Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:8468

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
04-09-2020
Datum publicatie
07-01-2021
Zaaknummer
C/10/576754 / FA RK 19-5452
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

afwijzing verzoek eenhoofdig gezag

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd

zaakgegevens: C/10/576754 / FA RK 19-5452

datum uitspraak: 4 september 2020

beschikking

in de zaak van

[naam moeder] ,

hierna te noemen de moeder, wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat mr. J.M.L.G. de Jong, kantoorhoudende te Rotterdam,

t e g e n

[naam vader] ,

hierna te noemen de vader, wonende te [woonplaats vader] ,

advocaat mr. N. Köse-Albayrak, kantoorhoudende te Rotterdam,

betreffende

[naam kind 1] ,

geboren op [geboortedatum kind 1] 2008 te [geboorteplaats kind 1] , hierna te noemen [naam kind 1] ,

[naam kind 2] ,

geboren op [geboortedatum kind 2] 2007 te [geboorteplaats kind 2] , hierna te noemen [naam kind 2] .

De rechtbank merkt als informant aan:

de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,

hierna te noemen de GI, gevestigd te Amsterdam,

de Raad voor de Kinderbescherming Rotterdam,

hierna te noemen de Raad, gevestigd te Rotterdam.

Het procesverloop

Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

- de beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 17 januari 2020 en de daaraan ten grondslag liggende stukken;

- de rapportage van de Raad van 2 april 2020, ingekomen bij de griffie op 3 april 2020;

- het proces-verbaal van de zitting van 7 mei 2020;

- de brief met bijlage van mr. de Jong van 15 juli 2020, ingekomen bij de griffie op 16 juli 2020;

- de fax met bijlagen van de GI van 31 augustus 2020, ingekomen bij de griffie op diezelfde datum;

- het e-mailbericht van mr. de Jong van 3 september 2020.

Op 4 september 2020 heeft de rechtbank de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld.

Gehoord zijn:

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat,

- de vader, bijgestaan door zijn advocaat,

- een vertegenwoordigster van de Raad, [naam vertegenwoordigster] .

Opgeroepen en niet verschenen is een vertegenwoordig(st)er van de GI.

Op verzoek van mr. J.M.L.G. de Jong en in overeenstemming met zijn cliënte is mr. de Jong middels een Skype-verbinding gehoord.

De feiten

Het ouderlijk gezag over [naam kind 1] en [naam kind 2] wordt uitgeoefend door de ouders.

[naam kind 1] en [naam kind 2] wonen bij de moeder.

Het verzoek

De moeder heeft verzocht te bepalen dat het gezag over [naam kind 1] en [naam kind 2] alleen aan haar toekomt.

Door en namens de moeder is het verzoek ter zitting gehandhaafd en als volgt toegelicht. De gronden die zijn opgenomen in het verzoekschrift zijn nog onverkort relevant. Hoewel de communicatie tussen de ouders verbeterd is, is de vader eenvoudigweg niet in staat om beslissingen te nemen in het belang van de kinderen. De vader moet weten wat de consequenties zijn als hij ergens zijn handtekening voor zet, maar dat is niet het geval. De vader kan geen invulling geven aan zijn gezag. Het wegvallen van de GI heeft deze situatie niet veranderd. Het kan niet zo zijn dat het gezag van de vader voor de bühne of vanwege de wens van zijn dochter in stand wordt gehouden.

De standpunten

Door en namens de vader is verweer gevoerd tegen het verzoek. De communicatie tussen de ouders is inmiddels verbeterd en loopt niet meer via de kinderen. Ook heeft de vader berust in de rol van de nieuwe partner van de moeder. Met de kinderen zelf gaat het goed. Er is geen reden om aan te nemen dat er in de toekomst niet gezamenlijk tot beslissingen kan worden gekomen. Dit blijkt tevens uit de rapportage van de Raad. In het verleden zijn beslissingen over de kinderen altijd gezamenlijk genomen en de vader zal hieraan blijven meewerken. De hulpverlening voor de vader vanuit de GI is komen te vervallen, maar zal worden vervangen door ondersteuning vanuit Pameijer.

