Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:8523

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
29-09-2020
Datum publicatie
30-09-2020
Zaaknummer
ROT 20/2216
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing bijstandsaanvraag, omdat eiser een niet-rechthebbende partner heeft en zijn inkomsten uit een WAO-uitkering hoger liggen dan de voor hem geldende bijstandsnorm ter hoogte van 50% van de gehuwdennorm. Verweerder heeft eiser terecht geen aanvullende bijstandsuitkering toegekend naar de norm voor een alleenstaande, omdat geen sprake is van een situatie van duurzaam gescheiden leven. Verder volgt de rechtbank verweerder in zijn standpunt dat er geen aanleiding bestond om de bijstand af te stemmen. Er is sprake van een andere situatie dan in de uitspraak van de Centrale Raad van beroep van 17 december 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:4104. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 20/2216

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 september 2020 in de zaak tussen

[naam eiser] , te [woonplaats eiser] eiser,

gemachtigde: mr. J. Nieuwstraten,

en

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, verweerder,

gemachtigde: mr. J.M. Tang.

Procesverloop

Bij besluit van 12 december 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder eisers bijstandsaanvraag van 5 november 2019 afgewezen.

Bij besluit van 20 maart 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiser heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 augustus 2020. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde en door [naam 1] en [naam 2] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Inleiding

1.1.

Eiser ontving tot en met 31 maart 2019 een aanvullende bijstandsuitkering naar de norm voor een alleenstaande naast zijn uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheid (WAO). Verweerder heeft eisers bijstandsuitkering herzien naar de norm voor een gehuwde met een niet-rechthebbende partner, omdat eisers echtgenote geen recht heeft op bijstand. Daarnaast heeft verweerder eisers bijstandsuitkering ingetrokken met ingang van 1 april 2019, omdat eiser meer inkomsten uit zijn WAO-uitkering heeft dan de voor hem van toepassing zijnde bijstandsnorm. Deze herziening en intrekking heeft verweerder gehandhaafd bij besluit op bezwaar van 28 juni 2019. Eiser heeft hiertegen geen beroep ingesteld.

1.2.

Eiser heeft op 26 april 2019 een aanvraag gedaan om aanvullende bijstand. Bij besluit van 16 mei 2019 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen.

1.3.

Eiser heeft op 5 november 2019 opnieuw een aanvraag gedaan om aanvullende bijstand. Hierop heeft verweerder het primaire besluit genomen. Daaraan heeft verweerder ten grondslag gelegd dat eiser geen gewijzigde omstandigheden ten opzichte van het eerdere afwijzende besluit heeft vermeld.

Standpunt verweerder

2. Verweerder heeft bij het bestreden besluit de afwijzing van eisers aanvraag om de aanvullende bijstandsuitkering gehandhaafd. Volgens verweerder heeft eiser een niet-rechthebbende partner van wie hij niet duurzaam gescheiden leeft. Daarom geldt, gelet op artikel 24 van de Participatiewet (Pw), een bijstandsnorm ter hoogte van 50% van de gehuwdennorm. Deze norm is lager dan eisers WAO-uitkering. Voor afstemming van de hoogte van de bijstand, op grond van artikel 18, eerste lid, van de Pw, bestaat geen aanleiding omdat geen sprake is van zeer bijzondere omstandigheden.

Standpunt eiser

3. Eiser vindt dat verweerder ten onrechte geen aanvullende bijstandsuitkering heeft toegekend naar de norm voor een alleenstaande. Eisers echtgenote is Nederland uitgezet en ongewenst verklaard voor de duur van tien jaar. Zij heeft de Kameroense nationaliteit en leeft als vluchtelinge in Benin. Eiser en zijn echtgenote wonen feitelijk al bijna tien jaar gescheiden en eiser vindt dat hij en zijn echtgenote, gelet op deze specifieke situatie en de lange duur hiervan, moeten worden aangemerkt als duurzaam gescheiden. Volgens eiser zijn er vergelijkbare gevallen waarbij verweerder de norm voor een alleenstaande heeft toegekend. Voor zover hij hiervoor niet in aanmerking komt, dient verweerder de hoogte van de bijstand af te stemmen op zijn situatie. Eiser beroept zich op beleid van verweerder waarbij de partner met een Nederlander gelijk wordt gesteld. Eiser stelt dat hij niet kan rondkomen van zijn WAO-uitkering.

