Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:8405

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
23-09-2020
Datum publicatie
25-09-2020
Zaaknummer
8641941 VZ VERZ 20-13979
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Ontslag op de b-grond van medewerkster Belastingdienst. Aanspraak op billijke vergoeding ex art. 7:682 lid 1 onder c BW afgewezen. Niet gebleken van ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2020-1133
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 8641941 VZ VERZ 20-13979

uitspraak: 23 september 2020

beschikking van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

[verzoekster]

wonende te [woonplaats verzoekster] ,

verzoekster,

gemachtigde: mr. J.P.L.C. Dijkgraaf, advocaat te Den Haag.

tegen

DE STAAT DER NEDERLANDEN,
vertegenwoordigd door de Staatssecretaris van Financiën, Fiscaliteit en Belastingdienst,

zetelende te Den Haag,

verzoekster,

gemachtigde: mr. M.A.T. Salden, Advocaat Team Arbeidsjuristen SSO O&P Belastingdienst te Den Haag.

Partijen worden hierna aangeduid als “ [verzoekster] ” en “de Belastingdienst”.

1. Het verloop van de procedure

1.1.

Van de volgende processtukken is kennisgenomen:

  • -

    het verzoekschrift, met producties 1 t/m 8, ontvangen op 13 juli 2020;

  • -

    het verweerschrift, met 13 producties, ter griffie ontvangen op 12 augustus 2020;

  • -

    de brief van [verzoekster] d.d. 21 augustus 2020, waarin een correctie op het verzoekschrift is aangebracht en tevens de producties 9 tot en met 11 zijn overgelegd.

1.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 26 augustus 2020. Ter zitting is [verzoekster] in persoon verschenen, vergezeld van haar zus en bijgestaan door haar gemachtigde mr. J.P.L.C. Dijkgraaf. Aan de zijde van de Belastingdienst is verschenen de gemachtigde mw. mr. M.A.T. Salden.

Ter zitting hebben beide partijen de wederzijdse standpunten nader toegelicht, waarbij [verzoekster] zelf aan het einde van de zitting een schriftelijk commentaar heeft overgelegd, dat is toegevoegd aan het procesdossier.

Van het ter zitting verhandelde heeft de griffier aantekening gehouden.

1.3.

De uitspraak van de beschikking is door de kantonrechter bepaald op heden.


2. De feiten

In deze procedure wordt uitgegaan van de volgende feiten:

2.1.

[verzoekster] , geboren [geboortedatum verzoekster] , is met ingang van 1 juli 1997 in dienst getreden van de Belastingdienst. Laatstelijk was zij werkzaam als Groepsfunctionaris E, dienstonderdeel Midden-en Kleinbedrijf (MKB) met een arbeidsomvang van 36 uur per week. Partijen strijden over de hoogte van het laatstelijk geldend salaris, waarbij [verzoekster] uitgaat van een bedrag van € 3.815,55 bruto per maand, exclusief emolumenten, waaronder vakantietoeslag en eindejaarsuitkering, terwijl de Belastingdienst stelt dat het laatstelijk geldend salaris
€ 3.256,52 bruto bedroeg, exclusief genoemde emolumenten.

2.2.

[verzoekster] heeft in de periode van 18 juli 2008 tot 30 november 2010 alsmede gedurende de periode van 3 februari 2015 tot en met 17 januari 2016 in verband met ziekte de bedongen werkzaamheden niet kunnen verrichten.

2.3.

Met ingang van 1 januari 2016 is de heer [naam 1] (hierna: [naam 1] ) als nieuwe leidinggevende van [verzoekster] aangesteld. Hij heeft voor [verzoekster] bij de bedrijfsarts een consult aangevraagd. Dat consult vond plaats op 15 juni 2016 en in het rapport dat de bedrijfsarts daarvan heeft opgemaakt heeft hij onder meer het volgende verklaard:

“(….)
Betrokkene heeft beperkingen op energetisch gebied, begeleiding inzake slaapproblematiek vond plaats. Vooralsnog is er geen alternatief en blijft eea een subjectief probleem.

2.4.

Op 3 augustus 2016 heeft een zogenaamd 4-gesprek plaatsgevonden. De bedrijfsarts heeft ten aanzien van zijn bevindingen en de prognose het volgende gerapporteerd:

“(...)

