Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:8453

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
23-09-2020
Datum publicatie
28-09-2020
Zaaknummer
C/10/589650 / HA ZA 20-63
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beroepsfout belastingadviseur m.b.t. voorlopige aanslag vennootschapsbelasting? Mondelinge behandeling gelast.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/589650 / HA ZA 20-63

Vonnis van 23 september 2020

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

CENTRAAL ADMINISTRATIEKANTOOR DORDRECHT B.V.,

gevestigd te Dordrecht,

eiseres,

advocaat mr. P.M. Leerink te Deventer,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[naam gedaagde] ,

gevestigd te [vestigingsplaats gedaagde] ,

gedaagde,

advocaat mr. J.J.H. Post te Barneveld.

Partijen zullen hierna CAK en [naam gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding d.d. 6 januari 2020 met 17 producties,

  • -

    de conclusie van antwoord met 7 producties,

  • -

    de conclusie van repliek met productie 18,

  • -

    de conclusie van dupliek.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1.

CAK is het moederbedrijf van onder meer de verzekeringsmaatschappijen Promovendum en National Academic. Blijkens het Handelsregister exploiteert zij een onderneming met de volgende activiteiten:

“(…)

(…) – Boekhoudkantoren

(…) – Assurantietussenpersonen

(…) – Hypotheek- en kredietbemiddeling, geldwisselkantoren, bank- en spaaragentschappen e.d.

Bemiddelen bij assuranties, verzorgen van administraties en verrichten van administratieve werkzaamheden; bemiddelen bij onroerend goed transacties, hypotheken en financieringen. Het deelnemen in-, het voeren van het beheer en de directie over- en het samenwerken met andere ondernemingen met soortgelijk en/of aanverwant doel.

(…)”

2.2.

[naam gedaagde] en haar rechtsvoorgangers, waaronder [naam bedrijf 1] , hebben in de periode tussen 1996 en mei 2018 voor CAK accountantswerkzaamheden verricht en haar belastingadvies gegeven.

2.3.

Bij brief van 22 oktober 2010 heeft de heer [naam 1] namens [naam bedrijf 1] – voor zover hier van belang – aan CAK medegedeeld:

“(…)

Op jullie verzoek heb ik een begroting opgesteld van de werkzaamheden die wij verrichten voor de vennootschappen alsmede onze tarieven doorgelicht. (…)

(…)

Onze werkzaamheden voor de CAK-groep kunnen in hoofdlijnen worden verdeeld in 3 onderdelen:

  1. de administratieve ondersteuning en begeleiding

  2. het samenstellen van de jaarrekeningen, opstellen publicatiestukken en notulen AVA en het verzorgen van fiscale aangiften

  3. de overige advieswerkzaamheden

(…)

Ad 3. de overige advieswerkzaamheden

Onder de overige advieswerkzaamheden vallen de bedrijfseconomische, juridische en fiscale werkzaamheden die op basis van opdracht door ons worden uitgevoerd.

(…)

Ik vertrouw erop dat ik met bovenstaande uiteenzetting duidelijk heb weergegeven wat er van ons verwacht mag worden en dat dit de basis vormt voor een nog jarenlange goede samenwerking.

(…)”

2.4.

De in de voormelde brief vermelde werkzaamheden zijn in de daaropvolgende jaren afgebouwd. Deze afbouw was zodanig dat de omzet van € 68.936 die [naam gedaagde] over 2011 aan de CAK Groep factureerde in 2018 is geslonken tot € 1.106.

2.5.

[naam gedaagde] is de aangiftes vennootschapsbelasting voor CAK blijven verzorgen. Dit deed [naam gedaagde] steeds nadat zij van de door de directie en algemene vergadering van aandeelhouders van CAK vastgestelde definitieve jaarrekening had ontvangen. De vaststelling daarvan vond plaats rond de maand mei van elk jaar.

2.6.

CAK heeft aan [naam gedaagde] een machtiging Serviceberichten Aanslag (SBA-machtiging) voor vennootschapsbelasting over de jaren 2017, 2018 en 2019 verstrekt, welke inhoudt dat de gemachtigde digitaal gegevens krijgt van de aanslagen, kennisgevingen en beschikkingen die de belastingdienst op papier naar de klant stuurt. Het verstrekken van de SBA-machtiging is aan CAK bevestigd bij e-mail van Servicecentrum Logius van 21 mei 2019 dat – voor zover hier relevant – vermeldt: “Het is geen indicatie voor het doen van belastingaangifte door uw intermediair.”

2.7.

