Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:8440

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
23-09-2020
Datum publicatie
29-09-2020
Zaaknummer
C/10/590182 / HA ZA 20-91
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 7:904 BW (welk artikel deel uitmaakt van Titel 15 Vaststellingsovereenkomst). Vordering tot vernietiging van bindend advies afgewezen. De gebondenheid van eiser aan het bindend advies is in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/590182 / HA ZA 20-91

Vonnis van 23 september 2020

in de zaak van

[naam eiser] ,

wonende te [woonplaats eiser] ,

eiser,

advocaat mr. J.J. van Kuijk te Den Haag,

tegen

de onderlinge waarborgmaatschappij

DSW ZORGVERZEKERAAR U.A.,

gevestigd te Schiedam,

gedaagde,

advocaat mr. J. van der Meer te Schiedam.

Partijen zullen hierna [naam eiser] en DSW genoemd worden.

1. De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 10 januari 2020, met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord, met producties;

  • -

    de conclusie van repliek;

  • -

    de conclusie van dupliek.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1.

In januari 2015 was [naam eiser] op vakantie in Turkije. Tijdens deze vakantie is hij aan zijn neus geopereerd.

2.2.

Per brief van 5 februari 2015 heeft [naam eiser] de kosten van de operatie en de kosten die waren gemoeid met de verlenging van zijn verblijf in Turkije bij zijn zorgverzekeraar DSW gedeclareerd. Als toelichting heeft [naam eiser] in deze brief vermeld dat tijdens een partijtje voetbal met zijn jeugdvrienden de voet van een van de spelers op zijn neus terecht is gekomen, dat zijn neus daarbij is beschadigd en dat hij van de arts in Turkije te horen kreeg dat hij acuut geopereerd diende te worden.

2.3.

Bij brief van 5 juni 2015 heeft DSW aan [naam eiser] geschreven het vermoeden te hebben dat de door hem opgegeven aanleiding voor de operatie niet klopte en waarom zij dat dacht. DSW heeft [naam eiser] vervolgens in de gelegenheid gesteld om in het kader van hoor en wederhoor zijn zienswijze te geven met betrekking tot het vermoeden van DSW.

2.4.

Na de reactie van [naam eiser] op voormelde brief, heeft DSW per brief van 18 november 2015 aan [naam eiser] onder meer het volgende medegedeeld:

“Wij hebben u op 5 juni 2015 per brief gemotiveerd bericht dat wij het vermoeden

hebben dat de aanleiding van de operatie niet een slag op uw neus is geweest, maar dat

het een neuscorrectie betrof oftewel: planbare zorg. Uit het medisch verslag blijkt

namelijk dat uw klacht met betrekking tot de operatie een neusverstopping is geweest.

Daarnaast blijkt uit het medisch verslag dat u geen pijnklachten heeft gehad.

In reactie hierop hebben wij van u een schrijven d.d. 9 juni 2015 ontvangen waarin u

aangeeft dat u een bokser bent en dat u jarenlang met een gebroken en beschadigde

neus heeft rondgelopen. Een operatie was voor u geen optie aangezien dit het einde van

uw bokscarrière zou zijn. U benadrukt dat indien dit een doelbewuste vooraf geplande

neuscorrectie zou zijn u dit het liefst in Nederland zou laten doen.

Vervolgens ontvingen wij op 29 september 2015 van Huko Assurantie per mail een

bevestiging van ons vermoeden dat er sprake is geweest van planbare zorg. Huko

Assurantie geeft aan dat zij namens u o.a. een verslag van het KNO onderzoek van

Medisch Centrum Haaglanden aan ons doet toekomen. Daarnaast geeft Huko Assurantie

aan dat u de operatie toch in Turkije heeft laten doen in plaats van Nederland. Uw

voormalige zorgverzekeraar Agis zou ook toestemming hebben verleend voor de operatie

in Medisch Centrum Haaglanden.”

