Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:8428

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
15-09-2020
Datum publicatie
25-09-2020
Zaaknummer
10/711029-20 vordering TUL VV: 10/065082-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

“Veroordeling tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden met aftrek van voorarrest ter zake bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, mishandeling en medeplegen van opzetheling. Gedeeltelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij. Toewijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 3

Parketnummer: 10/711029-20

Parketnummer vordering TUL VV: 10/065082-19

Datum uitspraak: 15 september 2020

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres verdachte] , [woonplaats verdachte] ,

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Dordrecht,

raadsman mr. G.A.J. Purperhart, advocaat te Rotterdam.

1. Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 1 september 2020.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3. Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. L. Verhoeven heeft gevorderd:

  • -

    vrijspraak van het onder 1 primair ten laste gelegde;

  • -

    bewezenverklaring van het onder 1 subsidiair, 2 en 3 ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden met aftrek van voorarrest;

  • -

    tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk opgelegde strafdeel in de zaak met parketnummer 10/065082-19.

4. Waardering van het bewijs

4.1.

Vrijspraak zonder nadere motivering

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het onder 1 primair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend is bewezen, zodat de verdachte daarvan zonder nadere motivering zal worden vrijgesproken.

4.2.

Bewijswaardering

4.2.1.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte integraal dient te worden vrijgesproken van de ten laste gelegde feiten, nu in het dossier geen objectief bewijsmiddel is te vinden waaruit blijkt dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de aan hem ten laste gelegde feiten. Verdachte heeft op de zitting verklaard in de nacht voorafgaand aan het incident weliswaar in de omgeving van Ridderkerk te zijn geweest, maar daar slechts samen met een vriendin te hebben rondgereden.

4.2.2.

Beoordeling

Feiten 1 en 2

Op 15 april 2020 te 06.37 uur komt er een melding binnen bij de meldkamer van de politie Rotterdam dat de man van meldster, aangever [naam aangever 1] (hierna: aangever), naar zijn werk wilde gaan en dat er op dat moment een man aan kwam lopen die op aangever wilde schieten en dat deze man aangever een klap op zijn hoofd heeft gegeven. De man zou na het incident in een zwarte auto voorzien van het kenteken [kentekennummer 1] zijn gestapt. De man was donker getint, rond de 20 á 21 jaar en droeg een zwart trainingspak van het merk Nike. Naar aanleiding van deze melding zijn verbalisanten ter plaatse gegaan en troffen daar aangever aan. Verbalisanten zagen dat aangever een zakdoek op zijn hoofd hield en dat er veel bloed op de zakdoek zat.

Aangever heeft verklaard dat hij rond 06.20 uur zijn woning aan de [adres 1] (hierna: de woning) verliet en vervolgens naar zijn auto liep. Op het moment dat aangever zijn auto opende, zag hij een man aan komen lopen. Toen de man “meneer” zei tegen aangever, pakte de man een wapen uit zijn jack en richtte dit op aangever. Aangever zag en hoorde dat de man een paar keer de trekker overhaalde. Aangever dook vervolgens weg achter zijn auto. Op het moment dat de man met het wapen aan het rommelen was, is aangever naar de man toe gelopen, gaf hem een vuistslag, pakte hem vast en duwde de man tegen zijn auto aan. Aangever kon de man vasthouden, totdat de man aangever op zijn hoofd sloeg met het wapen. Toen de man wilde schieten, kwam er een zwarte auto aangereden welke net voorbij de woning van aangever stopte. Op het moment dat aangever de man losliet, rende hij naar de zwarte auto en stapte in, waarna de zwarte auto weg reed. De wond op het hoofd van aangever moest in het ziekenhuis worden gehecht.