Bij e-mail van 5 juni 2015 heeft de heer [naam 2] van CAK – voor zover hier van belang - aan de heer [naam 1] medegedeeld:

“(…)

Ter info:

Wij hebben gisteren een actualiteiten bezoek gehad van de belastingdienst. (…) Ze hebben daarbij de contactgegevens van zowel de controlerend accountant (PWC) als de contactpersoon van de accountant die ons adviseert inzake belastingen gevraagd. Aangezien er niet direct verdere vragen waren is dit vermoedelijk voor het updaten van de gegevens bij de belastingdienst.

Ik heb jouw naam, emailadres en het algemene telefoonnummer doorgegeven.

(…)”

Hierop heeft de heer [naam 1] per e-mail gereageerd met de mededeling:

“(…)

Dank voor de info.

Mocht de Belastingdienst zich eventueel melden dan laat ik je dat weten.

(…)”

2.8.

In 2016 heeft de heer [naam 3] van [naam gedaagde] zich in het kader van een boekenonderzoek door de belastingdienst zich bij de belastingdienst bekend gemaakt als belastingadviseur verantwoordelijk voor de aangiftes vennootschapsbelasting van CAK.

2.9.

Bij e-mail van 5 februari 2018 schreef (de controller van) CAK aan [naam gedaagde] , voor zover hier van belang:

“(…)

Zouden jullie weer voor CAK een voorlopige VPB 2017 berekening willen uitvoeren? En is het voor jullie haalbaar voor vrijdag 9-februari de voorlopige VPB berekening terug te kunnen koppelen? Ik weet dat het redelijk kort dag is, maar dan zouden wij de uitkomst nog kunnen verwerken voordat de jaarcontrole bij ons begint.

Ik heb de benodigde documenten in de bijlage meegestuurd.

(…)”

2.10.

Bij e-mail van 7 februari 2018 stuurde [naam gedaagde] de gevraagde voorlopige berekening van de vennootschapsbelasting over 2017. Volgens die berekening bedroeg het belastbare bedrag over 2017 € 15.737.510 en zou CAK over 2017 € 3.924.377 aan vennootschapsbelasting moeten afdragen.

2.11.

CAK had van de belastingdienst een voorlopige aanslag vennootschapsbelasting 2017 ontvangen op basis waarvan voorlopig € 2.592.810 was afgedragen. [naam gedaagde] was als gemachtigde van CAK hiermee bekend.

2.12.

De jaarrekening van CAK is op 17 april 2018 vastgesteld. [naam gedaagde] is in 2018 hierover niet geïnformeerd.

2.13.

Bij e-mail van 26 april 2018 schreef de heer [naam 3] van [naam gedaagde] aan de heer [naam 2] van CAK, voor zover hier van belang:

“ (…)

Per 1 mei ben ik uit dienst bij Hak en Baak en ga ik aan de slag bij een ander kantoor. Fiscale gegevens kan je in de toekomst doorgeven aan

(…)”

2.14.

Bij e-mail van 25 mei 2018 heeft [naam gedaagde] – voor zover hier van belang – aan CAK medegedeeld:

“(…)

Gezien de complexiteit van de wet en regelgeving betreffende verzekeraars wil ik je voorstellen de aangifte vennootschapsbelasting 2017 te laten verzorgen door een fiscaal specialist in pensioen en verzekeringen.

Wij werken samen met [naam bedrijf 2] en ik wil je voorstellen de aangifte 2017 daar onder te brengen, uiteraard is de keuze aan jullie.

Wij gaan de aangifte 2017 in ieder geval niet meer verzorgen om reden dat wij als kantoor niet de specialistische kennis hebben.

(…)”

2.15.

Bij e-mail van 16 oktober 2018 schreef de heer [naam 2] van CAK aan de [naam 5] van [naam gedaagde] :

“(…)

Naar aanleiding van jouw suggestie heb ik een goed gesprek gehad met [naam 4] met

betrekking tot de aangiften VPB.

[naam bedrijf 2] zal vanaf heden de aangiften VPB gaan oppakken en daarbij ook nog de

aangifte over 2017 verzorgen.

Zouden jullie in dit kader willen zorgdragen voor een overdracht van ons dossier naar [naam bedrijf 2] ?

(…)”

2.16.

Eind februari 2019 heeft [naam bedrijf 2] voor CAK een nieuwe voorlopige aanslag vennootschapsbelasting 2017 aangevraagd. Hierop heeft de belastingdienst CAK op 2 maart 2019 op basis van de vastgestelde jaarcijfers een voorlopige aanslag van € 1.352.979 opgelegd. Deze voorlopige aanslag is berekend als volgt:

Vastgestelde belastbare winst

15.750.000

Vastgestelde belastbaar bedrag

15.750.000

Bruto belasting

3.927.500

Bedrag van de aanslag

3.927.500

Verrekende voorlopige aanslag

af €

2.592.810

Verrekende dividend- en/of kansspelbelasting

af €

61.763

In rekening gebrachte belastingrente

bij €

80.052

Te betalen

1.352.979

2.17.

