Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:8391

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
18-09-2020
Datum publicatie
24-09-2020
Zaaknummer
10/750432-19 (vonnis ontneming)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ontnemingszaak. Na veroordeling voor medeplegen van oplichting van (onder meer) Vodafone Ziggo; vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel op ruim 100.000 euro, door beide veroordeelden hoofdelijk te voldoen. Zie ook ECLI:NL:RBROT:2020:8237

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Parketnummer: 10/750432-19 (ontnemingszaak)

Datum uitspraak: 18 september 2020

Tegenspraak

VONNIS (ontneming)

van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, op de vordering als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht van de officier van justitie in de zaak tegen de veroordeelde:

[naam veroordeelde] ,

geboren op [geboortedatum veroordeelde] te [geboorteplaats veroordeelde] c.a.,

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting gedetineerd in:

de Penitentiaire Inrichting Rotterdam, locatie Hoogvliet,

raadsman mr. M.L. van Gessel, advocaat te Amsterdam.

ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 4 september 2020.

VOORAFGAANDE VEROORDELING

Bij vonnis van deze rechtbank van 18 september 2020 is de veroordeelde veroordeeld voor – kort gezegd – medeplegen van oplichting.

Van dat vonnis is een kopie als bijlage aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

VORDERING

De vordering van de officier van justitie, mr. J.M. Bonnes, strekt tot het vaststellen van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat op € 108.718,00 en tot het opleggen aan veroordeelde (en de medeveroordeelde) van de hoofdelijke verplichting tot betaling aan de Staat van een geldbedrag ter ontneming van dat geschatte voordeel van € 108.718,00.

De vordering van de officier van justitie is gebaseerd op artikel 36e lid 1 en lid 2 van het Wetboek van Strafrecht. Zij betreft voordeel verkregen door middel van of uit de baten van het feit waarvoor de veroordeelde is veroordeeld.

VERWEREN
De vordering is niet bestreden. Voor zover ten laste van de veroordeelde (of de medeveroordeelde) conservatoir beslag op een geldbedrag rust, is verzocht dat mee te wegen bij de vaststelling van de betalingsverplichting.

STRAFBARE FEITEN WAAROP DE VOORDEELSBEREKENING IS GEBASEERD

Blijkens het vonnis van 18 september 2020 is de veroordeelde veroordeeld ter zake van het medeplegen van oplichting gepleegd in de periode van 16 februari 2018 tot en met 9 januari 2020, waarbij VodafoneZiggo Group B.V. is bewogen tot afgifte van € 36.537,56 via [naam bedrijf 1] , € 11.408,00 via [naam bedrijf 2] en € 60.772,00 via [naam bedrijf 3] / [naam bedrijf 4] . In deze procedure wordt daarom als vaststaand aangenomen dat het feit door de veroordeelde is begaan.

VASTSTELLING VAN HET WEDERRECHTELIJK VERKREGEN VOORDEEL

Gebleken is dat de veroordeelde door middel van en uit de baten van het hiervoor vermelde strafbare feit wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. Dit voordeel dient te worden ontnomen.

Het voordeel dat de veroordeelde wederrechtelijk heeft verkregen wordt geschat op € 108.718,00.

Deze schatting is gegrond op de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de inhoud van de wettige bewijsmiddelen. De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist, in een aan dit vonnis te hechten bijlage worden opgenomen.

VASTSTELLING VAN HET TE BETALEN BEDRAG

De veroordeelde heeft samen met de medeveroordeelde van het door hen gepleegde feit geprofiteerd. Het geld is vooral gebruikt voor het doen van (huishoudelijke) uitgaven voor het gezin. Het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt dan ook gezien als gemeenschappelijk voordeel, zodat zij voor de terugbetaling daarvan hoofdelijk aansprakelijk worden geacht.

Feiten en omstandigheden waaruit volgt dat de veroordeelde thans geen draagkracht heeft en ook in de nabije toekomst naar redelijke verwachting geen draagkracht zal hebben, zijn niet gesteld of gebleken.

De rechtbank zal bepalen dat het gehele bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel van € 108.718,00 door de veroordeelde en de medeveroordeelde hoofdelijk aan de Staat moet worden betaald. Van conservatoir beslag op een onder de veroordeelde of de medeveroordeelde inbeslaggenomen geldbedrag is niet gebleken, zodat het daarop gerichte verweer wordt verworpen.

Bij deze beslissing zijn in aanmerking genomen de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de veroordeelde.

TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

Deze beslissing is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

De rechtbank:

- stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, vast op € 108.718,- (zegge: éénhonderdachtduizendzevenhonderdachttien euro);

- legt aan de veroordeelde de hoofdelijke verplichting op tot betaling aan de Staat van
€ 108.718,- (zegge: éénhonderdachtduizendzevenhonderdachttien euro);

- bepaalt de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd op 500 dagen.

Dit vonnis is gewezen door:
mr. V.F. Milders, voorzitter,

en mrs. M.J.M. van Beckhoven en L. Stevens, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M. van Empelen, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 18 september 2020.

BIJLAGE: KOPIE VONNIS IN DE STRAFZAAK (zie ECLI:NL:RBROT:2020:8237)