Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:8528

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
18-09-2020
Datum publicatie
30-09-2020
Zaaknummer
8623701
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ontbinding en ontruiming toegewezen, HAS is ondanks verweer van gedaagde verder opgelopen tot 6,5 maand. Verhuurder is bereid om een regeling te treffen, die wordt opgenomen in vonnis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 8623701 \ CV EXPL 20-22385

uitspraak: 18 september 2020

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

de stichting

Stichting Vestia,

gevestigd te Rotterdam,

eiseres,

gemachtigde: GGN Mastering Credit B.V. te Rotterdam,

tegen

1. [gedaagde 1] ,

wonende te [woonplaats gedaagde 1] ,

gedaagde,

procederend in persoon,

2. [gedaagde 2] ,

wonende te [woonplaats gedaagde 2] ,

gedaagde,

die niet is verschenen.

Partijen worden hierna Vestia, [gedaagde 1] en [gedaagde 2] genoemd.

1. Het verloop van de procedure

1.1.

Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter heeft kennis genomen:

  • -

    het exploot van dagvaarding met producties van 22 juni 2020;

  • -

    de aantekeningen van de griffier van de telefonische reactie van [gedaagde 1] ;

  • -

    de akte uitlaten van Vestia, met een productie.

1.2.

De kantonrechter heeft de uitspraak van dit vonnis bepaald op heden.

2. De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, staat tussen partijen het volgende vast.

2.1.

[gedaagde 1] en [gedaagde 2] huren van Vestia de woning gelegen te [adres] (hierna: het gehuurde).

2.2.

De huurprijs van het gehuurde bedroeg tot en met juni 2020 € 906,52 per maand en sindsdien € 943,85 per maand, bij vooruitbetaling te voldoen.

3. Het geschil

3.1.

Vestia heeft (kort gezegd) gevorderd de huurovereenkomst tussen partijen te ontbinden en [gedaagde 1] en [gedaagde 2] te veroordelen tot ontruiming van het gehuurde. Verder vordert zij hoofdelijke veroordeling van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] tot betaling aan haar van € 4.671,31, vermeerderd met de wettelijke rente over € 4.314,24, en een bedrag gelijk aan de huurprijs tot aan de ontruiming van het gehuurde, uit hoofde van huur dan wel schadevergoeding. Een en ander met veroordeling van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in de proceskosten.

3.2.

Vestia heeft (samengevat) het volgende aan haar vordering ten grondslag gelegd. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben een huurachterstand laten ontstaan van € 4.314,24, berekend tot en met juni 2020. Deze tekortkoming in de nakoming van de huurovereenkomst rechtvaardigt de gevorderde ontbinding en ontruiming. Vestia maakt verder aanspraak op € 33,70 aan verschenen rente, berekend tot de dag van dagvaarding, en op € 323,37 aan buitengerechtelijke incassokosten (inclusief btw).

3.3.

[gedaagde 1] heeft de hoogte van de huurachterstand niet betwist, maar verzet zich tegen de ontbinding en ontruiming. Hij heeft aangevoerd dat de huurachterstand is ontstaan door overmacht, namelijk teruggelopen inkomsten als gevolgen van de corona-uitbraak. [gedaagde 1] is bereid om per direct € 1.500,- te betalen en vervolgens € 1.000,- per maand, naast de lopende huur, en hij zal dit ook gaan doen.

4. De beoordeling van de vordering

4.1.

[gedaagde 2] is niet in deze procedure verschenen, maar [gedaagde 1] wel. Op de voet van artikel 140 lid 1 en 3 Rv wordt daarom tegen [gedaagde 2] verstek verleend, maar wordt dit vonnis wel als een vonnis op tegenspraak beschouwd ten aanzien van alle partijen.

4.2.

Vast staat dat de huurachterstand ten tijde van de dagvaarding € 4.314,24 bedroeg. Vestia heeft in reactie op de stellingen van [gedaagde 1] gesteld dat de huurachterstand verder is opgelopen tot € 6.201,94, berekend tot en met augustus 2020, aangezien ook de huur over juli en augustus 2020 (ondanks de toezeggingen van [gedaagde 1] ) niet is betaald. Hoewel [gedaagde 1] en [gedaagde 2] geen gelegenheid hebben gehad om hierop te reageren, zal worden uitgegaan van de juistheid van deze stelling, aangezien [gedaagde 1] na zijn telefonische reactie geen betalingsbewijzen heeft overgelegd. De vordering tot betaling van deze achterstand zal daarom in beginsel worden toegewezen.

