Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:8388

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
20-08-2020
Datum publicatie
24-09-2020
Zaaknummer
10/741012-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

“Toepassing jeugdstrafrecht, art. 77c Sr. Woninginbraken, mishandeling, poging tot diefstal door middel van valse sleutel. Oplegging van een voorwaardelijke jeugddetentie gelet op het bewogen verleden van verdachte, zijn kwetsbaarheid en zijn verstandelijke beperking.”

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team jeugd

Parketnummer: 10/741012-20

Datum uitspraak: 20 augustus 2020

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren op [geboortedatum verdachte] te [geboorteplaats verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres verdachte] , [woonplaats verdachte] ,

raadsman mr. R.B. Schmidt, advocaat te Amsterdam.

1. Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 6 augustus 2020.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3. Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. D. van Zetten heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het ten laste gelegde;

  • -

    toepassing van het jeugdstrafrecht;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 120 dagen met aftrek van voorarrest, waarvan 114 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar en met als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering (hierna: WSS), verplichte behandeling en begeleiding van Stichting Mozaïk of een soortgelijke instelling en een contactverbod met de medeverdachte [naam medeverdachte] ;

  • -

    met opdracht aan de WSS tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;

  • -

    dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden en het uit te oefenen toezicht;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 120 uur, subsidiair 60 dagen vervangende jeugddetentie.

4. Waardering van het bewijs

4.1.

Bewezenverklaring zonder nadere motivering

Het ten laste gelegde is door de verdachte ter terechtzitting bekend. De feiten zullen zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard.

4.2.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank een opgave gedaan van wettige bewijsmiddelen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Met deze opgave wordt volstaan, nu de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend en nadien geen vrijspraak is bepleit. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1.

hij op 31 januari 2020 te Rotterdam

tezamen en in vereniging met een ander

in een woning gelegen aan [adres delict] ,

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een kluis

(met daarin o.a. waardepapieren en (een) creditcard) en diverse gouden en zilveren sieraden en een horloge

(merk Baume & Mercier) en een zijden shawl (merk Hermes), toebehorende aan [naam slachtoffer 1] en [naam slachtoffer 2] , waarbij verdachte en zijn mededader die weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak;

2.

hij op of omstreeks 31 januari 2020 te Rotterdam

[naam slachtoffer 3] heeft mishandeld door die [naam slachtoffer 3] (met kracht)

in het gezicht te stompen;

3.

hij op 1 februari 2020 te Nieuwegein,

tezamen en in vereniging met een ander

ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededader voorgenomen

misdrijf om uit een geldautomaat enig geldbedrag, dat toebehoorde aan [naam slachtoffer 1] , weg te nemen met het oogmerk om het

zich wederrechtelijk toe te eigenen

en dat weg te nemen geldbedrag onder hun bereik te brengen door middel van een valse

sleutel, te weten een credit card op naam van [naam slachtoffer 1] ,

- met gezichtsbedekking/vermomming in de wachtrij voor de geldautomaat

hebben gestaan, en

- ( vervolgens) voor de geldautomaat zijn gaan staan, en

- een credit card hebben gepakt en deze in de richting van de

geldautomaat hebben bewogen, en

- op het display en/of het toetsenbord van de geldautomaat hebben

gewezen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

4.

hij

op 28 september 2019 te Groningen

ineen woning, gelegen aan de Doornbosheerd,

tezamen en in vereniging met een ander

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen

meerdere sieraden en enig geldbedrag, toebehorende aan [naam slachtoffer 4] en

[naam slachtoffer 5] , waarbij verdachte en zijn mededader die weg te

nemen goederen en geld onder hun bereik hebben gebracht door

middel van braak.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5. Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

1.

Diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak;

2.

Mishandeling;

3.

Poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel;

4.

Diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

6. Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering straf

7.1.

Algemene overweging

De straffen die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feiten waarop de straf is gebaseerd

De verdachte heeft op 28 september 2019 samen met een ander een woninginbraak gepleegd. Zij zijn naar de woning van de aangeefster gegaan en zijn na het vernielen van een ruit de woning in gegaan, waarna zij sieraden en geld hebben weggenomen.

