Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:8573

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
06-08-2020
Datum publicatie
01-10-2020
Zaaknummer
C/10/600688 / FA RK 20-5360
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten (Wzd). Toewijzing rechterlijke machtiging als bedoeld in artikel 24. Benoemen deskundige niet gehonoreerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM


Team familie

Zaak-/rekestnummer: C/10/600688 / FA RK 20-5360

Schriftelijke uitwerking van de mondelinge beslissing van 6 augustus 2020 betreffende een rechterlijke machtiging tot voortzetting van het verblijf als bedoeld in artikel 24 van de Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten (hierna: Wzd)

op verzoek van:

het CIZ,

met betrekking tot:

[naam cliënt] ,

geboren op [geboortedatum cliënt] , [geboorteplaats cliënt] ,

hierna: cliënt,

wonende in ASVZ aan [adres cliënt] , [woonplaats cliënt] ,

advocaat mr. J. Vlug te Deventer.

1. Procesverloop

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit het verzoekschrift van het CIZ, ingekomen ter griffie op 20 juli 2020.

Bij het verzoekschrift zijn de volgende bijlagen gevoegd:

 de aanvraag voor een rechterlijke machtiging van 12 juni 2020;

 het indicatiebesluit op grond van artikel 3.2.3 van de Wet langdurige zorg van 23 juli 2018;

 de medische verklaring, opgesteld en ondertekend door [naam 1] , psychiater, van 25 juni 2020;

 de verklaring van de zorgaanbieder, [naam 2] MSc, van de accommodatie waarin cliënt is opgenomen;

 een afschrift van het zorgplan van 17 december 2019;

 de evaluatie van het zorgplan van 9 juni 2020;

 de incidentenlijst van cliënt;

 een afschrift van de beschikking waarbij bewind en mentorschap is ingesteld en een afschrift van de beschikking waarbij een bewindvoerder en een mentor is benoemd;

 een afschrift van de beslissing tot het nemen van een rechterlijke machtiging van 27 februari 2020;

 de e-mail van de advocaat van cliënt waarin wordt verzocht om het benoemen van een deskundige van 22 juli 2020.

1.2.

De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 6 augustus 2020. Bij die gelegenheid zijn (overeenkomstig artikel 2 lid 1 van de Tijdelijke wet COVID-19 Justitie en Veiligheid) via beeld- en geluidverbinding gehoord:

 cliënt met zijn hiervoor genoemde advocaat;

 [naam 3] , teamleider, en [naam 4] , hoofdbehandelaar, beiden verbonden aan ASVZ.

1.3.

Op 22 juli 2020 heeft de advocaat van cliënt verzocht om voorafgaand aan de mondelinge behandeling een deskundige te benoemen (dhr. Veereschild), omdat er twijfels zijn over de diagnose van cliënt met betrekking tot de zwakbegaafdheid. Dat rechtbank heeft echter besloten geen deskundige op te roepen, omdat op dat moment nog geen reden bestond om te twijfelen aan de medische verklaring of aan de deskundigheid van de onafhankelijke psychiater. Zij acht zich voldoende ingelicht en is van oordeel dat cliënt door deze beslissing redelijkerwijs niet in zijn belangen is geschaad.

De rechtbank heeft bovendien wel ruimte geboden aan cliënt en diens advocaat om contact te leggen met de voorgestelde deskundige en om in dat verband een IQ-test te laten afnemen. Ter zitting is echter gebleken dat het afnemen van een dergelijke IQ-test voorafgaand aan de mondelinge behandeling niet is gelukt.

2. Beoordeling

2.1.

Op 27 februari 2020 is door de rechtbank een rechterlijke machtiging tot opname en verblijf verleend tot en met 27 augustus 2020. Op 20 juli 2020 heeft het CIZ verzocht een rechterlijke machtiging tot voortzetting van het verblijf in een geregistreerde accommodatie te verlenen als bedoeld in artikel 25 lid 1 Wzd.

2.2.

Op basis van de medische verklaring, het indicatiebesluit en de mondelinge toelichting van de hoofdbehandelaar ter zitting is gebleken dat cliënt lijdt aan een verstandelijke handicap gepaard gaande met een psychische stoornis, namelijk zwakbegaafdheid, een autismespectrum stoornis, een schizoaffectieve stoornis, ADHD en een antisociale persoonlijkheidsstoornis.

De advocaat van betrokkene brengt naar voren dat in de stukken veel verschillende soorten ziektebeelden zijn gediagnosticeerd en dat er twijfels zijn over de diagnose van zwakbegaafdheid. Aanvullend onderzoek is daarom nodig en volgens de advocaat van cliënt dient dhr. Veereschild daarbij betrokken te worden.