De Raad blijft bij de conclusie zoals die uit de raadsrapportage volgt, namelijk dat ondanks vaders verminderde draagkracht, [naam kind 2] en [naam kind 1] nog niet klem en verloren zijn geraakt tussen hun ouders als gevolg van het feit dat zij gezamenlijk gezag uitoefenen. Niet is gebleken dat beslissingen voor de kinderen niet genomen kunnen worden of dat deze stagneren. Evenmin is gebleken dat de kinderen in hun ontwikkeling hinder ondervinden van het gezamenlijk ouderlijk gezag. Ook is niet gebleken dat vader zijn gezag misbruikt. De Raad heeft niet het vermoeden dat vader in de toekomst de samenwerking met moeder zal traineren.

De beoordeling

Gezag

De rechtbank overweegt, dat zij op grond van artikel 1:251a, eerste lid van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan bepalen dat het gezag aan een van de ouders toekomt indien:

a. sprake is van een onaanvaardbaar risico dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of

b. wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.

Het wettelijk uitgangspunt is dat de ouders ook na hun echtscheiding het gezamenlijk gezag over de kinderen blijven uitoefenen. Er kunnen zich evenwel situaties voordoen waarin het noodzakelijk is dat slechts een van de ouders het ouderlijk gezag uitoefent. Hier moeten dan zwaarwegende redenen aan ten grondslag liggen. Volgens de moeder is deze grondslag te vinden in de verstandelijke beperkingen van de vader. Zowel uit de rapportage van de Raad als het afsluitende rapport van de GI volgt dat de vader inderdaad kampt met psychische problematiek en een verstandelijke beperking. Maar het feit dat hiervan sprake is en dat daarom bepaalde zaken meermaals aan de vader moeten worden uitgelegd voordat hij hierover kan beslissen, is op zichzelf geen reden om het gezag van de vader te beëindigen. De advocaat van moeder heeft gesteld dat het niet zo mag zijn dat het gezag van vader door hem inhoudelijk niet adequaat kan worden ingevuld of “voor de bühne is.” Maar dat is niet het criterium. De vraag die voorligt is of de kinderen door de wijze waarop de vader het gezag invult, het risico lopen klem of verloren te raken tussen de ouders of dat het anderszins in het belang van de kinderen is dat de vader geen gezag over de kinderen meer heeft. De rechtbank is van oordeel dat dat niet het geval is. De rechtbank begrijpt dat de problematiek van de vader maakt dat met hem intensiever, dan wel eenvoudiger gesproken moet worden, wat de communicatie voor de moeder moeilijk maakt. Maar uit het onderzoek van de Raad is gebleken dat de vader de moeder niet belemmert of anderszins tegenwerkt of zich verzet bij het nemen van beslissingen die de kinderen aangaan. Die moeder erkent dit. De rechtbank acht hierin de wens van [naam kind 1] en [naam kind 2] van aanzienlijk belang. Beide kinderen hebben duidelijk gemaakt niet te willen dat het gezag van de vader wordt beëindigd. Zij hechten er waarde aan dat de vader zijn rol als vader kan blijven invullen. Daarbij komt dat bij de vader hulpverlening betrokken is om hem te ondersteunen bij praktische zaken. De afgelopen maanden hebben de ouders ook een positieve ontwikkeling doorgemaakt in hun onderlinge communicatie.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat niet aan de criteria van artikel 1:251a, eerste lid, BW is voldaan en zal de rechtbank het verzoek van de moeder afwijzen.

Proceskosten

Gelet op de aard van de procedure bepaalt de rechtbank dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.

De beslissing

De rechtbank:

wijst het verzoek van de moeder af;

compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 4 september 2020 door mr. M. van Kuilenburg, rechter, in tegenwoordigheid van mr. M.C.J. Holierhoek als griffier.

De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 23 september 2020.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof
Den Haag.