De belastingrente op vennootschapsbelasting bedraagt sinds 1 september 2016 8% per jaar en wordt berekend vanaf 1 juli na het belastingjaar tot aan (in beginsel) 6 weken na dagtekening van de herziening over het (op basis van een voorlopige aanslag) vooraf te weinig betaalde bedrag aan vennootschapsbelasting.

2.18.

Bij e-mail van 4 april 2019 schreef de [naam 5] van [naam gedaagde] aan de heer [naam 2] van CAK, voor zover hier van belang:

“(…)

Wij handhaven ons standpunt dat wij tijdig (25 mei 2018) vóór 1 juli 2018 hebben aangegeven, dat wij de aangifte 2017 niet voor CAK zouden doen en de overeenkomst jegens CAK op dat moment opgezegd hebben. Het stond ons als contractspartners over en weer vrij op elk gewenst moment de opdracht op te zeggen en te beëindigen.

(…)”

3. Het geschil

3.1.

CAK vordert – samengevat – :

I. [naam gedaagde] te veroordelen tot betaling van € 80.052,- te vermeerderen met de in artikel 6:119 BW bedoelde wettelijke rente daarover vanaf 14 dagen na 30 april 2019, althans de dag dat de dagvaarding aan [naam gedaagde] is betekend, althans een in goede justitie te bepalen datum tot aan de dag dat het volledige bedrag is betaald;

II. [naam gedaagde] te veroordelen tot betaling van € 1.575,- te vermeerderen met de in artikel 6:119 BW bedoelde wettelijke rente daarover vanaf 14 dagen na datum van de dagvaarding, althans datum vonnis, althans een in goede justitie te bepalen datum tot aan de dag dat het volledige bedrag is betaald;

III. [naam gedaagde] te veroordelen in de kosten van het geding met begroting van het nasalaris en het totale bedrag aan proceskosten te vermeerderen met de in artikel 6:119 BW bedoelde wettelijke rente daarover vanaf 14 dagen na het wijzen van het vonnis indien en voor zover deze niet binnen de termijn zijn voldaan.

3.2.

[naam gedaagde] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen, kosten rechtens, vermeerderd met wettelijke rente over de toe te wijzen kosten vanaf de veertiende dag na dagtekening van het eindvonnis, vermeerderd met nakosten.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1.

Ter beoordeling ligt voor de vraag of de zorgplicht die [naam gedaagde] als opdrachtnemer jegens CAK ex artikel 7:401 BW had, meebracht dat zij een nieuwe voorlopige aanslag vennootschapsbelasting 2017 voor CAK had moeten aanvragen, althans dat zij CAK had moeten waarschuwen/adviseren dat dit ter voorkoming van het verschuldigd worden van belastingrente nodig was en zo ja, of [naam gedaagde] aansprakelijk kan worden gehouden voor de aan CAK opgelegde belastingrente.

4.2.

CAK stelt dat aan [naam gedaagde] een doorlopende opdracht is verleend tot het doen van aangifte vennootschapsbelasting en dat [naam gedaagde] haar van fiscaal advies voorzag. Gelet daarop – maar ook indien [naam gedaagde] op basis van losse opdrachten voor haar zou hebben gewerkt zoals zij stelt – had [naam gedaagde] naar aanleiding van de resultaten van de door haar in februari 2018 berekende voorlopige vennootschapsbelasting 2017 een nieuwe voorlopige vennootschapsbelasting aanslag moeten aanvragen, dan wel CAK daarover moeten adviseren, welk advies CAK zou hebben gevolgd. Ook had [naam gedaagde] moeten zorgen voor adequate controle bij de overdracht van verantwoordelijkheden. Door wel uitstel te vragen voor indienen van de aangifte vennootschapsbelasting 2017, maar bij overdracht geen controle uit te voeren of de voorlopige aanslag nog wel adequaat was, is zij tekort geschoten jegens CAK. Zij had moeten begrijpen dat door uitstel en de overdracht het nog enige tijd zou duren voordat definitief aangifte gedaan zou worden, voordat de opvolgend belastingadviseur zicht zou hebben op het verschil tussen de voorlopige en de definitieve aanslag en CAK zodoende het risico zou lopen dat zij over die periode belastingrente verschuldigd zou worden. [naam gedaagde] had CAK daarop moeten wijzen. Door dit na te laten is [naam gedaagde] aansprakelijk jegens CAK voor de gevolgen daarvan, voor vergoeding van de door CAK verschuldigde belastingrente die kwalificeert als schade, aldus CAK.