Op 31 januari 2020 heeft de verdachte wederom samen met een ander, zijn neef [naam medeverdachte] , een woninginbraak gepleegd. Hierbij is onder andere een creditcard weggenomen. Vervolgens heeft de verdachte een getuige van deze inbraak mishandeld door hem met een vuist in zijn gezicht te slaan. Een dag later hebben de verdachten zich schuldig gemaakt aan een poging tot diefstal door met de gestolen creditcard te proberen geld op te nemen bij een pinautomaat.

Woninginbraken veroorzaken niet alleen de nodige materiële schade, maar maken ook een forse inbreuk op de privacy van de bewoners. Bovendien zijn woningen bij uitstek de plaats waar men zich veilig zou moeten kunnen voelen. Het is zeer kwalijk dat de verdachte door het plegen van inbraken dit gevoel van veiligheid heeft aangetast. Daarnaast heeft de verdachte met de poging tot diefstal van een geldbedrag geen blijk gegeven van respect voor andermans eigendommen. Tot slot heeft de verdachte de lichamelijke integriteit van een getuige van de tweede inbraak geschonden en hem pijn en letsel toegebracht.

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

7.3.1.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 13 juli 2020, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

7.3.2.

Rapportages en verklaringen van deskundigen op de terechtzitting

Reclassering Nederland heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 2 juni 2020. Het aanvullend reclasseringsadvies is gedateerd 30 juli 2020. Deze rapporten houden voor zover van belang het volgende in.

De verdachte is een jongeman die een bewogen verleden kent. Hij groeide op zonder vader, leed samen met zijn moeder enige tijd een zwervend bestaan en had als kind enige jaren epilepsie (en groeide hier overheen). Op zeventienjarige leeftijd werd er kanker bij hem vastgesteld en nadat hij hier succesvol voor werd behandeld raakte hij depressief. Zijn schoolgang stagneerde en hij stopte voortijdig.

De cognitieve vermogens van de verdachte variëren van laag begaafd tot beneden gemiddeld niveau. Hij ervaart moeilijkheden als gevolg van zijn beperkte intellectuele vermogens en beperkingen in het adaptief gedrag. De kwetsbaarheid van de verdachte maakt dat een pedagogische aanpak en insteek qua ondersteuning en hulpverlening wenselijk is. Uit het verdiepingsonderzoek is gebleken dat de verdachte baat kan hebben bij een behandeling gericht op het vergroten van zijn vaardigheden op het gebied van emotie regulatie. De verdachte zou voldoende leerbaar zijn om hiervan te kunnen profiteren, mits de behandeling wordt aangeboden door een instelling die gespecialiseerd is in de zorg voor mensen met een licht verstandelijke beperking. De onderzoekster van Fivoor gaf echter te kennen dat de verdachte niet gemotiveerd is voor een dergelijke behandeling en dat het daarom beter zou zijn om eerst in te zetten op begeleiding.

Geadviseerd wordt het jeugdstrafrecht toe te passen. Uit het wegingskader adolescentenstrafrecht blijkt dat er zowel op het cluster handelingsvaardigheden als het cluster pedagogische mogelijkheden indicaties zijn die pleiten voor toepassing van het jeugdstrafrecht. De verdachte is een 18-jarige jongeman die jonger overkomt dan zijn kalenderleeftijd. Hij functioneert op verstandelijk beperkt niveau en lijkt de consequenties van zijn handelen onvoldoende te kunnen overzien. Er zijn ook sterke aanwijzingen dat hij beïnvloedbaar is en er sprake is van een beperkte impulsregulatie. Verdachte is ontvankelijk voor ondersteuning en beïnvloeding door volwassenen en het is wenselijk dat zijn moeder ook betrokken wordt binnen de hulpverlening. Daarbij is het wenselijk dat wanneer hij zijn voorwaarden overtreedt, hij binnen de justitiële jeugdinrichting nog kan profiteren van een groepsgericht leefklimaat.

Geadviseerd wordt de verdachte een taakstraf in de vorm van een werkstraf op te leggen en een voorwaardelijke jeugddetentie, onder de bijzondere voorwaarde dat hij wordt verplicht zich onder behandeling en begeleiding van Stichting Mozaïk te stellen, waarbij aan de WSS opdracht wordt gegeven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.