Visies werden gedeeld en beleid bepaald. Geconstateerd werd, dat er medisch gezien geen evidente beperkingen zijn te duiden. Betrokkene ervaart subjectieve beperkingen. Tijdens het werken zijn er geen evidente beperkingen om rekening mee te houden. Betrokkene heeft kennisgenomen van bovenstaande en zal zelf actie ondernemen in de organisatie”.

2.5.

[verzoekster] was het met die conclusie niet eens en zij heeft te kennen gegeven dat zij op zoek zou gaan naar een alternatieve functie binnen de Belastingdienst. In verband daarmee heeft zij contact gelegd met de teamleider bij het segment Particulieren, doch een en ander heeft niet geleid tot herplaatsing van [verzoekster] .

2.6.

Met ingang van 6 september 2016 is [verzoekster] in verband met arbeidsongeschiktheid definitief uitgevallen.

2.7.

De Belastingdienst heeft met ingang van 6 september 2017 een korting toegepast van 30% op het salaris van [verzoekster] vanwege de langdurige arbeidsongeschiktheid. [verzoekster] heeft tegen die beslissing bezwaar gemaakt, waarbij zij zich op het standpunt heeft gesteld dat haar arbeidsongeschiktheid beschouwd dient te worden als een beroepsziekte in de zin van artikel 37 lid 4 jo. artikel 35 Algemeen Ambtenarenreglement (ARAR). Het bezwaar is ongegrond verklaard en ook in beroep heeft de Rechtbank Rotterdam op 30 juli 2019 geoordeeld dat [verzoekster] het bestaan van de beroepsziekte niet heeft aangetoond. [verzoekster] heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank Rotterdam hoger beroep aangetekend bij de Centrale Raad van Beroep. De mondelinge behandeling van het hoger beroep is door de Centrale Raad van het Beroep bepaald op 24 september 2020.

2.8.

Met ingang van 3 september 2019 is aan [verzoekster] een IVA-uitkering toegekend. Daarbij is door het UWV te kennen gegeven dat [verzoekster] 80-100% arbeidsongeschikt is en dat zij geen of een geringe kans op herstel heeft.

2.9.

Tot 1 januari 2020 had [verzoekster] een aanstelling op basis van het ambtenarenrecht. Door de invoering van de WNRA is deze aanstelling per 1 januari 2020 omgezet in een civiele arbeidsovereenkomst als bedoeld in titel 10 van boek 7 Burgerlijk Wetboek (BW).

2.10.

De Belastingdienst heeft op 30 januari 2020 aan het UWV toestemming gevraagd de arbeidsovereenkomst met [verzoekster] op te zeggen in verband met het feit dat zij twee jaar lang onafgebroken arbeidsongeschikt is en geen herstel te verwachten valt binnen een periode van 26 weken. Het UWV heeft op 28 februari 2020 aan de Belastingdienst de gevraagde toestemming verleend. De Belastingdienst heeft vervolgens bij brief van 23 maart 2020 de arbeidsovereenkomst met [verzoekster] opgezegd per 30 juni 2020.

2.11.

De Belastingdienst heeft bij de beëindiging van de arbeidsovereenkomst met ingang van laatstgenoemde datum aan [verzoekster] de transitievergoedingen betaald ten bedrage van
€ 29.036,21 bruto.

3. Het verzoek

3.1.

[verzoekster] heeft verzocht voor recht te verklaren, uitvoerbaar bij voorraad, dat de Staat aan haar een billijke vergoeding van € 101.536,02 dient te betalen, althans een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen vergoeding.

3.2.

Aan het verzoek heeft [verzoekster] - samengevat weergegeven en voor zover hierna van belang - het volgende ten grondslag gelegd.

3.3.