In aanvulling hierop heeft DSW in genoemde brief meegedeeld dat zij heeft vastgesteld dat de declaratie van [naam eiser] niet waarheidsgetrouw is en dat [naam eiser] haar opzettelijk heeft getracht te misleiden. In dezelfde brief heeft DSW aan [naam eiser] meegedeeld dat zijn declaratie niet voor vergoeding in aanmerking komt, dat de onderzoekskosten van € 250,00 aan hem worden doorberekend, dat zijn (persoons)gegevens zijn opgenomen in het Incidentenregister en in het Extern Verwijzingsregister en dat DSW de verzekeringsovereenkomst met [naam eiser] beëindigt.

2.5.

Het verslag van het KNO onderzoek van Medisch Centrum Haaglanden waarnaar in de brief van 18 november 2015 wordt verwezen, betreft een verslag van 27 april 2011 met onder meer de volgende inhoud:

“Op 18-04-2011 zag ik ter controle bovengenoemde patiënt in verband met zijn neuspassage

klachten. Patiënt heeft vroeger veel gebokst en zou er nu mee zijn gestopt.

Bij KNO-onderzoek wordt een forse septumdeviatie gezien van zowel het kraakbeen als het

benig septum naar links. Objectief is de neuspassage verminderd. Tevens is er sprake van een

drooping neustip.

Patiënt vindt zijn neus ook iets te groot en heeft verzocht om een uitwendige neuscorrectie in de

zin van reductie van de neusvolume.

De voor- en nadelen heb ik uitvoerig met patiënt besproken alsook de risico's van de ingreep.

Inmiddels is toestemming verkregen van de zorgverzekeraar.

Na uitvoerig overleg zal bij patiënt een neus septumcorrectie plaatsvinden, een neustip rotatie

en een kleine reductie van de neushump. Het een en ander zal onder algehele narcose

plaatsvinden. Patiënt staat op de opnamelijst.”

2.6.

De e-mail van 29 september 2015 van de assurantietussenpersoon aan DSW, waarnaar in de brief van 18 november 2015 wordt verwezen, luidt – voor zover van belang – als volgt:

“Tevens sturen wij u een verslag KNO onderzoek van MCH te Den Haag.

De cliënt heeft de operatie toch in Turkije laten doen i.p.v. MCH te Den Haag.

De toenmalige zorgverzekeraar AGis heeft toen ook al toestemming verleend voor

de operatie, bevestiging MCH.”

2.7.

Op 24 november 2015 is DSW namens [naam eiser] verzocht haar beslissing te heroverwegen.

2.8.

Per brief van 19 februari 2016 heeft DSW aan [naam eiser] meegedeeld dat zij haar beslissing handhaaft. [naam eiser] is gewezen op de mogelijkheid om het geschil voor te leggen aan de Geschillencommissie Zorgverzekeringen van de Stichting Klachten en Geschillen Zorgverzekeringen (hierna: de SKGZ).

2.9.

Per brief van 31 maart 2016 heeft [naam eiser] het geschil tussen hem en DSW aan de SKGZ voorgelegd.

2.10.

In haar bindend advies van 14 september 2016 heeft de SKGZ het verzoek van [naam eiser] afgewezen. Daartoe heeft de SKGZ – voor zover van belang – als volgt overwogen:

“3.6 Bij brief van 31 maart 2016 heeft verzoeker de Geschillencommissie Zorgverzekeringen (hierna: de commissie) een brief geschreven. De commissie begrijpt hieruit dat verzoeker van oordeel

is dat geen sprake is van fraude. Aldus beschouwd komt zijn verzoek hierop neer dat hij de

commissie verzoekt te bepalen dat de ziektekostenverzekeraar gehouden is de gedeclareerde

kosten te vergoeden, zijn gegevens te verwijderen uit het Interne Incidentenregister, de melding

van voornoemde registratie ongedaan te maken, zijn gegevens te verwijderen uit het Extern

Verwijzingsregister Financiële Instellingen, de beëindiging van de zorgverzekering en de

aanvullende ziektekostenverzekering met terugwerkende kracht ongedaan te maken, en af te zien

van het vorderen van de gemaakte onderzoekskosten (hierna: het verzoek).