4.3.

Bij dagvaarding was sprake van een huurachterstand van ongeveer vierenhalve maand. Deze tekortkoming in de nakoming van de huurovereenkomst rechtvaardigt de ontbinding daarvan op grond van artikel 6:265 BW, aangezien het betalen van de huur een essentiële verplichting is die voortvloeit uit de huurovereenkomst. De door [gedaagde 1] aangevoerde aanleiding voor het ontstaan van de achterstand maakt dit oordeel niet anders, te meer omdat de achterstand ondanks het verweer van [gedaagde 1] alleen maar verder is opgelopen tot ongeveer zesenhalve maand. Hoe vervelend de gevolgen van de corona-uitbraak ook voor het inkomen van [gedaagde 1] mogen zijn, die omstandigheden kunnen Vestia niet worden tegengeworpen, maar komen voor rekening en risico van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] . De gevorderde ontbinding en ontruiming zullen daarom in beginsel worden toegewezen, evenals de daarmee samenhangende vordering tot maandelijkse betaling van een bedrag gelijk aan de huurprijs tot aan de ontruiming.

4.4.

De gevorderde rente, die berekend tot de dag van dagvaarding € 33,70 bedraagt, en de vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten van € 323,37 worden als onweersproken en op de wet gegrond in beginsel toegewezen.

4.5.

[gedaagde 1] en [gedaagde 2] worden als in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de kosten van deze procedure, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Vestia vastgesteld op € 604,03 (€ 499 aan griffierecht en € 105,03 aan dagvaardingskosten) en € 360,- aan salaris voor de gemachtigde (1,5 punt à € 240,-).

4.6.

Vestia heeft zich in haar akte uitlaten bereid getoond een betalingsregeling te treffen met [gedaagde 1] en [gedaagde 2] , inhoudende directe betaling van € 1.500,- en vervolgens € 1.000,- per maand, naast de lopende huur, met dien verstande dat de regeling vervalt indien [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in gebreke blijven met een stipte betaling van deze regeling. Vestia heeft de kantonrechter verzocht om deze regeling in het vonnis op te nemen. Aan dit verzoek zal hierna worden voldaan.

5. De beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk, des dat de een betalend de ander zal zijn bevrijd, om aan Vestia te betalen € 6.559,01 aan achterstallige huur berekend tot en met de maand augustus 2020, verschenen rente en buitengerechtelijke kosten, vermeerderd met de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW over € 4.314,24 vanaf 22 juni 2020 tot de dag van algehele voldoening;

veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] eveneens hoofdelijk in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Vestia vastgesteld op € 604,03 aan verschotten en € 240,- aan salaris voor de gemachtigde;

verstaat dat partijen overeenstemming hebben bereikt over een betalingsregeling, in die zin dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] binnen 1 week na betekening van dit vonnis € 1.500,- voldoen en het restant van het totaal aan Vestia te betalen bedrag, inclusief rente en kosten als voormeld, naast de lopende huur, aan Vestia voldoen in maandelijkse termijnen van € 1.000,-, voor het eerst uiterlijk op 1 september 2020 en vervolgens telkens uiterlijk op de eerste dag van iedere daarop volgende maand;

verstaat dat Vestia niet tot tenuitvoerlegging van dit vonnis zal overgaan zolang [gedaagde 1] en [gedaagde 2] voor stipte betaling van de hiervoor bedoelde maandtermijnen zorgdragen, naast de lopende huur vanaf de maand september 2020;

en bovendien, maar alléén voor het geval [gedaagde 1] en [gedaagde 2] deze betalingsverplichtingen niet behoorlijk nakomen:

bepaalt dat het ingevolge dit vonnis nog verschuldigde bedrag geheel ineens opeisbaar is;

ontbindt de bovengenoemde huurovereenkomst tussen partijen met ingang van de dag nadat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] ten aanzien van de nakoming van de vorenbedoelde betalingsverplichtingen in verzuim zijn en veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] om het gehuurde binnen veertien dagen te ontruimen met alle personen en zaken die zich vanwege [gedaagde 1] en [gedaagde 2] daar bevinden en het gehuurde onder overgave van de sleutels ter beschikking van Vestia te stellen;

veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk om aan Vestia te betalen € 943,85 per maand met ingang van de maand september 2020 tot en met de maand waarin de ontruiming plaatsvindt;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.H. Kemp-Randewijk en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

33394