Na uitgebreid onderzoek door de politie zijn de verdachte en de medeverdachte [naam medeverdachte] (hierna: de medeverdachte) aangehouden. De verdachte wordt ervan verdacht degene te zijn geweest die het wapen op aangever heeft gericht en hem met het wapen op zijn hoofd heeft geslagen. De medeverdachte wordt ervan verdacht de bestuurder van de zwarte auto te zijn geweest. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of de verdachte en de medeverdachte ook daadwerkelijk deze personen zijn geweest. Daartoe overweegt zij het volgende.

Uit de camerabeelden van de Ringdijk te Ridderkerk van 15 april 2020 is het volgende gebleken.

Omstreeks 04.35 uur rijdt een vermoedelijk zwarte Renault Megane de Ringdijk op. Omstreeks 04.40 uur rijdt deze auto achteruit en maakt een buigende beweging waardoor het erop lijkt dat de auto parkeert achter een andere auto. De koplampen van de vermoedelijk zwarte Renault Megane, die eerder nog te zien waren in de andere geparkeerd staande auto, gaan uit. Omstreeks 06.32.27 uur gaan de koplampen van de auto van aangever aan. Omstreeks 06.32.41 uur loopt een man, vanuit de richting waar eerder de auto was geparkeerd, met een wapen in zijn hand op aangever af. Omstreeks 06.32.49 uur komt de vermoedelijk zwarte Renault Megane aanrijden en stopt naast de auto van aangever. Omstreeks 06.32.53 uur stapt de man in de vluchtauto. Daarna is te zien dat de auto wegrijdt.

De getuige [naam getuige] heeft verklaard dat hij op 15 april 2020 een hoop geschreeuw buiten op straat hoorde. Toen hij uit zijn raam keek, dat uitkijkt op de Ringdijk te Ridderkerk, zag hij dat een buurtbewoner aan het vechten was met een andere man. De getuige zag op een gegeven moment een zwarte Renault Megane GT, vierdeursmodel met zwarte velgen en donkere ramen, aan komen rijden. Getuige [naam getuige] verklaarde bekend te zijn met auto’s en ‘bijna zeker’ te zijn van het feit dat het om dit model ging. Hij zag dat de man met wie de buurtbewoner had gevochten in deze Renault stapte aan de bijrijderskant. Vervolgens reed de Renault weg.

Op 15 april 2020 omstreeks 10.14 uur werd in een parkeervak op de Zevenoord te Rotterdam een zwarte Renault Megane Sport zonder kentekenplaten aangetroffen welke gestolen bleek te zijn. Deze Renault Megane betrof een vierdeursmodel, de sportvelgen van de auto waren van origine zilverkleurig, maar waren zodanig vervuild dat ze donker leken, en de ramen ter hoogte van de achterbank waren getint.

De verbalisanten hebben na het aantreffen van de Renault Megane een buurtonderzoek ingesteld in de Zevenoord. Meerdere buurtbewoners hebben onafhankelijk van elkaar verklaard dat die zwarte Renault Megane op 14 april 2020 daar nog niet geparkeerd stond. Eén buurtbewoner heeft verklaard de geparkeerde Renault Megane voor het eerst gezien te hebben op 15 april 2020 tussen 07.00 en 08.00 uur.

Naast de camerabeelden van de Ringdijk zijn ook van de Zevenoord te Rotterdam diverse camerabeelden veiliggesteld. Uit deze camerabeelden is het volgende gebleken.

Op 15 april 2020 omstreeks 06.39.50 uur komt een zwarte personenauto van het merk Renault vanaf de Nudenoord rechtsaf de Zevenoord inrijden. Op de voorzijde van de auto zijn geelkleurige kentekenplaten te zien. Omstreeks 06.40.52 uur is te zien dat dezelfde auto vanaf de Ganzenoord de Zevenoord inslaat. Vervolgens zijn omstreeks 06.46.55 uur twee mannen te zien die vanaf de woning Zevenoord 11 bezien uit de richting van de kruising van de Nudenoord met de Zevenoord komen en zich met een snelheid tussen lopen en rennen in, bewegen in de richting waar de Renault Megane geparkeerd stond. Na ongeveer een minuut rennen de mannen weer uit beeld.

