZA 19-1017
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Summary in English

Incidental proceedings on whether the claim should have been brought before arbitrators.

The case concerns the carriage of soybean meal pellets by Ediola from Brazil to Europe on board of the mv Koutalianos. Ediola as owners and IPS as charterers concluded an NYPE time charter, containing an arbitration clause: “All disputes arising out of or relating to this contract (…) shall be referred to arbitration in London (…)”. It is subject to English law.

For the transport, bills of lading have been issued naming either Cefetra or Amaggi as notify party. The bills of lading incorporate the law and arbitration clause contained in the time charterparty. Delivery of the cargo is made to Amaggi and Cefetra as bill of lading holders, each for the cargo carried under their own bills of lading. Amaggi claims it has received too little of the soybean meal pellets, and states that Cefetra has received more cargo than the quantity indicated on its bills of lading. Amaggi raises the matter with Ediola, and Ediola purchases Amaggi’s purported claim against Cefetra on the basis of unjust enrichment.

Ediola files this assigned claim for unjust enrichment against Cefetra before the court of Cefetra’s place of domicile. Cefetra contests that the court has jurisdiction, asserting that Amaggi’s claim, as assigned to Ediola, falls within the scope of the arbitration clause contained in the bills of lading. Whether this is the case is a matter of construction of the arbitration agreement in accordance with English law.

According to Fiona Trust & Holding Corporation v Privalov [2008] 1 Lloyd’s Rep 254, the construction of an arbitration clause should start from the assumption that the parties, as rational businessmen, are likely to have intended any dispute arising out of the relationship into which they have entered or purported to enter to be decided by the same tribunal. The clause should be construed in accordance with this presumption unless the language makes it clear that certain questions were intended to be excluded from the arbitrator’s jurisdiction.

However, this assumption cannot hold in circumstances as in this case, which differ from those in the Fiona Trust, as is apparent from the decision of the Court of Appeal Michael Wilson & Partners Limited v John Forster Emmott [2018] EWCA Civ 51. Amaggi, if it had filed its claim itself, would not have been bound by the arbitration clause. Ediola as assignee can be in no worse position than the assignor was, unless Ediola and Cefetra agreed that assigned rights would fall within the ambit of the arbitration clause. The court holds that he arbitration clause covers Ediola’s rights and claims in relation to Cefetra, and vice versa, in their capacities as carrier and bill of lading holder. It has not been asserted that the parties have communicated about the meaning of the arbitration agreement before or at the time it was entered into. Therefore, there is no reason to suppose that they have taken the possibility into account that either party would, in the capacity of assignee, wish to bring a third party’s claim before arbitrators. An assigned non-contractual claim of another bill of lading holder/cargo receiver based upon unjust enrichment could not be foreseen and considered as a ‘dispute arising out of the relationship into which [Ediola and Cefetra] have entered or purported to enter’.

Ediola’s claim therefore does not fall within the ambit of the arbitration clause.

Bevoegdheidsincident over de vraag of de zaak voor een arbitragetribunaal had moeten worden gebracht.

De zaak draait om het vervoer van sojameelpellets door Ediola van Brazilië naar Europa aan boord van de ms Koutalianos. Ediola als eigenaar en IPS als bevrachter hebben een NYPE tijdbevrachtingsovereenkomst gesloten, waarin een arbitraal beding is opgenomen: “All disputes arising out of or relating to this contract (…) shall be referred to arbitration in London (…)”. Engels recht is van toepassing verklaard.

Ten behoeve van het transport zijn cognossementen afgegeven waarop ofwel Cefetra, ofwel Amaggi staat vermeld als notify party. De cognossementen incorporeren het rechtskeuzebeding en het arbitragebeding uit de tijdbevrachtingsovereenkomt. De sojameelpellets worden geleverd aan Amaggi en Cefetra als cognossementshouders, ieder voor de lading vervoerd onder de cognossementen die zij houden. Amaggi stelt dat ze te weinig sojameelpellets heeft ontvangen, en dat Cefetra meer heeft ontvangen dan op haar cognossement staat aangegeven. Amaggi meldt dit bij Ediola, en Ediola koopt Amaggi’s veronderstelde vordering uit ongerechtvaardigde verrijking tegen Cefetra.