De WSS heeft een plan van aanpak over de verdachte opgemaakt, gedateerd 19 maart 2020. De rechtbank heeft acht geslagen op dit rapport.

Ter terechtzitting heeft [naam] , werkzaam bij de WSS, het volgende naar voren gebracht. De verdachte houdt zich goed aan de schorsingsvoorwaarden, ondanks dat hij veel moeite heeft met de avondklok. De WSS wil proberen de verdachte te motiveren voor de behandeling bij Fivoor, zodat hij een positieve ontwikkeling kan doormaken. Naast behandeling heeft de verdachte begeleiding en een dagbesteding nodig.

7.4.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Toepassing van het jeugdstrafrecht

Krachtens artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht, kan de rechtbank – ten aanzien van een verdachte die ten tijde van het begaan van een strafbaar feit de leeftijd van 18 jaren doch niet die van 23 jaren heeft bereikt – recht doen overeenkomstig de artikelen 77g tot en met 77gg, indien de rechtbank daartoe grond vindt in de persoonlijkheid van de dader of in de omstandigheden waaronder het feit is begaan.

De rechtbank stelt vast dat de verdachte de bewezenverklaarde feiten heeft gepleegd toen hij de leeftijd van 18 jaren had bereikt. Gelet op de genoemde rapportages, de gegeven adviezen en de geschetste persoonlijkheid van de verdachte, zal de rechtbank ten aanzien van het bewezenverklaarde op grond van artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht het jeugdstrafrecht toepassen.

Straffen

Gezien de ernst van de feiten kan in beginsel niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een jeugddetentie. De rechtbank zal gelet op het bewogen verleden van de verdachte, zijn kwetsbaarheid en zijn verstandelijke beperking echter afzien van het opleggen van een onvoorwaardelijke jeugddetentie. In plaats daarvan wordt op advies van de deskundigen een voorwaardelijke jeugddetentie opgelegd, met de voorwaarden die hierna worden genoemd, en een taakstraf in de vorm van een werkstraf. Gelet op de weerstand die zowel bij de verdachte als bij diens moeder bestaat tegen verplichte hulpverlening na een lange hulpverleningsgeschiedenis zal de rechtbank geen behandelverplichting opleggen. Een jeugdreclasseringstoezicht ten behoeve van het vinden en houden van een zinvolle dagbesteding acht de rechtbank wel geïndiceerd. Het voorwaardelijk strafdeel dient er tevens toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.

Algemene afsluiting

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straffen passend en geboden.

8. Vorderingen benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregelen

Als benadeelde partijen hebben zich in het geding gevoegd: [naam benadeelde 1] en [naam benadeelde 2] , wonende te [woonplaats benadeelden], ter zake van het onder 4 ten laste gelegde feit.

De benadeelde partij [naam benadeelde 1] vordert een bedrag van € 600,-- aan materiële schade en een bedrag van € 500,-- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De benadeelde partij [naam benadeelde 2] vordert een bedrag van € 1.000,-- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

8.1.

Standpunt officier van justitie

Gelet op de aangifte van [naam benadeelde 1] heeft de officier van justitie gevorderd een bedrag van € 400,-- aan materiële schade toe te wijzen. Daarnaast heeft de officier van justitie toewijzing van het gedeelte van de vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde 1] gevorderd dat betrekking heeft op de immateriële schade.

Ten aanzien van de benadeelde partij [naam benadeelde 2] heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat een bedrag van € 500,-- aan immateriële schade passend is. De benadeelde partij dient voor het overige niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering.

De officier van justitie vordert ten aanzien van beide vorderingen de schade te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

8.2.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partijen niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard in de vorderingen, nu deze niet deugdelijk zijn onderbouwd.

8.3.

Beoordeling

Ten aanzien van [naam benadeelde 1]

Nu is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij [naam benadeelde 1] door het onder 4 bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks materiële schade is toegebracht, te weten een volgens de verklaring van de aangeefster weggenomen geldbedrag van 4 à 500 euro, zal de vordering ten aanzien van de materiële schade tot een bedrag van € 400,-- worden toegewezen.