Vervolgens is omstreeks 10.56.19 uur te zien dat de Renault Megane wordt weggetakeld. Omstreeks 11.32.22 uur zijn twee mannen te zien die uit de richting van de Zevenoord over de kruising met de Ganzenoord lopen. De verbalisant herkent deze twee personen als dezelfde twee personen die omstreeks 06.46.55 uur te zien waren. Eén van de mannen had een donkere huidskleur, een normaal postuur en droeg zwarte kleding. De andere man had een licht getinte huidskleur, een normaal postuur, donkere trainingsbroek, lichtkleurige schoenen, donkerkleurige pet en een blauwe gewatteerde jas.

De rechtbank is van oordeel dat de omschrijving die de getuige [naam getuige] heeft gegeven van de Renault Megane op de Ringdijk en de vermoedelijk zwarte Renault Megane die te zien is op de camerabeelden van de Ringrijk te Ridderkerk passen bij de Renault Megane die op de Zevenoord is aangetroffen. De rechtbank gaat er verder vanuit dat de zwarte Renault Megane die op de Zevenoord te Rotterdam is aangetroffen, is gebruikt bij het incident op de Ringdijk te Ridderkerk op 15 april 2020.

De vraag is vervolgens of de verdachte degene is geweest die op 15 april 2020 het (nep)vuurwapen op aangever heeft gericht en aangever met dit (nep)vuurwapen op zijn hoofd heeft geslagen. Ten aanzien van de medeverdachte luidt de vraag of hij degene is geweest die de zwarte Renault Megane die bij het incident is gebruikt heeft bestuurd.

Na de aanhouding van de verdachte en de medeverdachte werd door de politie van hen een signalement opgenomen. De rechtbank is van oordeel dat deze signalementen passen bij de twee mannen die te zien zijn op voornoemde camerabeelden van de Zevenoord te Rotterdam. De rechtbank voelt zich hierin gesteund door hetgeen de verbalisanten [naam agent 1] en [naam agent 2] hebben geverbaliseerd in hun proces-verbaal van bevindingen met betrekking tot de herkenning, ondanks dat deze herkenning niet 100% was. De beide verbalisanten herkennen de verdachte als NN-man 1 aan zijn huidskleur, kapsel, postuur en leeftijd. De medeverdachte wordt herkend als NN-man 2 aan zijn gezichtsbeharing, botstructuur van de kaaklijn, zijn postuur en zijn leeftijd. Verder blijkt uit de bevindingen van de verbalisant [naam agent 3] en hetgeen buurtbewoners van de Zevenoord hebben waargenomen dat de twee mannen die te zien waren op de camerabeelden, in de richting liepen van de woning waar de verdachte al enige tijd verblijft, namelijk [adres 2] .

Voorts zijn ook de historische verkeersgegevens onderzocht van het telefoonnummer van de verdachte en het telefoonnummer van de medeverdachte. Hieruit is gebleken dat de telefoon van de verdachte op 15 april 2020 tussen 04.58 uur en 06.25 uur zendmasten aanstraalt in de directe omgeving van de [adres 1] , dus nabij de woning van aangever. Voorts is gebleken dat de telefoon van de verdachte op 15 april 2020 te 06.41 een zendmast aanstraalt op de locatie [adres 3] en om 06.57 uur een zendmast aanstraalt in de directe omgeving van zijn verblijfplaats, te weten [adres 2] .

Uit de historische verkeersgegevens van de telefoon van de medeverdachte is gebleken dat op 15 april 2020 om 01.47 uur en 06.09 uur zendmasten worden aangestraald in de directe omgeving van de [adres 1] . Daarnaast heeft de telefoon van de medeverdachte op diezelfde dag om 06.43 uur een zendmast aangestraald in de directe omgeving van de verblijfplaats van de verdachte.