Ediola stelt deze vordering uit ongerechtvaardigde verrijking tegen Cefetra in voor het gerecht van Cefetra’s vestigingsplaats. Cefetra betwist dat de rechtbank bevoegd is, aanvoerende dat Amaggi’s vordering, zoals aan Ediola is overgedragen, valt binnen de reikwijdte van het arbitraal beding in de cognossementen van Cefetra. Of dit het geval is, is een kwestie van uitleg van het arbitraal beding naar Engels recht.

Volgens Lord Hoffman in Fiona Trust & Holding Corporation v Privalov [2008] 1 Lloyd’s Rep 254, is bij de uitleg van arbitragebedingen het uitgangspunt dat de contractspartijen, handelend als rational businessmen, hebben beoogd om elk geschil verband houdend met de tussen hen geldende overeenkomst aan arbitrage te onderwerpen. Van dit uitgangspunt wordt slechts afgeweken indien de bewoordingen van het beding duidelijk maken dat beoogd is om bepaalde onderwerpen buiten de jurisdictie van arbiters te houden.

Echter, dit uitgangspunt geldt niet in de omstandigheden van het onderhavige geval, welke afwijken van de omstandigheden die golden in de Fiona Trust, zo blijkt ook uit de uitspraak van de Court of Appeal Michael Wilson & Partners Limited v John Forster Emmott [2018] EWCA Civ 51. Als Amaggi haar vordering zelf had ingesteld, zou zij niet zijn gebonden aan het arbitragebeding. Ediola als cessionaris kan niet in een slechtere positie komen te verkeren dan die waarin de cedent verkeerde, tenzij Ediola en Cefetra overeen waren gekomen dat gecedeerde rechten ook binnen de reikwijdte van het arbitragebeding zouden vallen.

De rechtbank is van oordeel dat het arbitragebeding de rechten en vorderingen van Ediola in verhouding tot Cefetra en vice versa bestrijkt, in hun hoedanigheid als vervoerder onder cognossement, respectievelijk houder van het cognossement. Niet gesteld is dat partijen gecommuniceerd hebben over de betekenis van het arbitragebeding voor of bij het overeenkomen ervan. Daarom moet ervan worden uitgegaan dat partijen geen rekening hebben gehouden met de mogelijkheid dat vorderingen van derden na cessie ook onder het arbitragebeding zouden kunnen vallen.

Een overgedragen niet-contractuele vordering van een andere cognossementshouder/ladingbelanghebbende gebaseerd op ongerechtvaardigde verrijking was niet voorzienbaar en is niet te beschouwen als een ‘dispute arising out of the relationship into which [Ediola and Cefetra] have entered or purported to enter’. Ediola’s vordering valt derhalve buiten de reikwijdte van het arbitragebeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTHR 2020, afl. 6, p. 308
NTHR 2020, afl. 6, p. 319
S&S 2021/49
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/585135 / HA ZA 19-1017

Vonnis in incident van 9 september 2020

in de zaak van

de rechtspersoon naar het recht van de plaats van haar vestiging

EDIOLA SHIPPING LTD.,

gevestigd te Majuro, Marshalleilanden,

eiseres in de hoofdzaak,

verweerster in het incident,

advocaat mr. S.L. Haanschoten te Rotterdam,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

CEFETRA B.V.,

gevestigd te ROTTERDAM,

gedaagde in de hoofdzaak,

eiseres in het incident,

advocaat mr. V.R. Pool te Rotterdam.

Partijen zullen hierna Ediola en Cefetra genoemd worden.

1. De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 3 oktober 2019, met zes producties;

  • -

    de incidentele conclusie houdende exceptie van onbevoegdheid, met zeven producties;

  • -

    de conclusie van antwoord in incident, met productie 7;

  • -

    de conclusie van repliek in incident houdende exceptie van onbevoegdheid, met productie Cefetra-8;

  • -

    de conclusie van dupliek in incident, met producties 8 en 9;

  • -

    de akte houdende uitlating producties.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2. De feiten in het incident

2.1.

Als gesteld en niet of onvoldoende gemotiveerd betwist en voor zover in dit incident relevant, geldt het volgende.

2.2.

Cefetra is een internationaal opererende handelsonderneming in agrarische grondstoffen.

2.3.

In of omstreeks april 2017 vervoerde Ediola als vervoerder onder cognossement een lading sojameelpellets van Paranagua, Brazilië, naar Europa aan boord van het motorschip ‘[naam schip]’.

2.4.