Oordeel rechtbank

4.1.

De rechtbank vindt dat verweerder eiser terecht geen aanvullende bijstandsuitkering naar de norm voor een alleenstaande heeft toegekend. Dit zal zij hierna uitleggen.

4.2.

Op grond van artikel 3, tweede lid, aanhef en onder b, van de Pw wordt degene die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd is aangemerkt als ongehuwd. Volgens vaste rechtspraak1 leven echtgenoten pas duurzaam gescheiden, als beiden of één van hen het echtelijk samenleven wil verbreken, waardoor ieder afzonderlijk zijn eigen leven leidt alsof hij niet met de ander gehuwd is en dit door ten minste één van beiden als blijvend is bedoeld. Dit zal moeten blijken uit concrete feiten en omstandigheden.

4.3.

Uit het dossier en uit wat eiser ter zitting heeft verklaard blijkt dat het de gezamenlijke wens van eiser en zijn echtgenote is dat zijn echtgenote zo snel mogelijk naar Nederland komt zodat ze weer bij elkaar zijn. Er is geen sprake van een gewilde verbreking van de samenleving. Daarbij is de periode van ongewenstverklaring van tien jaar bijna verstreken, zodat het mogelijk is dat de echtelijke samenleving op korte termijn kan worden hervat. De situatie is dan ook niet uitzichtloos. Van een situatie van duurzaam gescheiden leven is daarom geen sprake. Dat de echtgenote van eiser Nederland is uitgezet en ongewenst verklaard is voor de duur van tien jaar en dat eiser en zijn echtgenote al bijna tien jaar gescheiden leven, maakt dit niet anders. De verwijzing naar de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Limburg van 11 april 20182 kan eiser niet baten. In die uitspraak staat namelijk dat verzoekster had aangegeven zich niet te kunnen en willen voegen bij het huishouden van haar echtgenoot in Duitsland en gescheiden wilde blijven leven van haar echtgenoot. Ook had haar echtgenoot geen enkel zicht op een positief vreemdelingrechtelijk besluit waarmee hij zich in Nederland kon vestigen. De voorzieningenrechter heeft zijn oordeel gegeven aan de hand van deze concrete situatie die niet met de situatie van eiser vergelijkbaar is.

5.1.

Dat verweerder eiser terecht geen aanvullende bijstandsuitkering naar de norm van een alleenstaande heeft toegekend, laat onverlet dat verweerder maatwerk moet leveren en op grond van artikel 18, eerste lid, van de Pw de bijstand moet afstemmen op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de belanghebbende. Deze bepaling geeft inhoud aan één van de uitgangspunten van de Pw, te weten dat de bijstand wordt afgestemd op de feitelijke behoeften in het individuele geval. Volgens vaste rechtspraak3 is voor een dergelijke afstemming slechts plaats in zeer bijzondere situaties. Het is aan degene die zich beroept op deze afstemming om de zeer bijzondere omstandigheden aannemelijk te maken. De enkele omstandigheid dat het gaat om een niet-rechthebbende partner is onvoldoende voor afstemming van de bijstand.

5.2.