De afstand tussen de woning van aangever, en [adres 4] , de plek waar de Renault Megane is aangetroffen, bedraagt ongeveer vijf kilometer. Deze afstand kon op 15 april 2020 om 06.30 uur worden afgelegd in 9 minuten en 38 seconden, wat past binnen de hierboven uiteengezette historische verkeersgegevens.

Aan de Renault Megane die op de Zevenoord te Rotterdam is aangetroffen, heeft forensisch onderzoek plaatsgevonden. Het stuur, de versnellingspook en de handrem zijn bemonsterd op aanwezigheid van biologisch celmateriaal. Uit het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut van 4 augustus 2020 blijkt het volgende. Op het stuur is een DNA-mengprofiel aangetroffen van minimaal drie personen met DNA-nevenkenmerken die afkomstig kunnen zijn van de medeverdachte en minimaal één ander persoon. Op de versnellingspook en de handrem is een DNA-mengprofiel aangetroffen van minimaal drie personen dat afkomstig kan zijn van de medeverdachte en minimaal twee andere personen. Ten aanzien van deze laatste bemonstering is berekend dat het meer dan een miljard keer waarschijnlijker is dat de bemonstering DNA bevat van de medeverdachte en twee willekeurige onbekende personen, dan wanneer de bemonstering DNA bevat van drie willekeurige onbekende personen.

De rechtbank leidt uit dit alles, in onderling verband en samenhang bezien, af dat de verdachte degene is geweest die op 15 april 2020 het wapen op aangever heeft gericht en aangever met dit wapen op zijn hoofd heeft geslagen en dat de medeverdachte degene is geweest die de Renault Megane heeft bestuurd.

De rechtbank acht de voor het eerst ter terechtzitting afgelegde verklaring van de verdachte niet aannemelijk geworden, mede gelet op de bewijsmiddelen die zich in het dossier bevinden. Aan dit oordeel draagt bij dat de verdachte ter zitting wel heeft verklaard zich in de nacht van 14 op 15 april te Ridderkerk te hebben bevonden, maar desgevraagd niet de plaatsen kan noemen waar hij op welk moment dan precies is geweest.

Medeplegen feit 1 subsidiair

Medeplegen vereist een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en een ander of anderen. De kwalificatie medeplegen is slechts dan gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde – intellectuele en/of materiële – bijdrage aan het delict van de (mede)verdachte van voldoende gewicht is. De vraag of daarvan sprake is, vergt een beoordeling van de concrete omstandigheden van het geval (zie ook Hoge Raad 4 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:187).

Vast is komen te staan dat de medeverdachte de verdachte behulpzaam is geweest door de verdachte met de Renault Megane naar de Zevenoord te Rotterdam te brengen.

Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat deze bijdrage van de medeverdachte, zoals die uit het dossier kan worden afgeleid, niet van voldoende gewicht is geweest om te kunnen spreken van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachte. Niet is komen vast te staan dat de verdachte en de medeverdachte hebben te gelden als min of meer gelijkwaardige participanten, en dat hun aandeel in het delict van vergelijkbare betekenis is. Deze gedragingen leiden wel tot medeplichtigheid van de medeverdachte. Het onder feit 1 subsidiair ten laste gelegde medeplegen is dan ook niet wettig en overtuigend bewezen zodat de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.

Conclusie feiten 1 en 2

Nu uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden vastgesteld dat het ook daadwerkelijk om een echt vuurwapen ging, kan ten aanzien van feit 1 subsidiair enkel de bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht wettig en overtuigend bewezen worden verklaard.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde kan wettig en overtuigend worden bewezen dat de verdachte aangever op 15 april 2020 heeft mishandeld door hem met een (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp) op het hoofd te slaan.