Ten behoeve van dit vervoer had Ediola als vervrachter en Cargill B.V./IPS (hierna: IPS) als bevrachter een NYPE tijdbevrachtingsovereenkomst gesloten, gedateerd op 7 april 2017. In deze tijdbevrachtingsovereenkomst, waarin Ediola wordt aangeduid als ‘Owners’ en IPS als ‘Charterers’ is het volgende arbitragebeding opgenomen:

“58. Arbitration Clause :

A) This contract is governed by and construed in accordance with English law.

B) Should the parties fail to reach a prompt amicable settlement the parties hereby agree to refer all disputes to mediation under the model mediation procedure of CEDR (…).

C) In the event that mediation does not lead to a mutually signed agreement within 35 days after the appointment of a mediator any dispute shall be resolved by London Arbitration as provided below:

1) All disputes arising out of or relating to this contract where the total amount claimed (…) does not exceed USD 50,000 shall be referred to arbitration in London (…) in accordance with the small claims procedure of the LMAA.

2) All other disputes, unless the parties agree forthwith on a single arbitrator, be referred to the final arbitrament of two arbitrators carrying on business in London who shall be members of the Baltic Exchange and engaged in shipping and/or grain trades (…).

The parties are entitled at any stage, to appoint an arbitrator as to preserve time only (and give notice of such appointment) notwithstanding ongoing amicable negotiation or CEDR mediation.”

2.5.

Voor dit vervoer zijn kapiteinscognossementen aan order afgegeven, waarop Cefetra respectievelijk Amaggi Europe B.V. (hierna: Amaggi) als ‘notify party’ staan vermeld. De cognossementen vermelden voorts:

“(1) All terms and conditions, liberties and exceptions of the Charter Party, dated as overleaf, including the Law and Arbitration Clause, are herewith incorporated.”

Op de ommezijde van ieder cognossement is verwezen naar een “charter-party dated 07 april 2017”.

2.6.

Ediola heeft op basis van deze cognossementen een deel van de aan boord vervoerde sojameelpellets afgeleverd aan Amaggi en een deel aan Cefetra.

3. Het geschil in de hoofdzaak

3.1.

Ediola vordert dat de rechtbank Cefetra bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, veroordeelt om aan Ediola te betalen een bedrag van € 92.265,23, met veroordeling van Cefetra in de proceskosten en de nakosten.

3.2.

Hieraan heeft Ediola kort samengevat het volgende ten grondslag gelegd.

Na aflevering aan Amaggi en Cefetra bleek dat Amaggi vanuit ruim 4 van het schip meer dan 345,131 mt sojameelpellets te weinig had ontvangen, terwijl Cefetra vanuit ruim 1 van het schip 308,6 mt sojameelpellets teveel had ontvangen. Uit dien hoofde had Amaggi een vordering uit ongerechtvaardigde verrijking op Cefetra.

Amaggi heeft haar vordering op Cefetra uit ongerechtvaardigde verrijking, begroot op € 92.265,23 (308,6 ton x € 298,98 per ton), bij akte van 24 juni 2019 aan Ediola gecedeerd voor een koopprijs van € 70.000. Van de cessie is aan Cefetra mededeling gedaan op 25 juni 2019.

Ediola spreekt Cefetra aan tot voldoening van de gecedeerde vordering van Amaggi uit ongerechtvaardigde verrijking.

4. Het geschil in het incident

4.1.

Cefetra vordert dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart, althans de procedure aanhoudt totdat arbiters bij vonnis hebben geoordeeld over hun bevoegdheid, met veroordeling van Ediola, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, in de kosten van het incident.

4.2.

Aan deze vordering heeft Cefetra ten grondslag gelegd dat er een rechtsgeldig arbitragebeding overeen is gekomen tussen Ediola en Cefetra. Ook de door Ediola in de hoofdzaak ingestelde vordering valt binnen de reikwijdte van dit beding, nu deze vordering voortvloeit uit de prestatie van Ediola als vervoerder onder de cognossementen.

4.3.

Ediola voert verweer en concludeert dat de rechtbank de incidentele vordering dient af te wijzen met bevel dat partijen doorprocederen in de hoofdzaak, met veroordeling van Cefetra, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, in de kosten in het incident. In haar conclusie van dupliek heeft Ediola verzocht om als kosten van het incident ook te begrijpen het equivalent in euro’s van GBP 4.000 voor het laten vervaardigen van twee opinies.

4.4.