4.3.

De opvatting van [naam gedaagde] is dat haar niets valt te verwijten. Zij voert daartoe allereerst aan dat zij voor CAK uitsluitend nog werkzaam was op basis van incidentele ad hoc opdrachten en dat de opdracht van 5 februari 2018 beperkt was tot het uitvoeren van een berekening, zodat CAK verder kon met de eigen verwerking daarvan. Gezien de rol van de huisaccountant van CAK en de eigen financiële deskundigheid en capaciteiten van CAK alsmede de veelheid van adviseurs die CAK in de regel bijstonden was er voor [naam gedaagde] ook geen aanleiding om ongevraagd en spontaan meer te doen dan op 5 februari 2018 expliciet aan haar werd gevraagd. Bovendien waren de definitieve gegevens uit de jaarrekening 2017 nog niet bekend, aldus [naam gedaagde] .

4.4.

[naam gedaagde] voert daarnaast aan dat het causaal verband tussen de aan CAK in rekening gebrachte belastingrente en een eventuele tekortschieten van [naam gedaagde] ontbreekt, omdat het niet aan haar valt toe te rekenen dat het tot februari 2019 heeft geduurd dat een andere adviseur de aangifte vennootschapsbelasting 2017 deed. Bovendien heeft CAK door pas in een laat stadium [naam bedrijf 2] in te schakelen en aangifte te laten doen niet voldaan aan haar schadebeperkingsplicht. [naam gedaagde] heeft voorts nog gesteld dat per saldo helemaal geen sprake is van schade omdat de in rekening gebrachte belastingrente wegvalt tegen het rentevoordeel dat CAK heeft genoten door de te late betaling van de verschuldigde belasting.

CAK heeft deze weren weersproken. Van eigen schuld kan geen sprake zijn aldus CAK, nu zij juist [naam gedaagde] had ingeschakeld voor advies en het [naam gedaagde] is geweest die de relatie plotseling heeft beëindigd. Van het gestelde rendement is volgens CAK geen sprake geweest, omdat de bedragen vanaf de berekening op een renteloze bankrekening hebben gestaan.

4.5.

Bij de beoordeling van de handelwijze van [naam gedaagde] wordt het navolgende tot uitgangspunt genomen.

Op grond van artikel 7:401 BW is de opdrachtnemer gehouden de zorg van een goed opdrachtnemer te betrachten. In de praktijk wordt dit vaak aldus ingevuld dat de opdrachtnemer dient te handelen in overeenstemming met de zorgvuldigheid die een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot in het concrete geval in acht zou nemen. Welke concrete zorgverplichtingen op een opdrachtnemer rusten, verschilt van geval tot geval, reden waarom de zorgplicht van de opdrachtnemer ook wel wordt aangemerkt als een bundel concrete zorgverplichtingen. De zorgplicht kan onder meer meebrengen dat de opdrachtnemer de opdrachtgever spontaan (‘ongevraagd’) dient te informeren over (en eventueel te waarschuwen voor) bepaalde mogelijkheden of risico’s. Of een dergelijke ‘spontane’ verplichting aan de orde is, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. De verplichting kan het expliciete doel van de opdracht betreffen, maar ook zien op het verzekeren van de belangen van de opdrachtgever in bredere zin. Een spontane informatie- of waarschuwingsverplichting kan, onder meer, inhouden dat de opdrachtnemer moet wijzen op eventuele risico’s die zich kunnen voordoen, of op andere mogelijkheden dan waarnaar door de opdrachtgever is gevraagd. In het geval van een eventueel risico zijn onder meer de ernst en omvang van het desbetreffende risico en de mate van waarschijnlijkheid dat dit zich zal realiseren relevante omstandigheden. De informatieverplichting strekt er mede toe de opdrachtgever in staat te stellen goed geïnformeerd te beslissen (‘informed consent’).

De informatieverplichting van de opdrachtnemer is uiteraard niet onbeperkt. De opdrachtnemer hoeft niet op alle (theoretisch) mogelijke risico’s en alternatieven te wijzen. Over mogelijkheden die in het gegeven geval redelijkerwijs niet of onvoldoende relevant zijn, behoeft de opdrachtgever de opdrachtnemer bijvoorbeeld niet te informeren. Daarnaast vindt de zorgplicht een begrenzing in de eigen verantwoordelijkheid van de opdrachtgever: denkbaar is dat de opdrachtnemer erop mag vertrouwen dat de opdrachtgever bepaalde risico’s en/of mogelijkheden zelf reeds heeft onderkend, bijvoorbeeld omdat deze voor de hand liggen.