Eiser heeft een beroep gedaan op de uitspraak van de Raad van 17 december 20194 en betoogd dat verweerder uit zichzelf onderzoek had moeten doen naar de aanwezigheid van zeer bijzondere omstandigheden. De rechtbank volgt hem daarin niet. In de genoemde uitspraak ging het om een situatie waarin iemand als gevolg van de gewijzigde tekst van artikel 24 van de Pw met ingang van 1 januari 2016 werd geconfronteerd met een inkomensterugval van 20% van zijn bijstand, zonder dat zijn feitelijke situatie is gewijzigd en zonder dat in zijn woning een medebewoner verblijft met wie hij de kosten kan delen. Weliswaar is eiser ook geconfronteerd met een inkomensterugval, maar hierover heeft eerdere besluitvorming plaatsgevonden en die staat in rechte vast (de beslissing op bezwaar van 28 juni 2019). Eiser heeft tot de aanvraag van 5 november 2019, die in deze zaak voorligt, al enige tijd zonder aanvullende bijstandsuitkering geleefd. Dat maakt dat de situatie van eiser niet vergelijkbaar is met de door hem genoemde uitspraak van de Raad.

5.3.

De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat er geen aanleiding bestond om de bijstand af te stemmen. Vast staat dat eiser, toen hij nog een aanvullende bijstandsuitkering ontving, gedurende enige maanden zijn echtgenote ondersteunde met € 200,- per maand. In zijn bezwaarschrift schrijft eiser ook dat hij op dit moment niet in staat is zijn partner te ondersteunen. Hoewel de rechtbank er begrip voor heeft dat eiser zijn echtgenote, die in moeilijke omstandigheden verkeert, graag financieel zou willen ondersteunen, is het niet de bedoeling van de Pw dat de bijstandsuitkering aan een niet- rechthebbende partner wordt verstrekt. Verder staat vast dat een eerdere betalingsachterstand bij eisers zorgverzekeraar is ingelopen met hulp van het Fonds Bijzondere Noden en dat dit fonds ook een andere rekening van de zorgverzekeraar heeft voldaan. Naast een nieuwe schuld bij de zorgverzekeraar, is niet gebleken van andere schulden. Eiser heeft een budgetplan overgelegd, maar hierop zijn bepaalde vlakken zwart gemaakt, waardoor de optelsom bij de uitgaven niet meer klopt. De rechtbank begrijpt dat eiser het financieel allesbehalve breed heeft, maar vindt, gelet op het voorgaande en gelet op het feit dat eiser tot 1 april 2019 feitelijk bijstand naar de norm voor een alleenstaande heeft ontvangen, niet dat verweerder de bijstand bij de aanvraag van 5 november 2019 – ruim een half jaar later – had moeten afstemmen.

5.4.

Eiser heeft een beroep gedaan op een tekst, te vinden op Inzicht in Sociaal Domein, op grond waarvan hij stelt dat verweerder het beleid voert om de bijstand bij een niet- rechthebbende partner af te stemmen en uit te betalen naar de norm voor een alleenstaande. Ook hierin volgt de rechtbank eiser niet. Verweerder heeft gemotiveerd toegelicht dat dit ziet op de situatie waarin de niet-rechthebbende partner niet mag werken, geen inkomen kan verwerven en niet beschikt over andere middelen. Eiser stelt weliswaar dat hiervan sprake is, maar hij heeft de vreemdelingenrechtelijke en financiële situatie van zijn echtgenote niet onderbouwd.

6. Voor zover eiser een beroep doet op het gelijkheidsbeginsel, gaat de rechtbank hieraan voorbij, alleen al omdat eiser dit niet nader heeft onderbouwd.

Conclusie

7. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat verweerder de bijstandsaanvraag terecht heeft afgewezen.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is op 29 september 2020 gedaan door mr. E. Lunenberg, rechter, in aanwezigheid van mr. M.B. Volp, griffier. Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken.

De griffier en de rechter zijn verhinderd deze uitspraak te ondertekenen

griffier rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

1 Bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) van 25 augustus 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:2041.

2 ECLI:NL:RBLIM:2018:3401.

3 Bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 14 januari 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:69.

4 ECLI:NL:CRVB:2019:4104