Ediola heeft hiertoe kort samengevat aangevoerd dat het arbitragebeding haar niet kan worden tegengeworpen, omdat de in de hoofdzaak ingestelde - door cessie verkregen -vordering van Amaggi tegen Cefetra niet valt binnen de reikwijdte van het in de cognossementen tussen Ediola en Cefetra overeengekomen arbitragebeding. Dat zou geen juiste uitleg van dat beding zijn. Tussen Amaggi en Cefetra is geen arbitragebeding overeengekomen. De cessie maakt niet dat de niet door enig arbitragebeding bestreken vordering uit ongerechtvaardigde verrijking alsnog binnen de reikwijdte van het tussen Ediola en Cefetra overeenkomen arbitragebeding valt.

5. De beoordeling in het incident

5.1.

Nu partijen in verschillende landen zijn gevestigd is en het vervoer over zee buiten Nederland betreft is sprake van een internationale zaak. In beginsel komt aan deze rechtbank op grond van artikel 4 van de Brussel Ibis-Vo in verbinding met artikel 99 Rv rechtsmacht en bevoegdheid toe om van de vorderingen van Ediola kennis te nemen.

Cefetra betoogt echter dat de rechtbank zich op grond van artikel 1074 Rv onbevoegd moet verklaren omdat Cefetra en Ediola arbitrage in Londen zijn overeengekomen. Ediola betwist dat ten aanzien van de onderhavige vordering arbitrage is overeengekomen.

5.2.

De stelling van Cefetra dat de rechtbank haar bevoegdheid slechts marginaal mag toetsen indien beroep wordt gedaan op een arbitrageovereenkomst, vindt geen steun in het recht en is na het verweer van Ediola overigens ook onvoldoende gemotiveerd gehandhaafd.

5.3.

Het toetsingskader voor de incidentele vordering kan worden gevonden niet alleen in artikel 1074 Rv, maar ook in artikel II van het Verdrag van New York van 10 juni 1958 over de erkenning en tenuitvoerlegging van buitenlandse scheidsrechterlijke uitspraken (hierna: het Verdrag van New York). Dit verdrag kan naast of in plaats van artikel 1074 Rv worden toegepast. Bij het Verdrag van New York zijn zowel de Marshalleilanden - waar Ediola is gevestigd - als Nederland partij, en de Brussel Ibis-Vo laat ingevolge artikel 73 lid 2 daarvan de toepassing van dit verdrag onverlet.

5.4.

Indien “een geschil aanhangig is gemaakt waarover een overeenkomst tot arbitrage is gesloten” als bedoeld in artikel 1074 Rv en/of “een geschil aanhangig wordt gemaakt over een onderwerp ten aanzien waarvan partijen een overeenkomst (…) hebben aangegaan” “waarbij partijen zich verbinden aan een uitspraak van scheidsmannen te onderwerpen alle of bepaalde geschillen welke tussen hen zijn gerezen of welke tussen hen zouden kunnen rijzen naar aanleiding van een bepaalde al dan niet contractuele rechtsbetrekking” als bedoeld in artikel II lid 3 respectievelijk lid 1 Verdrag van New York dient de rechtbank zich onbevoegd te verklaren en de zaak naar arbitrage te verwijzen.

Het springende punt in het debat tussen partijen is of de vordering (afkomstig) van Amaggi na de cessie valt binnen de reikwijdte van het arbitragebeding dat tussen Ediola en Cefetra is overeengekomen. Over de andere voorwaarden voor de toepassing van deze bepalingen bestaat tussen partijen geen geschil.

5.5.

Partijen zijn het - terecht - eens over het navolgende:

- Ediola en Cefetra zijn jegens elkaar gebonden aan het arbitragebeding uit de tijdbevrachtingsovereenkomst, omdat dit naar het op die vraag toepasselijke Engelse recht rechtsgeldig is geïncorporeerd in de 21 cognossementen waaronder Ediola de aan Cefetra afgeleverde sojameelpellets aan boord van de ‘[naam schip]’ heeft vervoerd;

- Ediola en Cefetra zijn met de aldus gesloten arbitrageovereenkomst overeengekomen om “All disputes arising out of or relating to this contract” niet aan de overheidsrechter maar aan arbiters voor te leggen;

- onder ‘this contract’ moet tussen Ediola en Cefetra niet de bevrachtingsovereenkomst maar de cognossementen worden verstaan;