Feit 3: (opzet)heling van de zwarte Renault Megane

Zoals blijkt uit hetgeen hierboven is overwogen, hebben de verdachte en de medeverdachte op 15 april 2020 gebruik gemaakt van een zwarte Renault Megane GT, voorzien van het kenteken [kentekennummer 1] . De verbalisanten die het voertuig op de Zevenoord te Rotterdam hebben aangetroffen, zagen dat er geen kentekenplaten op de auto zaten. Voorts zagen verbalisanten achter de voorruit aan de bestuurderskant het chassisnummer van de auto staan. Na onderzoek in het politiesysteem bleek dit voertuig gestolen te zijn. Hiervan was reeds op 19 februari 2020 aangifte gedaan door [naam] . Uit de aangifte blijkt voorts dat de auto, voordat deze was gestolen, voorzien was van het kenteken [kentekennummer 2] . Uit camerabeelden van de Zevenoord is te zien dat, voordat de auto werd geparkeerd, deze nog was voorzien van een gele kentekenplaat. Kennelijk met de cijfer- en lettercombinatie zoals door de aangever reeds aan de meldkamer was doorgegeven. De rechtbank is van oordeel dat gelet op het feit dat de verdachte en de medeverdachten in een gestolen voertuig reden, voorzien van valse kentekenplaten, wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte zich op 15 april 2020 schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van opzetheling.

4.2.3.

Conclusie

De rechtbank acht de onder 1 subsidiair, 2 en 3 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen.

4.3.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1 subsidiair.

hij op 15 april 2020 te Ridderkerk [naam slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht door een (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp) op het lichaam van die [naam slachtoffer] te richten en vervolgens meermalen telkens de trekker van een/dat (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp) over te halen en de slede van een/dat (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp) naar achteren te halen;

2.

hij op 15 april 2020 te Ridderkerk [naam slachtoffer] heeft mishandeld door die [naam slachtoffer] met een (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp) op het hoofd te slaan;

3.

hij op 15 april 2020 te Ridderkerk en Rotterdam, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, een goed, te weten een personenauto (Renault Megane GT) heeft voorhanden gehad, terwijl hij en zijn mededader ten tijde van het voorhanden krijgen van dit goed wistendat het een door misdrijf verkregen goed betrof.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

5. Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

1 subsidiair.

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

2.

mishandeling;

3.

medeplegen van opzetheling.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. De feiten zijn dus strafbaar.

6. Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering straf

7.1.

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feiten waarop de straf is gebaseerd

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, mishandeling en het medeplegen van opzetheling.

In de vroege morgen van 15 april 2020 wil het slachtoffer naar zijn werk gaan als hij ineens wordt geconfronteerd met de verdachte die een (nep)vuurwapen op hem richt en een aantal keren de trekker overhaalt. Het slachtoffer duikt weg achter zijn auto en als hij denkt dat het (nep)vuurwapen hapert en de verdachte met het (nep)vuurwapen bezig is, loopt hij op de verdachte af en ontstaat er een worsteling. In deze worsteling slaat de verdachte met het (nep)vuurwapen op het hoofd van het slachtoffer, waardoor een bloedende hoofdwond ontstaat. De verdachte loopt vervolgens weg en stapt in een gestolen auto die voor komt rijden. Deze vluchtauto wordt bestuurd door de medeverdachte.

De rechtbank weegt in het nadeel van de verdachte mee dat hier sprake was van een vooropgezet plan en dat daardoor sprake is van een atypische bedreiging. De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende. Er lijkt sprake te zijn van een voorverkenning, nu de verdachte op 14 april 2020 vlak voor middernacht al een keer in de buurt van de woning van het slachtoffer is geweest. Vervolgens parkeert de gestolen auto met verwisselde kentekenplaten op 15 april 2020 omstreeks 04.40 uur nabij de woning van het slachtoffer, terwijl het incident bijna twee uur later pas plaatsvindt. Daarnaast is er in de gestolen auto een jerrycan benzine aangetroffen. De hier uiteengezette werkwijze wordt doorgaans ook gebruikt bij een (poging tot) liquidatie.