4.6.

Gelet op de over en weer ingenomen standpunten acht de rechtbank het gewenst alsnog een mondelinge behandeling te gelasten allereerst om zo meer duidelijkheid te krijgen over de in dit geval voor de omvang van de zorgplicht relevant te achten omstandigheden. In dat verband wenst de rechtbank in ieder geval nog nader geïnformeerd te worden over:

  1. de opdrachtrelatie tussen partijen, waaronder de rol van de huisaccountant;

  2. de gegevens die in februari 2018 bekend waren;

Gelet op de voorts nog door partijen gevoerde discussie omtrent het causaal verband tussen de geheven belastingrente en de handelwijze van [naam gedaagde] , en de omvang van de daadwerkelijk door CAK geleden schade wenst de rechtbank daarnaast – zoveel als mogelijk met bescheiden geadstrueerd – nader te worden geïnformeerd over:

3. de daadwerkelijk geleden schade, en daarbij in het bijzonder het door [naam gedaagde] gestelde door CAK genoten en te verrekenen (rente)voordeel;

4. de beslissing van de belastingdienst over het, naar CAK stelt, ingediende bezwaar tegen de belastingrente.

4.7.

Voornoemde stukken alsmede alle overige stukken waarop een partij zich nog wenst te beroepen dienen tijdig – uiterlijk veertien dagen vóór de zitting – aan de wederpartij en aan de rechtbank te worden toegezonden.

4.8.

Als er na de zitting verder wordt geprocedeerd, is het uitgangspunt dat vonnis wordt bepaald; er zal derhalve in beginsel geen gelegenheid worden geboden voor het nemen van nadere conclusies. De rechtbank gaat ervan uit dat partijen alle eventueel relevante bewijsstukken waarover zij beschikken, voor de zitting in het geding hebben gebracht.

4.9.

Ter zitting zal de gelegenheid worden geboden om de feitelijke en juridische standpunten toe te lichten aan de hand van tevoren opgestelde korte spreekaantekeningen.

De rechtbank verzoekt partijen in de spreekaantekeningen geen stellingen te herhalen en de omvang beperkt te houden (maximaal 4 pagina’s A4).

4.10.

De zitting zal tevens worden benut om te onderzoeken of een minnelijke, zakelijke, regeling tussen partijen tot de mogelijkheden behoort.

4.11.

De rechtbank wijst erop dat zij uit een niet verschijnen van een partij op de mondelinge behandeling de gevolgtrekkingen - ook in het nadeel van die partij - kan maken die zij geraden zal achten.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1.

beveelt een mondelinge behandeling om inlichtingen van partijen te verkrijgen (zie r.o. 4.6) en om te onderzoeken of een zakelijke regeling van het geschil tot de mogelijkheden behoort op de terechtzitting van mr. G.J. Heevel in het gerechtsgebouw aan het adres Steegoversloot 36, 3311 PP Dordrecht op een door de rechtbank vast te stellen datum en tijd,

5.2.

bepaalt dat partijen binnen veertien dagen na het wijzen van dit vonnis door middel van een B5-formulier opgave dienen te doen van de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten op in de maanden oktober 2020 tot en met januari 2021, waarna dag en uur van de mondelinge behandeling zullen worden bepaald,

5.3.

bepaalt dat bij gebreke van de gevraagde opgave(n) de rechtbank het tijdstip van de mondelinge behandeling zelfstandig zal bepalen,

5.4.

bepaalt dat na de vaststelling van het tijdstip van de mondelinge behandeling dit in beginsel niet zal worden gewijzigd,

5.5.

wijst partijen er op, dat voor de zitting twee uur zal worden uitgetrokken,

5.6.

bepaalt dat alle stukken waar een partij zich ter zitting op wenst te beroepen – voor zover zij niet reeds tot de processtukken behoren – uiterlijk veertien dagen vóór de zitting dienen te worden toegezonden aan de wederpartij en aan de rechtbank:

Administratie handel en haven, afdeling planningsadministratie, kamer E13.31,

Postbus 50954, 3007 BR Rotterdam.

Voorts verzoekt de rechtbank partijen een extra exemplaar te verzenden naar het e-mailadres: handel.planning.rb.rotterdam@rechtspraak.nl

5.7.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.J. Heevel en ondertekend en in het openbaar uitgesproken door mr. J.F. Koekebakker, rolrechter, op 23 september 2020.

2515/1515