- onder het beding vallen in ieder geval de vorderingen die Cefetra als cognossementshouder tegen Ediola als cognossementsvervoerder zou kunnen instellen, en omgekeerd, en de buitencontractuele vorderingen die voor de ene partij in verband met de uitvoering van de vervoerovereenkomst op de andere zouden kunnen ontstaan;

- aan Amaggi als derde zou de arbitrageovereenkomst tussen Ediola en Cefetra echter niet kunnen worden tegengeworpen, met als gevolg dat Amaggi zelf haar vordering uit ongerechtvaardigde verrijking tegen Cefetra voor deze rechtbank had kunnen instellen;

- de vraag of de van Amaggi afkomstige vordering na cessie daarvan aan Ediola valt binnen de reikwijdte van het arbitragebeding, moet worden beantwoord door uitlegging van de arbitrageovereenkomst(en) naar Engels recht.

5.6.

Beide partijen hebben, onder overlegging van opinies naar Engels recht, hun standpunt over de uitlegging van het arbitragebeding naar voren gebracht.

5.7.

Cefetra heeft - onder meer - betoogd dat uitlegging moet plaatsvinden door vaststelling van de objectieve betekenis van de bewoordingen van het arbitraal beding, zoals uitgewerkt in Wood v Capita Insurance Services Limited [2017] UKSC 24. Een Engels gerecht zou het beding interpreteren als bedoeld voor ieder geschil dat voortkomt uit of in verbinding met de cognossementen. Hieronder valt ook de vordering van Amaggi die door Ediola is verkregen, nu deze voortkomt uit de nakoming van Ediola van haar verbintenissen onder de cognossementen en deze vordering door Ediola tegen Cefetra wordt ingesteld.

Bij arbitragebedingen is naar Engels recht namelijk uitgangspunt voor de uitlegging dat de contractspartijen, handelend als rational businessmen, hebben beoogd om elk dispuut voortvloeiend uit of verband houdend met de tussen hen geldende vervoerovereenkomst aan arbitrage te onderwerpen. Van dit uitgangspunt wordt slechts afgeweken indien de bewoordingen van het beding duidelijk maken dat beoogd is om bepaalde onderwerpen buiten de jurisdictie van arbiters te houden. Dit is uitgewerkt door Lord Hoffman in Fiona Trust & Holding Corporation v Privalov [2008] 1 Lloyd’s Rep 254 en ook toegepast in Bilta (UK) Ltd v Nazir and other [2010] EWHC 1086. Nu een van een derde door cessie verkregen vordering - die onlosmakelijk is verbonden met het bewuste zeevervoer - in het beding niet wordt uitgesloten, valt ook deze vordering binnen de reikwijdte ervan. Cefetra, die anders dan Ediola niet bij het vormgeven van het beding betrokken is geweest, mocht daar ook op vertrouwen. Aldus betoogt Cefetra.

5.8.

Ediola heeft - onder meer - betoogd dat het tussen Ediola en Cefetra overeengekomen arbitragebeding zich niet ook uitstrekt tot een vordering (afkomstig) van Amaggi, die geen overeenkomst met Cefetra heeft. Zij heeft erop gewezen dat de door Cefetra overgelegde opinie naar Engels recht geen enkel precedent uit Engelsrechtelijke jurisprudentie benoemt waarin een vergelijkbaar geval in de door Cefetra voorgestane zin is beslist.

Naar Engels recht moet een beding in een overeenkomst worden uitgelegd naar de omstandigheden van het moment waarop de overeenkomst werd aangegaan. Op dat moment hadden Ediola en Cefetra niet de intentie om de arbitragebedingen ook potentiële vorderingen van derden te laten omvatten. Deze derden waren geen partij bij de cognossementen en konden daaraan geen rechten ontlenen. De gestelde vordering van Amaggi is niet gegrond op de Cefetra-cognossementen en heeft daarmee niets te maken. De vordering is gegrond op de wet.