De Belastingdienst heeft ten aanzien van het ontstaan van de arbeidsongeschiktheid van [verzoekster] ernstig verwijtbaar gehandeld, respectievelijk er is sprake van ernstige verwijtbaar nalaten, nu de werkgever nadat [verzoekster] in januari 2016 weer arbeidsongeschikt verklaard was, volstrekt geen rekening heeft gehouden met het feit dat zij als gevolg van het lijden aan het chronische vermoeidheidssyndroom een groter risico liep op herhaalde uitval. De Belastingdienst had rekening moeten houden met de potentiële beperkingen van [verzoekster] in haar belastbaarheid. Met name [naam 1] , die per 1 januari 2016 als leidinggevende van [verzoekster] is aangesteld, heeft in dit opzicht willens en wetens het risico genomen op het opnieuw ontstaan van arbeidsongeschiktheid door [verzoekster] te behandelen als een “normale werknemer” en haar volledig te belasten. Het optreden van [naam 1] wordt gekenmerkt door het negeren van de energetische beperkingen van [verzoekster] . Hij verlangde van haar, anders dan zijn voorganger, dat zij de productienorm zonder enige beperking zou halen. Met de vorige leidinggevende had [verzoekster] de afspraak dat zij elk uur een korte pauze van 10 minuten mocht nemen om op die manier toch de hele dag te kunnen blijven werken. Daarnaast werd [verzoekster] ook heel offensief bejegend door [naam 1] . Op haar verzuchting dat zij onder die condities echt niet kon voldoen aan de productienorm, maar zij zeker wel haar best zou doen, heeft [naam 1] geantwoord “je best doen is niet genoeg”.

Samenvattend stelt [verzoekster] dat de Belastingdienst een substantiële bijdrage heeft geleverd aan haar blijvende arbeidsongeschiktheid en als zodanig ernstig verwijtbaar heeft gehandeld.

3.4.

Op grond van het bepaalde in artikel 7:682 lid 1 onder c BW maakt [verzoekster] aanspraak op een billijke vergoeding. Bij de berekening van de hoogte van die billijke vergoeding gaat [verzoekster] er vanuit dat zij nog minimaal drie jaar bij de Belastingdienst had kunnen blijven werken als zij niet ziek geworden was en niet ontslagen was. Rekening houdend met de IVA-uitkering ten bedrage van € 2.205,02 bruto per maand is sprake van een inkomensschade van € 1.610,53 bruto per maand, welke schade over drie jaar correspondeert met een bruto bedrag van € 62.617,41. Daarnaast dient volgens [verzoekster] bij de berekening van de hoogte van de billijke vergoeding rekening gehouden te worden met de salariskorting van 30% in verband met langdurige arbeidsongeschiktheid, te weten een bedrag van € 38.918,61 bruto in totaal. Aldus dient de billijke vergoeding naar de mening van [verzoekster] berekend te worden op een totaalbedrag van € 101.536,02 bruto.

4. Het verweer

4.1.

De Belastingdienst verzoekt de vorderingen van [verzoekster] af te wijzen, althans haar daarin niet ontvankelijk te verklaren met de veroordeling van [verzoekster] in de kosten van het geding, het salaris van de gemachtigde daaronder begrepen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf twee weken na de uitspraak.

4.2.

Daartoe heeft de Belastingdienst - samengevat weergegeven en voor zover hierna van belang - het volgende aangevoerd.

4.3.

Niet in geding is dat sprake is van een rechtsgeldig ontslag wegens arbeidsongeschiktheid. De arbeidsongeschiktheid van [verzoekster] en de opzegging van de arbeidsovereenkomst op grond van artikel 7:669, derde lid, onderdeel b BW is niet het gevolg van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de Belastingdienst. Niet gebleken is dat in de periode van januari 2016 tot september 2016 sprake was van medische beperkingen voor haar werk, waar de Belastingdienst rekening mee had moeten houden. In de tweede helft van 2015 is het aantal uren dat [verzoekster] werkte geleidelijk opgebouwd en op 12 oktober 2015 werkte [verzoekster] zes uur per dag. In het rapport van 14 december 2015 is vermeld dat [verzoekster] met ingang van januari 2016 het aantal uren kan uitbreiden naar zeven uur per dag gedurende vijf dagen per week. Een en ander duidt naar de mening van de Belastingdienst op een geslaagde re-integratie met een volledig herstel. Er waren geen signalen dat die uitbreiding van uren voor [verzoekster] niet haalbaar zou zijn. Voor de Belastingdienst was er dan ook geen enkele aanleiding om de arbeidsgeschiktheidsmelding van [verzoekster] niet te aanvaarden of daaraan te twijfelen. Als [verzoekster] van mening was dat zij niet 100% arbeidsgeschikt was in januari 2016, had het op haar weg gelegen om zich niet beter te melden. Dat heeft zij echter niet gedaan. Zij was van mening net als de bedrijfsarts dat zij na haar re-integratieperiode van bijna een jaar weer volledig kon werken. Volledig werken betekent ook voldoen aan de productienormen die gelden voor alle werknemers in dezelfde functie. [verzoekster] heeft evenmin gebruik gemaakt van de mogelijkheid om een deskundigenoordeel bij het UWV aan te vragen. Dat had echter wel op haar weg gelegen als zij van mening was geweest dat zij niet 100% arbeidsgeschikt was in genoemde periode van januari 2016 tot september 2016.