Dergelijke feiten brengen gevoelens van angst en onveiligheid met zich mee in de samenleving en in het bijzonder bij het slachtoffer, zoals dit ook blijkt uit de ter terechtzitting voorgelezen slachtofferverklaring. Daarbij speelt ook een rol dat het incident gebeurde precies voor het huis van het slachtoffer.

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

7.3.1.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 18 augustus 2020, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

7.3.2.

Rapportage

Reclassering Nederland heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 30 juli 2020. Uit dit rapport blijkt dat de verdachte voor zijn aanhouding bij zijn vriendin woonde en ook na zijn vrijlating van plan is weer met zijn vriendin te gaan samenwonen. De verdachte volgde voor zijn aanhouding een opleiding op het Albeda College in de richting van facilitaire dienstverlening. In verband met de coronamaatregelen kon hij geen stage vinden en heeft hij van school een verlenging gekregen tot februari 2021. De verdachte heeft een schuld bij het CJIB en bij de zorgverzekeraar. Voor zijn aanhouding gebruikte de verdachte softdrugs, ongeveer vijf joints per week, dit voornamelijk uit verveling. De reclassering adviseert een onvoorwaardelijke gevangenisstraf aan de verdachte op te leggen indien hij wordt veroordeeld. De rechtbank heeft acht geslagen op dit rapport.

7.4.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Gezien de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd. De verdediging heeft verzocht een gevangenisstraf op te leggen die gelijk is aan het voorarrest met eventueel nog een deel voorwaardelijk als stok achter de deur. De rechtbank is van oordeel dat een straf gelijk aan het voorarrest geen recht doet aan de hierboven uiteengezette ernst van de feiten. Daarnaast heeft een eerdere voorwaardelijke gevangenisstraf de verdachte er ook niet van weerhouden om opnieuw strafbare feiten te plegen.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.

8. Vordering benadeelde partij/schadevergoedingsmaatregel

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd [naam benadeelde] ter zake van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 556,10 aan materiële schade en een vergoeding van € 7.500,- aan immateriële schade.

8.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de materiële schade in zijn geheel voor vergoeding in aanmerking komt en dat de immateriële schade vastgesteld dient te worden op € 1.000,-, gelet op de gevorderde vrijspraak van het onder 1 primair ten laste gelegde feit.

8.2.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, gelet op de bepleite integrale vrijspraak. Subsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de immateriële schadevergoeding gematigd dient te worden gelet op de juridische kwalificatie van het feit.

8.3.

Beoordeling

Nu is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door de onder 1 subsidiair en 2 bewezen verklaarde strafbare feiten rechtstreeks materiële schade is toegebracht en de gevorderde schadevergoeding met betrekking tot de post “medische kosten, ambulance, ziekenhuis, eigen risico verzekering” de rechtbank ook overigens niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt, zal de vordering met betrekking tot deze post worden toegewezen.

Ten aanzien van de post “tel glas stuk na duik over straat” zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard, nu uit het dossier niet blijkt dat tijdens het incident op 15 april 2020 het glas van de telefoon van de benadeelde partij kapot is gegaan. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Voorts is vast komen te staan dat aan de benadeelde partij door de onder 1 subsidiair en 2 bewezen verklaarde strafbare feiten rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Die schade zal op dit moment op basis van de thans gebleken feiten en omstandigheden naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op € 1.000,-. De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard. Dit deel van de vordering kan derhalve slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Nu de verdachte de strafbare feiten ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met een mededader heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Indien en voor zover de mededader de benadeelde partij betaalt is de verdachte in zoverre jegens de benadeelde partij van deze betalingsverplichting bevrijd.

De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 15 april 2020.

Nu de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

8.4.

Conclusie

De verdachte moet de benadeelde partij een schadevergoeding betalen van € 1.371,42, vermeerderd met de wettelijke rente en kosten als hieronder in de beslissing vermeld.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

9. Vordering tenuitvoerlegging

9.1.