De “presumption of ‘one-stop arbitration’” van de Fiona Trust uitspraak is slechts één van de beschikbare uitleggingsinstrumenten en geldt bovendien slechts voor “any dispute arising out of the relationship into which [the parties] have entered or purported to enter”. De gecedeerde vordering afkomstig van Amaggi komt in brede zin weliswaar voort uit hetzelfde feitencomplex waartoe ook de Cefetra-cognossementen (en de Amaggi-cognossementen en de bevrachtingsovereenkomst) behoren, maar dat laat onverlet dat de vordering uit ongerechtvaardigde verrijking voortvloeit uit de rechtsverhoudingen gecreëerd door de Cefetra-cognossementen. Een juiste uitleg van het arbitragebeding houdt in dat deze zich niet uitstrekt tot vorderingen die naderhand door een partij door cessie zijn verkregen. Dergelijke cessies speelden immers niet ten tijde van het aangaan van de overeenkomst, en maken dus geen deel uit van de achtergrond waartegen de arbitrageovereenkomst moet worden uitgelegd. Evident is dat partijen bij de Cefetra-cognossementen niet hebben beoogd om eventuele vorderingen van niet-contractspartijen binnen de reikwijdte van de arbitragebedingen te brengen. Daar bestond op dat moment ook geen aanleiding of zakelijke rechtvaardiging voor.

Afstand van het recht op procederen voor de overheidsrechter moet ondubbelzinnig en vrijwillig zijn gedaan, en daarvan is hier evident geen sprake.

5.9.

Voor de goede orde preciseert de rechtbank dat het hier gaat om uitlegging van de (identieke) arbitragebedingen in cognossementen met nummers 4, 10, 12, 13, 16 en 18.

Volgens Ediola is immers uit onderzoek gebleken dat scheepsruim 1 van de ‘[naam schip]’ meer lading bevatte dan in de cognossementen was vermeld, met een surpluslevering aan Cefetra tot gevolg. De rechtbank begrijpt uit de dagvaarding in verbinding met productie 1 van Ediola dat voor de lading in ruim 1 de cognossementen met nummers 4, 10, 12, 13, 16 en 18 zijn uitgegeven en dat onder deze cognossementen is uitgeleverd aan Cefetra. In deze cognossementen is het arbitragebeding opgenomen waarop Cefetra zich beroept.

De lading waarvan Amaggi zich over een tekort heeft beklaagd, bevond zich naar de rechtbank uit voornoemde stukken opmaakt, in ruim 4 en werd onder andere cognossementen vervoerd.

5.10.

Voor de beoordeling in het incident neemt de rechtbank louter veronderstellenderwijs de stellingen van Ediola over dat (i) na de uitlevering aan Amaggi een manco is gebleken, (ii) na de uitlevering aan Cefetra een surplus is geconstateerd, (iii) dat Amaggi uit dien hoofde een vordering had op Cefetra uit ongerechtvaardigde verrijking, en (iv) dat deze vordering rechtsgeldig aan Ediola is gecedeerd.

5.11.

De naar Engels recht geldende maatstaf voor de uitlegging van de overeenkomsten is helder weergegeven in de uitspraak van het Supreme Court in Rainy Sky SA v Kookmin Bank [2011] UKSC, paragraaf 14 (Lord Clarke):

“For the most part, the correct approach to construction of the Bonds, as in the case of any contract, was not in dispute. The principles have been discussed in many cases, notably of course, as Lord Neuberger MR said in Pink Floyd Music Ltd v EMI Records Ltd [2010] EWCA Civ 1429; [2011] 1 WLR 770 at para 17, by Lord Hoffmann in Mannai Investment Co Ltd v Eagle Star Life Assurance Co Ltd [1997] AC 749, passim, in Investors Compensation Scheme Ltd v West Bromwich Building Society [1998] 1 WLR 896, 912F-913G and in Chartbrook Ltd v Persimmon Homes Ltd [2009] 1 AC 1101, paras 21-26. I agree with Lord Neuberger (also at para 17) that those cases show that the ultimate aim of interpreting a provision in a contract, especially a commercial contract, is to determine what the parties meant by the language used, which involves ascertaining what a reasonable person would have understood the parties to have meant. As Lord Hoffmann made clear in the first of the principles he summarised in the Investors Compensation Scheme case at page 912H, the relevant reasonable person is one who has all the background knowledge which would reasonably have been available to the parties in the situation in which they were at the time of the contract.”

Hieruit volgt dat de bewoordingen van het arbitragebeding moeten worden opgevat zoals een redelijke persoon deze zou verstaan indien hij alle achtergrondkennis had die partijen ter beschikking stond ten tijde van het aangaan van dit beding.

5.12.

