Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:8571

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
01-09-2020
Datum publicatie
01-10-2020
Zaaknummer
C/10/602784 / FA RK 20-6368
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten (Wzd). Toewijzing rechterlijke machtiging tot opname en verblijf als bedoeld in artikel 24. Termijnschending CIZ.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM


Team familie

Zaak-/rekestnummer: C/10/602784 / FA RK 20-6368

Schriftelijke uitwerking van de mondelinge beslissing van 1 september 2020 betreffende een rechterlijke machtiging tot opname en verblijf als bedoeld in artikel 24 van de Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten (hierna: Wzd)

op verzoek van:

het CIZ,

met betrekking tot:

[naam cliënt] ,

geboren op [geboortedatum cliënt] ,

hierna: cliënt,

wonende te [adres cliënt] , [woonplaats cliënt] ,

advocaat mr. T.S. Kessel te Dordrecht.

1. Procesverloop

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit het verzoekschrift van het CIZ, ingekomen ter griffie op 18 augustus 2020.

Bij het verzoekschrift zijn de volgende bijlagen gevoegd:

  • -

    het indicatiebesluit op grond van artikel 3.2.3 van de Wet langdurige zorg van 29 juli 2020;

  • -

    de medische verklaring, opgesteld en ondertekend door [naam 1] , arts, van 9 juli 2020;

  • -

    de aanvraag voor een rechterlijke machtiging;

  • -

    een afschrift van het machtigingsformulier;

  • -

    een afschrift van de rapportage van de afgelopen periode over cliënt;

  • -

    een afschrift van de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 19 augustus 2020 waarin de behandeling van het verzoek van het CIZ is verwezen naar de rechtbank Rotterdam.

1.2.

De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft bij beschikking van 19 augustus 2020 de behandeling van het verzoek verwezen naar de rechtbank Rotterdam.

1.3.

De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 1 september 2020. Bij die gelegenheid zijn (overeenkomstig artikel 2 lid 1 van de Tijdelijke wet COVID-19 Justitie en Veiligheid) via beeld- en geluidverbinding gehoord:

  • -

    cliënt met haar hiervoor genoemde advocaat;

  • -

    [naam 2] , casemanager, verbonden aan Thuiszorg West-Brabant;

  • -

    [naam 3] , dochter van cliënt, en [naam 4] , dochter van cliënt.

2. Beoordeling

2.1.

Uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling is gebleken dat cliënt lijdt aan een psychogeriatrische aandoening, te weten dementie.

2.2.

Het gedrag van cliënt leidt als gevolg van deze psychogeriatrische aandoening tot ernstig nadeel. Het ernstig nadeel is gelegen in het bestaan van of het aanzienlijk risico op ernstig lichamelijk letsel, ernstige psychische schade, ernstige verwaarlozing en maatschappelijke teloorgang.

Cliënt woont samen met haar echtgenoot. Haar echtgenoot lijdt ook aan dementie, waardoor zij beiden steeds meer zorg nodig hebben en elkaar niet meer kunnen verzorgen. Cliënt is door haar ziektebeeld zowel verbaal als fysiek agressief naar haar echtgenoot. Thuis is dan ook regelmatig sprake van escalaties. Daarnaast is cliënt ook verbaal agressief naar haar dochters en de thuiszorg. Ze weigert hulp, waardoor zij en haar echtgenoot, die ook hulpbehoevend is, niet voldoende in hun zorg worden voorzien. Cliënt valt daarnaast regelmatig. Daardoor is ook op de meest onverwachte momenten hulp nodig, hetgeen niet buiten een verpleeghuis kan worden bewerkstelligt. Cliënt heeft namelijk al een uitgebreid steunsysteem bestaande uit mantelzorg door haar dochters, thuishulp en dagbesteding.

2.3.

De opname en het verblijf zijn noodzakelijk en geschikt om het ernstig nadeel te voorkomen of af te wenden.

2.4.

Cliënt heeft drie keer in de week dagbesteding, meerdere keren in de week thuishulp en zij wordt door haar dochters verzorgd, die inmiddels overbelast zijn. De ambulante zorg kan niet worden geïntensiveerd en daarom is gebleken dat er geen minder ingrijpende mogelijkheden zijn om het ernstig nadeel te voorkomen of af te wenden.

2.5.

Gebleken is dat cliënt zich verzet tegen de opname en het verblijf. Cliënt verklaart niet uit haar huis te willen en de zorg niet nodig te vinden.

2.6.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat is voldaan aan de criteria voor een rechterlijke machtiging tot opname en verblijf als bedoeld in de Wzd. De termijnen die door het CIZ zijn overschreden leiden niet tot een verrekening met de duur van de zorgmachtiging. Een kortere duur biedt geen compensatie voor de termijnen die geschaad zijn, mede omdat door het ziektebeeld van cliënt niet verwacht wordt dat de situatie zich in de toekomst zal verbeteren. De machtiging zal om die reden worden verleend voor de verzochte duur van zes maanden.

3. Beslissing

De rechtbank:

3.1.

verleent een machtiging tot opname en verblijf ten aanzien van [naam cliënt] voornoemd;

3.2.

bepaalt dat deze machtiging geldt tot en met 1 maart 2021.

Deze beschikking is op 1 september 2020 mondeling gegeven door mr. A. Lablans, rechter, in tegenwoordigheid van V. Merkouris, griffier, en op 7 september 2020 schriftelijk uitgewerkt en getekend.

Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.