(…)

9. Beoordeling van het geschil

9.1.

Op grond van artikel 7:941 lid 5 BW vervalt het recht op uitkering indien de verzekeringnemer of de tot uitkering gerechtigde een verplichting als bedoeld in de leden 1 en 2 van genoemd artikel niet is nagekomen met het opzet de verzekeraar te misleiden, behoudens voor zover deze misleiding het verval van het recht op uitkering niet rechtvaardigt. Lid 5 is ingevolge artikel 7:943 lid 2 BW van dwingend recht, en hier kan derhalve niet ten nadele van de verzekeringnemer of de tot uitkering gerechtigde worden afgeweken.

(…)

9.3.

In de begripsomschrijvingen, zoals opgenomen in artikel 1 van de zorgverzekering, is met betrekking tot fraude het volgende vermeld: “Het opzettelijk plegen of proberen te plegen van: valsheid in geschrifte, bedrog, benadeling van rechthebbenden en/of verduistering, door bij de totstandkoming en/of bij de uitvoering van een zorgverzekeringsovereenkomst betrokken personen en organisaties en gericht op het verkrijgen van een uitkering of prestatie waarop geen recht bestaat of een verzekeringsdekking te verkrijgen onder valse voorwendselen.” Artikel 7 van de aanvullende ziektekostenverzekering bepaalt dat op grond van de aanvullende ziektekostenverzekering sprake is van fraude indien de verzekeringnemer een verkeerde voorstelling van zaken geeft, valse of misleidende stukken overlegt of een onware opgave doet met betrekking tot de ingediende declaratie of anderszins heeft gehandeld met het opzet de ziektekostenverzekeraar te benadelen. Het hier gestelde kan naar het oordeel van de commissie worden vereenzelvigd met het in artikel 7:941 lid 5 BW geformuleerde “opzet de verzekeraar te misleiden”.

9.4.

Het is aan de ziektekostenverzekeraar concrete feiten en omstandigheden te stellen – en bij betwisting door de wederpartij – te bewijzen waaruit het bestaan van bedoelde opzet blijkt, zoals bijvoorbeeld de omstandigheid dat verzoeker (listige) kunstgrepen heeft gehanteerd teneinde de ziektekostenverzekeraar op het verkeerde been te zetten. In dat verband zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.

9.5.

De commissie constateert dat de stelling van verzoeker tweeledig is: (i) hij heeft op 19 januari 2015 in Turkije tijdens het voetballen een schop tegen zijn neus gekregen waardoor hij direct moest worden geopereerd, en (ii) hij had voor de noodzakelijke ingreep van zijn toenmalige verzekeraar reeds een machtiging ontvangen. Ten aanzien van het gestelde onder (i) overweegt de commissie als volgt.

9.6.

Verzoeker verbleef van 18 tot en met 26 januari 2015 in Turkije. Aldaar is hij op 20 januari 2015 geopereerd. Na terugkomst in Nederland heeft hij de nota van deze operatie ter declaratie ingediend bij de ziektekostenverzekeraar. Op de betreffende nota, gedateerd op 21 januari 2015, staat de volgende verrichting vermeld: “Muayene, Tetkik ve Tedavi Fark Ücreti”. Hiervoor is TRY 2.696,54 in rekening gebracht. Op het declaratieformulier heeft verzoeker vermeld dat de kosten van de operatie € 1.300,-- bedragen. Daarnaast zijn nog twee (slecht leesbare) nota's van het ziekenhuis ter declaratie ingediend. Op het declaratieformulier heeft verzoeker vermeld dat de totale, door hem geclaimde kosten € 1.950,-- bedragen. Hij heeft hierbij vermeld dat dit bedrag inclusief “medicijnen, taxi, hotels, annuleringen, nieuwe vluchten en operatie” is.

9.7.