In de hierboven genoemde Fiona Trust uitspraak formuleert Lord Hoffman (randnummer 13) voor de uitleg van arbitrageovereenkomsten in dit verband een vooronderstelling:

“In my opinion the construction of an arbitration clause should start from the assumption that the parties, as rational businessmen, are likely to have intended any dispute arising out of the relationship into which they have entered or purported to enter to be decided by the same tribunal. The clause should be construed in accordance with this presumption unless the language makes it clear that certain questions were intended to be excluded from the arbitrator’s jurisdiction.”

5.13.

De ‘one-stop shop’ vooronderstelling gaat echter naar Engels recht niet op onder omstandigheden als de onderhavige, blijkt uit de uitspraak van de English Court of Appeal in de zaak Michael Wilson & Partners Limited v John Forster Emmott [2018] EWCA Civ 51.

In die zaak waren Emmott en MWP overeengekomen ‘all and any disputes’ aan arbitrage te onderwerpen. MWP laat zich in de loop van een zakelijk dispuut de rechten van derden overdragen en stelt na cessie de van die derden afkomstige vorderingen in eigen naam in tegen Emmott. Emmott doet een beroep op de arbitrageovereenkomst tussen hem en MWP. In de eerste instantie heeft hij daarmee succes, het Court of Appeal beslist echter in zijn nadeel.

In paragrafen 41 tot en met 47 wordt geoordeeld, samengevat:

  • -

    het arbitragebeding van artikel 5.2 van de MWP overeenkomst heeft een extreem brede reikwijdte,

  • -

    maar de rechten die MWP hier uitoefent zijn afkomstig van personen die geen partij waren bij de arbitrageovereenkomst,

  • -

    aan deze personen had het arbitragebeding niet tegengeworpen kunnen worden, indien zij zelf hun vorderingen hadden ingesteld tegen Emmott,

  • -

    MWP kan als cessionaris niet in een slechtere positie komen te verkeren dan de cedenten zelf, tenzij uit de arbitrageovereenkomst expliciet of impliciet blijkt dat de rechten van de cedenten, indien deze door MWP zouden worden overgenomen, binnen de reikwijdte van het arbitragebeding vallen,

  • -

    wat de vooronderstelling van Lord Hoffmann dat partijen bij een arbitrageovereenkomst al hun geschillen die voorvloeien uit hun rechtsbetrekking aan arbitrage hebben willen onderwerpen betreft, geldt het volgende,

  • -

    op het eerste gezicht moet onder ‘geschillen’ bedoeld in het arbitragebeding worden verstaan de geschillen tussen MWP en Emmott in hun hoedanigheden van quasi-partners, maar niet geschillen tussen derden en ofwel MWP ofwel Emmott. MWP oefent als cessionaris niet haar eigen rechten als (voormalig) quasi-partner van Emmott uit. Zij oefent rechten uit van derden die geen quasi-partner van Emmott waren en geen partij zijn bij de MWP-overeenkomst,

  • -

    voor zover het gerecht uit de eerste instantie al is uitgegaan van de vooronderstelling geformuleerd door Lord Hoffmann, lijkt het de Court of Appeal niet waarschijnlijk, zelfs hoogst onwaarschijnlijk, dat Emmott en MWP enige intentie hadden om vorderingen als hier aan de orde onder de reikwijdte van het arbitragebeding te brengen.

5.14.

De rechtbank komt in de onderhavige zaak tot dezelfde conclusie. Zij acht hoogst onwaarschijnlijk dat bij het aangaan van het arbitragebeding partijen, handelend als reasonable businessmen, voor ogen hadden om vorderingen als die welke in deze procedure door Ediola worden ingesteld aan arbitrage te onderwerpen.

Ter toelichting dient het volgende.

5.15.

Partijen hebben weinig gesteld over de achtergrondkennis die zij hadden ten tijde van het aangaan van het arbitragebeding in de cognossementen. Zij hebben ook in het midden gelaten wanneer in hun visie de arbitrageovereenkomst precies tot stand is gekomen. Bij gebreke voor aanwijzingen voor een ander oordeel gaat de rechtbank ervan uit dat Cefetra (als ‘notify party’ en beoogd cognossementshouder en uiteindelijk ontvanger) op enig moment (concept)cognossementen heeft ontvangen waarin de verwijzing naar de arbitrageclausule in de bevrachtingsovereenkomst was opgenomen. Of Cefetra op dat moment de inhoud van het arbitragebeding in de bevrachtingsovereenkomst kende of kon kennen, is niet duidelijk.

