Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:8527

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
18-09-2020
Datum publicatie
30-09-2020
Zaaknummer
8577092
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ontbinding en ontruiming afgewezen, huurachterstand inmiddels volledig ingelopen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 8577092 \ CV EXPL 20-19490

uitspraak: 18 september 2020

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Vesteda Investment Management B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres,

gemachtigde: Janssen & Janssen c.s. Gerechtsdeurwaarders te Eindhoven,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats gedaagde] ,

gedaagde,

procederend in persoon.

Partijen worden hierna aangeduid als ‘Vesteda’ en ‘ [gedaagde] ’.

1. Het procesverloop

1.1.

Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter kennis heeft genomen:

  • -

    het exploot van dagvaarding met producties van 21 april 2020;

  • -

    de conclusie van antwoord met producties;

  • -

    de conclusie van repliek met producties;

  • -

    de conclusie van dupliek met producties.

1.2.

De kantonrechter heeft de uitspraak van dit vonnis bepaald op heden.

2. De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, staat tussen partijen, voor zover van belang, het volgende vast.

2.1.

[gedaagde] huurt van Vesteda de woning gelegen te [adres] (hierna: het gehuurde).

2.2.

De huurprijs van het gehuurde bedroeg tot en met juni 2020 € 1.102,50 en sindsdien

€ 1.128,88 per maand, bij vooruitbetaling te voldoen.

3. Het geschil

3.1.

Vesteda heeft (kort gezegd) bij dagvaarding gevorderd de huurovereenkomst tussen partijen te ontbinden en [gedaagde] te veroordelen tot ontruiming van het gehuurde. Verder vordert zij veroordeling van [gedaagde] tot betaling aan haar van € 4.942,55, vermeerderd met de wettelijke rente over € 4.380,25, en € 1.102,50 per (gedeelte van een) maand tot aan de ontruiming van het gehuurde, uit hoofde van huur dan wel schadevergoeding. Een en ander met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.

3.2.

Vesteda heeft (samengevat) het volgende aan haar vordering ten grondslag gelegd. [gedaagde] heeft de huur over de maanden januari tot en met april 2020 niet voldaan, zodat een achterstand is ontstaan van € 4.410,-. Op die achterstand brengt Vesteda een bedrag van

€ 29,75 (ter zake afrekening servicekosten 2019) in mindering. Het laten ontstaan van deze huurachterstand rechtvaardigt de gevorderde ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde. Vesteda maakt verder aanspraak op € 10,84 aan verschenen rente, berekend tot 14 april 2018, en op € 551,46 aan buitengerechtelijke incassokosten (inclusief btw).

3.3.

[gedaagde] heeft de hoogte van de huurachterstand niet betwist. Zij heeft aangevoerd dat deze achterstand is ontstaan door medische redenen. Inmiddels heeft zij de achterstand ingelopen.

4. De beoordeling

4.1.

Ten aanzien van de huurachterstand wordt het volgende overwogen. Uit de conclusies van antwoord en repliek volgt dat [gedaagde] na dagvaarding vier huurtermijnen heeft betaald, ter hoogte van in totaal € 4.410,-. Vesteda heeft daarom de gevorderde huurachterstand (exclusief rente en kosten) berekend tot en met juli 2020 bij conclusie van repliek verminderd tot € 3.304,13. [gedaagde] heeft daarop bij conclusie van dupliek, onder overlegging van betalingsbewijzen aangetoond dat zij, na de conclusie van repliek, nog tweemaal een bedrag van € 1.102,50 en eenmaal een bedrag van € 1.102,60 heeft betaald, dus in totaal € 3.307,60. De huurachterstand berekend tot en met juli 2020 heeft zij dan ook volledig ingelopen.

4.2.

Weliswaar was ten tijde van de dagvaarding sprake van een betalingsachterstand van vier maanden, echter is deze inmiddels volledig ingelopen. Onder die omstandigheden zal de kantonrechter de gevorderde ontbinding en ontruiming afwijzen.

4.3.

De gevorderde rente, die berekend tot 14 april € 10,84 bedraagt, en de vergoeding voor buitengerechtelijke kosten ter hoogte van € 551,46 worden als onweersproken en op de wet gegrond toegewezen. Het door [gedaagde] ten aanzien van de huur teveel betaalde bedrag van € 3,47 strekt hierop in mindering.

4.4.

Aangezien [gedaagde] op juiste gronden in rechte is betrokken wordt zij veroordeeld in de kosten van deze procedure, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Vesteda vastgesteld op € 604,09 aan verschotten (€ 499,- aan griffierecht en € 105,09 aan dagvaardingskosten) en € 480,- aan salaris voor de gemachtigde (2 punten à € 240,-).

5. De beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt [gedaagde] om aan Vesteda te betalen € 558,83 aan rente berekend tot 14 april 2020 en buitengerechtelijke incassokosten, vermeerderd met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW over het saldo vanaf 14 april 2020 dat aan huurachterstand, exclusief kosten, telkens, na elke credit- en debetmutatie, heeft uitgestaan, tot de dag der algehele voldoening;

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Vesteda vastgesteld op € 604,09 aan verschotten en € 480,- aan salaris voor de gemachtigde;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het méér of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.H. Kemp-Randewijk en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

33394