De behandelend arts heeft in het operatieverslag geen melding gemaakt van een recent trauma, wel van een voorgeschiedenis met trauma's. Daarnaast schrijft de arts dat geen sprake is van pijnklachten. In het operatieverslag wordt verklaard dat een “open rhinoplasty with septal reconstruction” is uitgevoerd. De definitieve diagnose is een “nasal septum deviation”.

9.8.

Verzoeker heeft verklaard dat de ingreep het gevolg was van een schop tegen zijn neus tijdens het voetballen. Uit de overgelegde stukken blijkt evenwel dat verzoeker reeds enkele jaren last had van passageklachten. De commissie verwijst in dit verband naar de verklaring van de KNO-arts van 27 april 2011. Uit het overgelegde operatieverslag blijkt voorts niet dat in januari 2015 sprake was van een recent trauma en/of pijnklachten. Verzoeker heeft hiertegen aangevoerd dat de door het Turkse ziekenhuis verstrekte informatie niet juist is, in die zin dat hij weliswaar veel pijn had, maar dat dit bij hem minder opviel omdat hij een hoge pijngrens heeft. Dit argument kan evenwel niet overtuigen.

9.9.

Dat sprake was van een geplande behandeling blijkt verder uit het e-mailbericht van 29 september 2015 van de tussenpersoon van verzoeker, waarin staat: “De cliënt heeft de operatie toch in Turkije laten doen i.p.v. MCH te Den Haag.”

9.10.

De vraag is vervolgens of deze misleiding het verval van het recht op uitkering en de overige sancties rechtvaardigt. De stelling van verzoeker dat de ingreep aan zijn neus het gevolg was van een op 19 januari 2015 opgelopen trauma kan, gelet op het voorgaande, geen stand houden. Hieruit volgt dat de ziektekostenverzekeraar gerechtigd was de in artikel 7:941 lid 5 BW opgenomen sanctie, te weten verval van het recht op uitkering toe te passen. Hetzelfde geldt voor drie andere sancties, te weten opname van de gebeurtenis in het Interne Incidentenregister, en de melding hiervan bij het Centrum Bestrijding Verzekeringsfraude, en de opname van de persoonsgegevens van verzoeker in het Extern Verwijzingsregister Financiële Instellingen.

9.11.

Daarnaast heeft de ziektekostenverzekeraar besloten tot beëindiging van de onderhavige zorgverzekering en de aanvullende ziektekostenverzekering. In de artikelen 12 lid 4 van de zorgverzekering en 7 van de aanvullende ziektekostenverzekering is geregeld dat fraude tot gevolg kan hebben dat de verzekeringsovereenkomst wordt beëindigd. De ziektekostenverzekeraar was, gelet op voornoemde bepalingen en het bepaalde in artikel 7:940 lid 3 BW, gerechtigd tot beëindiging van de zorgverzekering en de aanvullende ziektekostenverzekering van verzoeker te besluiten. Verder heeft de ziektekostenverzekeraar de door hem gemaakte onderzoekskosten van € 250,-- op verzoeker verhaald. Gezien hetgeen hiervoor is overwogen, mocht de ziektekostenverzekeraar hiertoe overgaan.

9.12.

Ten aanzien van de tweede stelling van verzoeker, te weten dat door zijn vorige verzekeraar een machtiging werd afgegeven voor een operatie aan de neus, geldt dat dit gegeven niet kan leiden tot een andere uitkomst. Nog afgezien van de vraag of deze machtiging ten tijde van de behandeling in Turkije nog geldig was, moet worden vastgesteld dat ook een eventueel nog geldige machtiging niet kan wegnemen dat sprake is geweest van de opzet de ziektekostenverzekeraar te misleiden.”

3. Het geschil

3.1.