De hoofdbehandelaar verklaart ter zitting dat de diagnose zwakbegaafdheid niet alleen ziet op verminderde cognitie, maar ook op het algemeen beeld van cliënt dat hij zich niet kan redden in de maatschappij. Om die reden is de hoofdbehandelaar van mening dat betrokkene zwakbegaafd is en op een juiste afdeling is opgenomen.

De hoofdbehandelaar is daarnaast net als de advocaat van mening dat cliënt opnieuw moet worden onderzocht. Daartoe heeft de behandelaar verklaart een dergelijk onderzoek te zullen starten. De hoofdbehandelaar is ook bereid om in het kader van dat onderzoek contact te zoeken met de voorgestelde deskundige van cliënt (dhr. Veereschild).

Nu de behandelaar de wens van cliënt en diens advocaat volgt, acht de rechtbank het niet noodzakelijk het verzoek aan te houden om daarmee een andere deskundige (contra-expertise) op te roepen. Alle partijen hebben ook instemmend gereageerd op deze wijze van afdoen.

2.3.

Het gedrag van cliënt leidt als gevolg van deze verstandelijke handicap gepaard gaande met een psychische stoornis tot ernstig nadeel. Het ernstig nadeel is gelegen in ernstig lichamelijk letsel, ernstige psychische schade, ernstige materiële schade, de situatie dat cliënt met hinderlijk gedrag agressie van anderen oproept, alsook de situatie dat de algemene veiligheid van personen of goederen in gevaar is.

Cliënt is al meer dan 15 jaar bekend met intensieve hulpverlening in de GGZ. Hij is in veel verschillende soorten instellingen opgenomen en sinds enkele jaren niet in een psychiatrische instelling, maar in een gespecialiseerde instelling die gericht is op behandeling van zwakbegaafden. De afgelopen maanden zijn er veel incidenten geweest. Betrokkene heeft meerdere keren medewerkers van de kliniek bedreigd. Hij heeft een begeleider en bewoner aangevallen en hij is weggelopen. De teamleider verklaart dat zes weken geleden medicatie is gewijzigd en dat de nieuwe medicatie inmiddels is opgehoogd. Cliënt lijkt zich daardoor te stabiliseren. De scherpe kanten zijn ervan af en het beeld lijkt in tegenstelling tot de eerdere jaren (in de psychiatrische zorg) te verbeteren. Cliënt is beter in de omgang en hij verzorgt zichzelf ook beter. Desondanks blijft het ernstig nadeel op de voorgrond staan. Cliënt stuurt dreig e-mails naar verschillende instanties als hij daartoe de kans krijgt. Hij veroorzaakt (maatschappelijke) onrust als hij wegloopt en komt dan in beeld van verschillende instanties, zoals de NCTV of de crisisdienst van Zuid-Holland Zuid.

2.4.

De voortzetting van het verblijf is noodzakelijk en geschikt om het ernstig nadeel te voorkomen of af te wensen.

2.5.

Er zijn geen minder ingrijpende mogelijkheden om het ernstig nadeel te voorkomen of af te wenden.

2.6.

Cliënt is de afgelopen maanden vaak weggelopen uit de kliniek. Daarom is gebleken dat hij zich tegen voortzetting van het verblijf verzet.

2.7.

Het CIZ verzoekt de machtiging te verlenen voor vijf jaar, omdat er geen wijziging zal optreden in het toestandsbeeld van cliënt. De hoofdbehandelaar verklaart ter zitting dat, hoewel hij niet verwacht dat het toestandsbeeld van cliënt fundamenteel zal wijzigen, een termijn van twee jaar meer recht doet aan de positie van cliënt. Er zal namelijk een nieuw onderzoek volgen naar de aandoening(en) van cliënt, waardoor onzekerheid bestaat over de toekomst. Bovendien zorgt een termijn van twee jaar ervoor dat als cliënt niet zwakbegaafd blijkt te zijn dat hij niet zijn huidige (goede) plek verliest in de kliniek. Dat een duur van één jaar, zoals de advocaat van cliënt verzoekt, passender is omdat de kliniek dan sneller het onderzoek moet afronden acht de rechtbank gelet op het bovenstaande van minder groot belang, vooral nu betrokkene op een goede afdeling zit en zijn toestandsbeeld, zij het gestaag, verbetert. De rechtbank zal de rechterlijke machtiging dan ook verlenen voor de duur van twee jaar.

3. Beslissing

De rechtbank:

3.1.

verleent een machtiging tot voortzetting van het verblijf ten aanzien van [naam cliënt] voornoemd;

3.2.

bepaalt dat deze machtiging geldt tot en met 6 augustus 2022.

Deze beschikking is op 6 augustus 2020 mondeling gegeven door mr. L.M. Coenraad, rechter, in tegenwoordigheid van V. Merkouris, griffier, en op 19 augustus 2020 schriftelijk uitgewerkt en getekend.

Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.