Vonnis waarvan tenuitvoerlegging wordt gevorderd

Bij vonnis van 19 juni 2019 van de meervoudige kamer van deze rechtbank is de verdachte ter zake van diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak veroordeeld – voor zover van belang – tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden, waarvan een gedeelte groot 1 (één) maand voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 (twee) jaar.

De proeftijd is ingegaan op 4 juli 2019.

9.2.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft primair verzocht de vordering tot tenuitvoerlegging af te wijzen. Subsidiair heeft de verdediging verzocht de proeftijd te verlengen van het voorwaardelijke gedeelte van de aan de verdachte opgelegde straf. De verdediging heeft hiertoe aangevoerd dat de school van de verdachte de verdachte een kans heeft gegeven om zijn opleiding alsnog af te ronden en de toewijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging hieraan in de weg staat.

9.3.

Beoordeling

De hierboven bewezen verklaarde feiten zijn na het wijzen van dit vonnis en voor het einde van de proeftijd gepleegd. Door het plegen van de bewezen feiten heeft de verdachte de aan het vonnis verbonden algemene voorwaarde, dat hij voor het einde van de proeftijd geen nieuwe strafbare feiten zou plegen, niet nageleefd.

Daarom zal de tenuitvoerlegging worden gelast van het voorwaardelijk gedeelte van de bij dat vonnis aan de verdachte opgelegde straf.

10. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 36f, 47, 57, 285, 300 en 416 van het Wetboek van Strafrecht.

11. Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

12 . Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 subsidiair, 2 en 3 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 (negen) maanden;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;


veroordeelt de verdachte hoofdelijk met diens mededader, des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam benadeelde] , te betalen een bedrag van € 1.371,42 (zegge: dertienhonderdeenenzeventig euro en tweeënveertig cent), bestaande uit € 371,42 aan materiële schade en € 1.000,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 15 april 2020 tot aan de dag der algehele voldoening;

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij te betalen € 1.371,42 (hoofdsom, zegge: dertienhonderdeenenzeventig euro en tweeënveertig cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 april 2020 tot aan de dag van de algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal van de hoofdsom te vervangen door 23 (drieëntwintig) dagen gijzeling. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij, waaronder begrepen betaling door zijn mededader, tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd;

gelast de tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk gedeelte, groot 1 (één) maand, van de bij vonnis van 19 juni 2019 van de meervoudige kamer van deze rechtbank aan de veroordeelde opgelegde gevangenisstraf.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. C. Vogtschmidt, voorzitter,

en mrs. P.E. van Althuis en L.B. Esser, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. D.W.A. Sonneveld-de Raad, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

De jongste rechter en de griffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

Primair

hij op of omstreeks 15 april 2020 te Ridderkerk ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade een persoon genaamd [naam slachtoffer] van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, een vuurwapen heeft gericht op de borst, althans het lichaam van die [naam slachtoffer] en/of (vervolgens) meermalen, althans eenmaal, (telkens) de trekker van

een/dat vuurwapen heeft overgehaald, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

Subsidiair

hij op of omstreeks 15 april 2020 te Ridderkerk tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, [naam slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door een (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp) op de borst, althans het lichaam van die [naam slachtoffer] te richten en/of (vervolgens) meermalen, althans

eenmaal, (telkens) de trekker van een/dat (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp) over te halen en/of de slede van een/dat (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp) naar achteren te halen;

2.

hij op of omstreeks 15 april 2020 te Ridderkerk [naam slachtoffer] heeft mishandeld door die [naam slachtoffer] met een (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp) op het hoofd te slaan;

3.

hij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 18 februari 2020 tot en met 15 april 2020, in elk geval in of omstreeks de periode van 14 april 2020 tot en met 15 april 2020 te Ridderkerk en/of Rotterdam en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een goed, te weten een personenauto (Renault Megane GT) heeft verworven, voorhanden gehad en/of overgedragen, terwijl hij en zijn mededader(s) ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.