[naam eiser] vordert dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

1. bepaalt dat het vonnis in de bindend adviesprocedure bij de geschillencommissie SKGZ van 14 september 2016 vernietigd wordt;

2. verklaart voor recht dat DSW aansprakelijk is voor de door [naam eiser] geleden en nog te lijden schade als gevolg van onrechtmatig handelen;

3. DSW veroordeelt om aan [naam eiser] te betalen een bedrag van € 5.353,26 in verband met het onrechtmatig handelen door DSW, dan wel een nader door de rechtbank te bepalen bedrag;

4. DSW veroordeelt tot (terug)betaling van de onverschuldigd betaalde onderzoekskosten ad € 250,00;

5. DSW veroordeelt tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten ad € 645,41;

6. DSW veroordeelt tot betaling van de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW;

7. DSW veroordeelt in de kosten van de procedure.

3.2.

[naam eiser] legt – zeer kort samengevat – het volgende aan zijn vordering ten grondslag. Het is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar om hem aan de beslissing van de SKGZ gebonden te achten. Het bindend advies van de SKGZ is op essentiële punten onduidelijk en onvoldoende gemotiveerd. Bovendien kunnen de overwegingen van de SKGZ niet tot de conclusie leiden dat [naam eiser] heeft gefraudeerd met declaraties. Door [naam eiser] ten onrechte van opzettelijk frauduleus handelen te beschuldigen heeft DSW onrechtmatig jegens [naam eiser] gehandeld. Als gevolg hiervan heeft [naam eiser] schade geleden. DSW is gehouden deze schade aan [naam eiser] te vergoeden.

3.3.

DSW voert verweer, dat strekt tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van [naam eiser] bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad in de kosten van de procedure, vermeerderd met rente vanaf veertien dagen na de datum van dit vonnis.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover voor de beoordeling van het geschil van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1.

Partijen zijn het erover eens dat de beslissing van de SKGZ moet worden aangemerkt als een beslissing zoals bedoeld in artikel 7:904 lid 1 BW. Uit dit artikel volgt dat gebondenheid aan het bindend advies in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar kan zijn in verband met de inhoud of de wijze van totstandkoming daarvan. Als hiervan sprake is, is de beslissing vernietigbaar. Gebondenheid aan het advies vormt derhalve de regel, vernietiging op grond van strijd met de redelijkheid en billijkheid de uitzondering. Uitsluitend ernstige gebreken geven aanleiding tot een sanctie: de beslissing is onaantastbaar als de grenzen waarbinnen redelijk denkende mensen van mening kunnen verschillen, niet zijn overschreden.

4.2.

De rechtbank heeft bij de toetsing van het bindend advies niet de rol van appelinstantie. Zij beoordeelt slechts of de SKGZ in redelijkheid tot haar beslissing heeft kunnen komen. De rechtbank zal de beslissing van de SKGZ daarom marginaal toetsen.

4.3.

De bezwaren van [naam eiser] tegen het bindend advies van de SKGZ richten zich tegen de inhoud daarvan. De rechtbank stelt derhalve vast dat de wijze van totstandkoming van het bindend advies geen grond vormt voor vernietiging daarvan.

4.4.

In de eerste plaats voert [naam eiser] aan dat de SKGZ in haar bindend advies een drietal definities van fraude opsomt. Zonder nadere toelichting is voor [naam eiser] niet duidelijk wat de SKGZ hiermee beoogt. De SKGZ heeft bovendien nagelaten om toe te lichten hoe de verschillende definities van fraude zich tot elkaar verhouden. Voor [naam eiser] is dan ook niet duidelijk in hoeverre de verschillende definities van invloed zijn geweest op de besluitvorming van de SKGZ. [naam eiser] meent dat bij de beoordeling of sprake is van fraude enkel het bepaalde in artikel 7:941 lid 1 en 2 BW tot uitgangspunt dient te worden genomen. Door fraudegevallen ook aan andere, niet dwingendrechtelijke, bepalingen te toetsen, heeft de SKGZ een onjuiste maatstaf gehanteerd.

4.5.

