Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:8524

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
28-09-2020
Datum publicatie
30-09-2020
Zaaknummer
ROT 20/953
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Intrekking PW-uitkering. Betrokkene betwist de persoonlijke bezorging van de brieven. Sociaal rechercheur als getuige ter zitting gehoord. Persoonlijke bezorging voldoende aannemelijk gemaakt en door betrokkene onvoldoende ontzenuwd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 20/953

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 september 2020 in de zaak tussen

[naam eiseres] , te [woonplaats eiseres] , eiseres,

gemachtigde: mr. N. Köse-Albayrak,

en

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, verweerder,

gemachtigde: mr. J.F. Jim.

Procesverloop

Bij besluit van 13 september 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder de uitkering van eiseres op grond van de Participatiewet (Pw) met ingang van 11 september 2019 ingetrokken.

Bij besluit van 13 januari 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 juli 2020. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde en haar zoon, [naam 1] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting heropend om [naam 2] , sociaal rechercheur werkzaam bij de gemeente Rotterdam, te horen als getuige.

Het onderzoek ter zitting is hervat op 14 september 2020. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 1] en haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Als getuige is verschenen [naam 2] .

Overwegingen

1.1.

Eiseres ontving sinds 1 januari 1997 een bijstandsuitkering. Verweerder heeft haar in het kader van een heronderzoek bij brief van 6 september 2019 uitgenodigd voor een gesprek op 11 september 2019 en haar gevraagd gegevens in te leveren. Eiseres is daar zonder bericht van verhindering niet verschenen. De gevraagde gegevens zijn evenmin ingeleverd.

1.2

Met een besluit van 11 september 2019 heeft verweerder het recht van eiseres op bijstand opgeschort en haar in de gelegenheid gesteld alsnog te verschijnen voor een gesprek op 13 september 2019. Daarnaast heeft verweerder eiseres opnieuw verzocht een aantal gegevens mee te nemen naar de afspraak. Ook op deze afspraak is eiseres, zonder bericht van verhindering, niet verschenen. Vervolgens heeft verweerder het primaire besluit genomen.

1.3.

Bij besluit van 18 september 2019 heeft verweerder eiseres een waarschuwing gegeven. Hiertegen zijn geen beroepsgronden ingediend, zodat dit besluit verder geen bespreking behoeft.

2. Volgens verweerder is het recht op bijstand van eiseres terecht ingetrokken, omdat zij niet is verschenen op de afspraken van 11 en 13 september 2019 en de gevraagde gegevens niet heeft ingeleverd. Dit betekent dat eiseres haar inlichtingen- en medewerkingsplicht heeft geschonden, zodat verweerder gehouden was de uitkering van eiseres in te trekken. Volgens verweerder zijn de oproepbrieven op de juiste wijze - door deponering in de brievenbus van eiseres op het uitkeringsadres - bezorgd. Verweerder meent dat het niet reageren op de uitnodigingen voor risico van eiseres dient te komen.

3. Eiseres voert aan dat zij de uitnodigingen niet heeft ontvangen. Verweerder kan haar daarom niet verwijten dat zij niet is verschenen op de uitnodigingen. Zij vindt dat haar recht op bijstand ten onrechte is ingetrokken.

4. Ter zitting is vastgesteld dat eiseres geen rechtsmiddel heeft aangewend tegen de opschorting van haar recht op bijstand, zodat uitsluitend ter beoordeling voorligt of de in het bestreden besluit gehandhaafde intrekking van het recht op bijstand met ingang van 11 september 2011 op grond van artikel 54, vierde lid, van de Pw, in rechte stand kan houden.

5. Bij de beantwoording van de vraag of verweerder op grond van artikel 54, vierde lid, van de Pw bevoegd was het recht op bijstand van eiseres in te trekken, staat ter beoordeling of eiseres verzuimd heeft binnen de daartoe gestelde termijn de bij het opschortingsbesluit gevraagde gegevens of gevorderde bewijsstukken te verstrekken, en zo ja, of haar hiervan een verwijt kan worden gemaakt. Die verwijtbaarheid kan ontbreken indien het gaat om gegevens of gevorderde bewijsstukken die niet van belang zijn voor de verlening van bijstand of om gegevens waarover de betrokkene niet binnen de gestelde hersteltermijn redelijkerwijs heeft kunnen beschikken (bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (de CRvB) van 26 januari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:324).

6. Tussen partijen is slechts in geding of eiseres verweten kan worden dat zij niet is verschenen op de uitnodigingen van verweerder.

7. Uit eveneens vaste rechtspraak van de CRvB, bijvoorbeeld de uitspraak van 10 april 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1084, volgt dat in het geval een betrokkene ontkent een uitnodiging van verweerder te hebben ontvangen, verweerder aannemelijk zal moeten maken dat de post wel op het adres van de geadresseerde is ontvangen. Daarbij kan het deponeren van een besluit of een brief in de brievenbus voor de toepassing van artikel 3:41 van de Algemene wet bestuursrecht op één lijn worden gesteld met een niet aangetekende verzending per post. Bij betwisting van die deponering is het aan het college om aannemelijk te maken dat de brief daadwerkelijk is bezorgd. Dat kan door nauwkeurig te beschrijven wat bij de bezorging is waargenomen (zie de uitspraak van de CRvB van 9 juni 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1886).