Gesteld noch gebleken is dat partijen over de betekenis van het overeengekomen arbitragebeding contact hebben gehad, zodat de rechtbank ervan uitgaat dat dit niet het geval is geweest. Bij gebreke van communicatie over dit onderwerp moet ervan worden uitgegaan dat partijen niet hebben gesproken over de mogelijkheid dat vorderingen van derden na cessie ook onder het arbitragebeding zouden kunnen vallen.

Onder deze omstandigheden hadden partijen - noch een ‘redelijke persoon’ uitgaand van de achtergrondkennis van partijen - geen enkele reden om het arbitragebeding anders te verstaan dan als een van bijzonderheden gespeende afspraak om te arbitreren over al hetgeen Ediola in haar hoedanigheid van cognossementsvervoerder en Cefetra in haar hoedanigheid van cognossementhouder-ontvanger van elkaar te vorderen zouden kunnen hebben op grond van of in verband met de vervoerovereenkomsten onder cognossement.

Hieronder vielen in ieder geval kwesties als vertraging, ladingschades, ladingtekorten of -overschotten, problemen met gevaarlijke lading of onjuiste documenten en voorts de verdere perikelen waar de cognossementscondities in voorzien. Een gecedeerde buitencontractuele vorderingen van een andere ladingontvanger wegens - kort gezegd - ‘overbedeling’ valt niet te beschouwen te voorzien als ‘dispute arising out of the relationship into which [Ediola and Cefetra] have entered or purported to enter’.

Dat een dergelijke vordering zou worden ingesteld, was ook niet redelijkerwijs te voorzien ten tijde van het aangaan van de arbitrageovereenkomst. Het meest voor de hand liggende scenario voor afwikkeling van een ladingmanco is immers dat de betreffende ontvanger de vervoerder aanspreekt onder hun onderlinge overeenkomst. Al minder gebruikelijk is dat de ‘onderbedeelde’ ladingontvanger een vordering tegen de ‘overbedeelde’ ladingontvanger instelt uit ongerechtvaardigde verrijking. Dat de vervoerder de buitencontractuele vordering van de ‘onderbedeelde’ derde koopt en deze in eigen naam instelt tegen de ‘overbedeelde’ en aan het arbitragebeding gebonden ontvanger is zeer uitzonderlijk en ligt dus bepaald buiten hetgeen Ediola en Cefetra althans de ‘redelijke persoon’ behoefde(n) te verwachten.

5.16.

De bewoordingen van artikel II lid 3 Verdrag van New York duiden er eveneens op dat de aan arbitrage te onderwerpen geschillen moeten voortkomen uit een - ten tijde van het aangaan van de arbitrageovereenkomst al bepaalde - rechtsbetrekking tussen de partijen die zich aan arbitrage committeren: “alle (…) geschillen welke tussen hen zijn gerezen of welke tussen hen zouden kunnen rijzen naar aanleiding van een bepaalde al dan niet contractuele rechtsbetrekking”.

5.17.

De uitleg die Cefetra aan het beding geeft wordt om deze redenen verworpen.

Dat het manco bij Amaggi in een ruim genomen feitelijk verband staat met de vervoerovereenkomsten tussen Ediola en Cefetra is op zichzelf juist, maar leidt niet tot een andere uitleg van het arbitragebeding.

5.18.

De conclusie is dat de door Ediola in deze procedure ingestelde vordering niet valt binnen de reikwijdte van het arbitragebeding. De gevallen bedoeld in artikel 1074 Rv en artikel II lid 3 Verdrag van New York doen zich dus niet voor. De vordering tot onbevoegdheidverklaring zal worden verworpen.

5.19.

Cefetra heeft nog gevorderd dat de rechtbank de procedure aanhoudt, totdat arbiters hebben geoordeeld over hun bevoegdheid. Cefetra heeft deze vordering niet onderbouwd. Gesteld noch gebleken is overigens dat tussen partijen reeds een arbitraal geding aanhangig is. Ook deze vordering zal daarom worden afgewezen.

5.20.

De rechtbank zal de beslissing omtrent de kosten van het incident aanhouden, totdat in de hoofdzaak zal worden beslist.

6. De beslissing

De rechtbank

in het incident

6.1.

wijst het gevorderde af,

6.2.

houdt de beslissing omtrent de proceskosten aan,

in de hoofdzaak

6.3.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 21 oktober 2020 voor conclusie van antwoord.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.A.M. van Schouwenburg-Laan en in het openbaar uitgesproken op 9 september 2020.

1885/3178