De rechtbank volgt [naam eiser] niet in zijn bezwaar. [naam eiser] heeft een aantal beslissingen van DSW ter beoordeling aan de SKGZ voorgelegd. De SKGZ heeft de beslissing van DSW om de declaratie van [naam eiser] niet te vergoeden, getoetst aan artikel 7:941 lid 5 BW zo blijkt uit overwegingen 9.1 en 9.10 van haar beslissing. Voor de toetsing van de overige beslissingen van DSW, zoals de beëindiging van de verzekering, het in rekening brengen van onderzoekskosten en de opname in diverse registers, volgt het toetsingskader uit bepalingen die zijn opgenomen in de voorwaarden van de zorgverzekering en de aanvullende ziektekostenverzekering, zoals geciteerd onder het kopje “Toepasselijke verzekeringsvoorwaarden en regelgeving” in het bindend advies. In de wet, de zorgverzekering en de aanvullende ziektekostenverzekering worden verschillende definities van fraude gebruikt. Ten aanzien van deze verschillende definities van fraude overweegt de SKGZ vervolgens in overweging 9.3 dat “het hier gestelde naar het oordeel van de commissie kan worden vereenzelvigd met het in artikel 7:941 lid 5 BW geformuleerde “opzet de verzekeraar te misleiden”. Daarmee heeft de SKGZ naar het oordeel van de rechtbank voldoende en op goede gronden duidelijk gemaakt dat de verschillende definities in haar visie in wezen neerkomen op het toetsingscriterium als genoemd in artikel 7:941 lid 5 BW en dat zij de verschillende beslissingen van DSW daaraan heeft getoetst.

4.6.

[naam eiser] voert verder nog het volgende als bezwaar tegen het bindend advies aan. Uit het enkele feit dat er in het operatieverslag van het Turkse ziekenhuis waar hij is geopereerd niets is opgenomen over een recent trauma en/of pijnklachten, kan niet worden afgeleid dat er een andere aanleiding dan de schop tegen zijn neus zou zijn geweest voor de operatie. Bovendien acht [naam eiser] de SKGZ niet in staat om het operatieverslag op haar merites te beoordelen omdat geen van haar leden een medische achtergrond heeft. Desondanks heeft de SKGZ met haar (vergaande) interpretatie van het operatieverslag een medisch oordeel gegeven over de aanleiding van de operatie. Nu niet is gebleken dat de SKGZ een derde heeft geraadpleegd die wel kennis van zaken heeft, kan het oordeel van de SKGZ dat uit het operatieverslag volgt dat sprake was van geplande zorg niet in stand blijven. Op basis van de mededeling van de assurantietussenpersoon in zijn e-mail van 29 september 2015 dat [naam eiser] de operatie toch in Turkije heeft laten doen in plaats van in het MCH in Den Haag, heeft de SKGZ evenmin kunnen concluderen dat sprake was van geplande zorg. Uit de e-mail blijkt niet wat de aanleiding voor de operatie is geweest. De SKGZ heeft ook op grond van het feit dat bij [naam eiser] reeds sprake was van passageklachten en het feit dat hij de wens had om op enig moment een neuscorrectie te ondergaan, niet in redelijkheid tot haar beslissing kunnen komen dat er sprake was van opzet om DSW te misleiden. Tot slot heeft [naam eiser] aangevoerd dat DSW uiterst summier onderzoek heeft gedaan. Van DSW had verwacht mogen worden dat zij contact had opgenomen met het Turkse ziekenhuis waar de operatie is uitgevoerd. De SKGZ had deze omissie moeten betrekken in haar oordeel.

4.7.

Ook deze bezwaren van [naam eiser] kunnen naar het oordeel van de rechtbank niet tot vernietiging van het bindend advies van de SKGZ leiden. Daartoe wordt als volgt overwogen.

De SKGZ heeft de stelling van [naam eiser] dat de operatie het gevolg was van een schop tegen zijn neus beoordeeld aan de hand van de haar bekende feiten en omstandigheden. Voor deze feiten en omstandigheden verwijst de SKGZ in de eerste plaats naar het operatieverslag. De SKGZ heeft daaruit opgemaakt dat geen sprake was van pijnklachten, dat er geen sprake was van een recent trauma (maar een verleden van trauma’s) en dat de te behandelen klacht een verstopte neus (nasal congestion) betrof. De rechtbank is, anders dan [naam eiser] , van oordeel dat er geen specifieke (medische) kennis is vereist om dit uit het operatieverslag op te kunnen maken. [naam eiser] wordt dan ook niet gevolgd in zijn stelling dat de SKGZ een medisch oordeel heeft gegeven over de aanleiding van de operatie.