4.4.

De Belastingdienst betwist dat [naam 1] [verzoekster] offensief heeft bejegend of dwingend heeft geïnstrueerd. Bovendien betwist de Belastingdienst dat de arbeidsongeschiktheid en de opzegging van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van het door [verzoekster] gestelde, maar niet door haar aangetoonde, ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever.

4.5.

Zo er al aanleiding zou zijn voor toekenning van een billijke vergoeding heeft de Belastingdienst zich op het standpunt gesteld dat de korting van het salaris met 30% onderwerp van geschil is in de procedure bij de Centrale Raad van Beroep, zodat die vordering niet nogmaals in een civiele procedure aan de orde gesteld kan worden. Bij de berekening van de hoogte van de billijke vergoeding dient bedoelde salariskorting van 30% dus in ieder geval buiten beschouwing te blijven.
Voorts acht de Belastingdienst het niet aannemelijk dat [verzoekster] nog drie jaar bij de Belastingdienst gewerkt zou hebben, wanneer zij niet arbeidsongeschikt geworden zou zijn. Ook de cijfermatige berekening van de vergoeding wordt door de Belastingdienst betwist, waarbij gesteld wordt dat [verzoekster] van een te hoog salaris is uitgegaan. Volgens de Belastingdienst bedroeg het laatstelijk geldend salaris niet € 3.815,55 bruto per maand, zoals [verzoekster] stelt, maar € 3.256,52 bruto per maand.

5. De beoordeling

5.1.

Bij de beoordeling van het tussen partijen gerezen geschil stelt de kantonrechter voorop dat de Belastingdienst de arbeidsovereenkomst met [verzoekster] met toestemming van het UWV rechtsgeldig heeft opgezegd op de grond zoals vermeld in artikel 7:669 lid 3 onder b BW (te weten langdurige arbeidsongeschiktheid) met ingang van 1 juli 2020. Op grond van artikel 7:682 lid 1 aanhef en onder c BW kan de rechter in dat geval op verzoek van de werknemer een billijke vergoeding toekennen indien de opzegging wegens langdurige arbeidsongeschiktheid het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever.

5.2.

Uit de parlementaire geschiedenis van de Wet werk en zekerheid blijkt dat voor ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever op grond waarvan de werknemer aanspraak kan maken op een billijke vergoeding naast de transitievergoeding een hoge drempel geldt. Daarvoor is alleen aanleiding in uitzonderlijke gevallen, waarin het evident is dat het tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst leidende handelen of nalaten van de werkgever als ernstig verwijtbaar moet worden aangemerkt. De parlementaire geschiedenis noemt onder meer de volgende voorbeelden:

  • -

    als een werkgever grovelijk de verplichtingen niet nakomt die voortvloeien uit de arbeidsovereenkomst en er als gevolg daarvan een verstoorde arbeidsverhouding ontstaat. Te denken is hierbij aan de situatie waarin de werkgever zijn re-integratieverplichtingen bij ziekte ernstig heeft veronachtzaamd;

  • -

    de situatie waarin een werknemer arbeidsongeschikt is geworden (en uiteindelijk wordt ontslagen) als gevolg van verwijtbare onvoldoende zorg van de werkgever voor de arbeidsomstandigheden.

(Zie Kamerstukken II 2013-2014, 33 818, nr. 3, pag. 34)

5.3.