8. Verweerder stelt dat de brieven persoonlijk zijn bezorgd door sociaal rechercheur [naam 2] door deponering van de brieven in de brievenbus in de voordeur van eiseres. Eiseres heeft dit standpunt van verweerder gemotiveerd bestreden. Zij stelt dat het onmogelijk is om brieven in de brievenbus in de voordeur te deponeren, omdat deze brievenbus al sinds 2015 is dichtgeschroefd. Er hangt volgens eiseres, duidelijk zichtbaar, een brievenbus aan de buitengevel bij de ingang van de tuin, waarin eiseres al haar post ontvangt.

9. De rechtbank dient te beoordelen of verweerder de bezorging van de brieven aannemelijk heeft gemaakt.

9.1.

In de Rapportage Bestuursrechtelijk onderzoek (het rapport) van 13 september 2019 is opgenomen dat de uitnodigingsbrief voor een gesprek op 11 september 2019 door [naam 2] op 9 september 2019 op het uitkeringsadres omstreeks 12.20 uur persoonlijk is bezorgd met de omschrijving “brievenbus in het midden van de voordeur”. Verder staat te lezen dat [naam 2] de opschortingsbrief van 11 september 2019 diezelfde dag omstreeks 13:40 uur op het uitkeringsadres heeft gedeponeerd in de “brievenbus in het midden van de voordeur”. Dit rapport is op ambtsbelofte opgemaakt en door [naam 2] ondertekend. Aan zodanige verklaring moet in het algemeen bijzondere betekenis worden toegekend. Verweerder heeft, ter aanvulling van het rapport, verwezen naar de overgelegde e-mail van 27 december 2019 waarin [naam 2] , naar aanleiding van het besprokene tijdens de hoorzitting, nadere informatie heeft gegeven over haar waarnemingen ten tijde van de persoonlijke bezorging.

9.2.

De verklaring van eiseres over haar dichtgeschroefde brievenbus, die niet met het rapport te verenigen valt, heeft de rechtbank aanleiding gegeven om [naam 2] op te roepen om als getuige te worden gehoord. [naam 2] heeft ter zitting desgevraagd verklaard dat zij blijft bij haar op ambtsbelofte opgestelde rapport, waarin de persoonlijke bezorging wordt omschreven. Zij heeft verklaard dat zij heeft gezien dat beide brieven door het glas achter de voordeur naar beneden gleden. Ter zitting heeft [naam 2] verklaard, dat zij ter plaatse door de schutting is gelopen, langs een partytent en een tuinbank. Deze details zijn door de zoon van eiseres bevestigd. De rechtbank concludeert dan ook dat het er voor moet worden gehouden dat het op ambtsbelofte opgemaakte rapport een correcte weergave van de persoonlijke bezorging behelst.

9.3.

Gelet op de inhoud van het onder ambtsbelofte opgemaakte rapport, in samenhang met de uitgebreide en gedetailleerde verklaring die [naam 2] ter zitting heeft afgelegd en de e-mail van 27 december 2019, is de rechtbank van oordeel dat de tijdige bezorging van zowel de brief van 9 als van 11 september 2019 voldoende aannemelijk is geworden.

10. Indien het bestuursorgaan de verzending van het besluit aannemelijk heeft gemaakt, ligt het vervolgens op de weg van de geadresseerde voormeld vermoeden te ontzenuwen. Hiertoe is niet vereist dat de geadresseerde aannemelijk maakt dat het besluit niet op zijn adres is ontvangen; voldoende is dat op grond van hetgeen hij aanvoert ontvangst redelijkerwijs kan worden betwijfeld (vergelijk de uitspraak van 15 juni 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ9423). Naar het oordeel van de rechtbank is eiseres hierin niet geslaagd. Zij heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de door verweerder gestelde wijze van persoonlijke bezorging in het geheel onmogelijk was. Uit de door eiseres overgelegde stukken kan niet sluitend worden afgeleid dat de brievenbus van eiseres ten tijde in geding daadwerkelijk dichtgeschroefd zat. Zo staat de overgelegde factuur van de roestvrijstalen brievenbus niet op naam van eiseres of haar zoon maar van iemand anders, zijn er geen camerabeelden van het alarmsysteem en zijn de beelden van Google Maps niet van de periode in geding.

11. Nu aannemelijk is geworden dat de brieven van 9 en 11 september 2019 tijdig bij eiseres zijn bezorgd en eiseres zonder bericht van verhindering niet is verschenen op de daarin genoemde afspraken, heeft verweerder het recht van eiseres op een bijstandsuitkering terecht ingetrokken.

12. Het beroep is ongegrond.

13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J. van Spengen, rechter, in aanwezigheid van mr. M.B. Volp, griffier. De uitspraak is gedaan op 28 september 2020. Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken.

De griffier is buiten staat De rechter is verhinderd te tekenen

griffier rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.