Naast het operatieverslag heeft de SKGZ acht geslagen op de e-mail van de assurantietussenpersoon van 29 september 2015 en de brief van de KNO-arts van 27 april 2011. Hieruit kan worden afgeleid dat [naam eiser] reeds enkele jaren last had van passageklachten en om die reden al eerder een neusoperatie zou ondergaan in een ziekenhuis in Den Haag en dat deze operatie uiteindelijk niet in Den Haag maar in Turkije zou hebben plaatsgevonden.

4.8.

Bovenstaande feiten en omstandigheden kunnen afzonderlijk, maar zeker in onderling verband beschouwd, de conclusie van de SKGZ dragen dat de door [naam eiser] gestelde aanleiding van de operatie niet juist is. [naam eiser] heeft hier als inhoudelijk argument tegen aangevoerd dat de vermelding in het operatieverslag dat hij geen pijn had onjuist is omdat het vanwege zijn hoge pijngrens bij hem minder opvalt wanneer hij pijn heeft. Dat dit niet onderbouwde argument voor de SKGZ, tegen de achtergrond van de door DSW aangevoerde argumenten, onvoldoende was om te oordelen dat DSW niet tot de conclusie had kunnen komen dat sprake was van opzet tot misleiding, komt de rechtbank niet onbegrijpelijk voor.

4.9.

De stelling van [naam eiser] dat de SKGZ niet in haar oordeel heeft meegewogen dat DSW geen contact heeft opgenomen met het Turkse ziekenhuis, kan [naam eiser] evenmin baten. DSW beschikte over het operatieverslag en andere ondersteunende documenten op basis waarvan zij gemotiveerd concludeerde dat sprake was van geplande zorg. Het lag vervolgens op de weg van [naam eiser] om voldoende gemotiveerd feiten en omstandigheden aan te voeren ter onderbouwing van de door hem gestelde aanleiding van de operatie. Zo had [naam eiser] bijvoorbeeld informatie bij het Turkse ziekenhuis op kunnen vragen waaruit volgde dat geen sprake was van een geplande operatie maar van een acute operatie. Daarnaast had [naam eiser] bijvoorbeeld verklaringen van zijn vrienden waarmee hij op 19 januari 2015 aan het voetballen was in het geding kunnen brengen. Dit heeft [naam eiser] nagelaten. Onder deze omstandigheden heeft de SKGZ naar het oordeel van de rechtbank terecht niet bij haar oordeel meegewogen dat DSW in het kader van haar onderzoek geen contact heeft opgenomen met het Turkse ziekenhuis. In ieder geval is er geen sprake van een ernstig gebrek die de beslissing van de SKGZ aantastbaar maakt.

4.10.

Gelet op al het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de gebondenheid van [naam eiser] aan het bindend advies van de SKGZ in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar is. Zijn vordering tot vernietiging van het vonnis (de rechtbank leest: bindend advies) van de SKGZ zal worden afgewezen. Dat brengt met zich dat de overige vorderingen van [naam eiser] eveneens worden afgewezen.

4.11.

[naam eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van DSW worden begroot op:

- griffierecht € 2.042,00

- salaris advocaat € 1.086,00 (2,0 punten × tarief € 543,00)

Totaal € 3.128,00

4.12.

De gevorderde veroordeling in de nakosten is in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot. De nakosten zullen dan ook worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [naam eiser] in de proceskosten, aan de zijde van DSW tot op heden begroot op € 3.128,00,

5.3.

veroordeelt [naam eiser] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 157,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [naam eiser] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,

5.4.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.F. Koekebakker, rechter, in tegenwoordigheid van mr. P. Blijleven, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 23 september 2020.

3078/1582