[verzoekster] heeft aan haar stelling dat de opzegging het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de Belastingdienst allereerst ten grondslag gelegd dat de werkgever in de periode vanaf 17 januari 2016 tot het uitvallen per 6 september 2016 onvoldoende rekening gehouden heeft met haar medische beperkingen. Terecht heeft de Belastingdienst gesteld dat van die medische beperkingen onvoldoende is gebleken. In dat kader acht de kantonrechter van belang de hiervoor in rechtsoverweging 2.3. en 2.4. gedeeltelijk geciteerde bevindingen van de bedrijfsarts, terwijl tevens van belang is dat verzoekster in 2015 haar uren langzaam heeft uitgebreid, totdat zij per 17 januari 2016 weer volledig arbeidsgeschikt is verklaard. Wanneer verzoekster het met die beslissing niet eens was, had het op haar weg gelegen om een deskundigenoordeel bij het UWV aan te vragen. Verzoekster beroept zich voor haar stelling dat er wel degelijk sprake was van medische beperkingen op het door haar als productie 8 bij het verzoekschrift overgelegde e-mailbericht van de toenmalige bedrijfsarts [naam 2] . In dat e-mailbericht kan de kantonrechter echter niet lezen dat die bedrijfsarts van mening is dat [verzoekster] medische beperkingen had. De bedrijfsarts reageert in dat bericht immers nogal geprikkeld op de suggestie dat hij een beroepsziekte niet zou hebben onderkend, waarbij hij letterlijk stelt “niets is minder waar, maar wat mij oprecht stoort, dat ik dit via de zijlijn heb moeten vernemen en dat terwijl ik betrokkene altijd zeer open tegemoet ben getreden. Het is niet anders”. Uit die formulering en de rest van het e-mailbericht kan niet worden afgeleid dat volgens de bedrijfsarts sprake was van medische beperkingen aan de kant van [verzoekster] .

5.4.

[verzoekster] heeft tevens aan haar stelling dat sprake is van ernstig verwijtbaar handelen aan de zijde van de Belastingdienst ten grondslag gelegd dat [naam 1] haar offensief heeft benaderd en haar onder druk heeft gezet om de productienormen te halen. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [verzoekster] onvoldoende met concrete feiten en omstandigheden onderbouwd dat [naam 1] haar op ongepaste wijze en offensief heeft benaderd. De enkele stelling dat [naam 1] gezegd zou hebben - welke stelling overigens door de Belastingdienst is betwist - “je best doen is niet goed genoeg” rechtvaardigt een dergelijke conclusie geenszins, temeer nu [verzoekster] niet heeft gesteld wanneer [naam 1] dat gezegd zou hebben en in welke context. De kantonrechter wil wel aannemen dat [verzoekster] zich niet begrepen voelde door [naam 1] en dat zij tegenwerking en daardoor mogelijk stress heeft ervaren, hetgeen overigens ook blijkt uit het hiervoor bedoelde e-mailbericht van de toenmalige bedrijfsarts [naam 2] die stelt dat de verhoudingen onderling “minder” waren, doch die spanningen en die mogelijke verschillen van inzicht over het verloop van het re-integratietraject rechtvaardigen niet de conclusie dat sprake is van ernstig verwijtbaar handelen aan de kant van de Belastingdienst.

5.5.

Nu voorts niet is komen vast te staan dat [verzoekster] in de periode van 17 januari 2016 tot 6 september 2016 slechts beperkt inzetbaar was, was [naam 1] als haar leidinggevende ook gerechtigd haar aan te spreken op haar productiviteit en was hij tevens gerechtigd om van [verzoekster] een even hoge productie te verlangen dan van de andere medewerkers die in dezelfde functie als [verzoekster] werkzaam waren.

5.6.

Uit het voorgaande volgt dat niet gebleken is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de Belastingdienst in de zin van artikel 7:682 lid 1, aanhef en onder c BW, zodat voor toekenning van een billijke vergoeding geen aanleiding bestaat en het verzoek van [verzoekster] tot toekenning van een billijke vergoeding afgewezen dient te worden. Onder die omstandigheden komt de kantonrechter niet toe aan beoordeling van hetgeen partijen hebben gesteld ten aanzien van de hoogte van de billijke vergoeding. De vraag of de korting van het salaris met 30% gedurende het tweede ziektejaar (opnieuw) in deze procedure beoordeeld kan worden, kan dan ook verder in het midden blijven.

5.7.

Als de in het ongelijk gestelde partij dient [verzoekster] veroordeeld te worden in de kosten van het geding. De Belastingdienst heeft ter zitting evenwel alsnog afgezien van een proceskostenveroordeling ten laste van [verzoekster] . Onder die omstandigheden bestaat er aanleiding de kosten van het geding te compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

6. De beslissing

De kantonrechter:

wijst het verzoek af;

compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

Deze beschikking is gegeven door mr. W.J.J. Wetzels en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

710