Tevens is vast komen te staan dat aan de benadeelde partij [naam benadeelde 1] door het onder 4 bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Die schade zal op dit moment op basis van de thans gebleken feiten en omstandigheden naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op € 500,--, zodat de vordering ten aanzien van de immateriële schade geheel zal worden toegewezen.

De benadeelde partij [naam benadeelde 1] heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 28 september 2019.

Nu de vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde 1] (in overwegende mate) zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Ten aanzien van [naam benadeelde 2]

Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij [naam benadeelde 2] door het onder 4 bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Die schade zal op dit moment op basis van de thans gebleken feiten en omstandigheden naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op € 500,--. De benadeelde partij [naam benadeelde 2] zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

De benadeelde partij [naam benadeelde 2] heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 28 september 2019.

Nu de vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde 2] (in overwegende mate) zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

8.4.

Conclusie

De verdachte moet de benadeelde partij [naam benadeelde 1] een schadevergoeding betalen van € 900,--, vermeerderd met de wettelijke rente. Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

De verdachte moet de benadeelde partij [naam benadeelde 2] een schadevergoeding betalen van € 500,--, vermeerderd met de wettelijke rente. Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

Over een deel van de gevorderde schadevergoedingen wordt in deze procedure geen inhoudelijke beslissing genomen.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 36f, 45, 77c, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 300 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

10. Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11. Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 80 (tachtig) dagen;

bepaalt dat deze jeugddetentie niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;

verbindt hieraan een proeftijd, die wordt vastgesteld op twee jaren;

tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarde niet naleeft en ook als de veroordeelde gedurende de proeftijd een bijzondere voorwaarde niet naleeft of een voorwaarde die daaraan van rechtswege is verbonden;

stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van die proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich gedurende een door de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering te bepalen periode (die loopt tot maximaal het einde van de proeftijd) en op door de jeugdreclassering te bepalen tijdstippen zal melden bij de jeugdreclassering, zo frequent en zo lang deze instelling dat noodzakelijk acht;

- zich inspant voor het verkrijgen en behouden van een zinvolle dagbesteding;

verstaat dat van rechtswege de volgende voorwaarden zijn verbonden aan de hierboven genoemde bijzondere voorwaarden:

- de veroordeelde zal ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verlenen aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden;
- de veroordeelde zal medewerking verlenen aan jeugdreclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen en het zich melden bij de jeugdreclassering zo vaak en zolang als de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht;

geeft opdracht aan de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;


legt de verdachte een taakstraf op, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 80 (tachtig) uur, waarbij de Raad voor de Kinderbescherming dient te bepalen uit welke werkzaamheden de werkstraf dient te bestaan;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde werkstraf in mindering wordt gebracht volgens de maatstaf van twee uren per dag, zodat na deze aftrek 68 (achtenzestig) uur te verrichten werkstraf resteert;

beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 34 dagen;

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte, die bij eerdere beslissing is geschorst;

veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam benadeelde 1] te betalen een bedrag van € 900,-- (zegge: negenhonderd euro), bestaande uit € 400,-- aan materiële schade en € 500,-- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 28 september 2019 tot aan de dag der algehele voldoening;

verklaart de benadeelde partij [naam benadeelde 1] niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij [naam benadeelde 1] gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [naam benadeelde 1] te betalen

€ 900,-- (hoofdsom, zegge: negenhonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 september 2019 tot aan de dag van de algehele voldoening;

veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam benadeelde 2] te betalen een bedrag van € 500,-- (zegge: vijfhonderd euro), bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 28 september 2019 tot aan de dag der algehele voldoening;

verklaart de benadeelde partij [naam benadeelde 2] niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij [naam benadeelde 2] gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [naam benadeelde 2] te betalen € 500,-- (hoofdsom, zegge: vijfhonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 september 2019 tot aan de dag van de algehele voldoening.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. E.J. Stalenberg, voorzitter, tevens kinderrechter,

en mrs. M.J.M. Marseille en M.E. van der Zouw, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. D.R. van Staveren, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 20 augustus 2020.

De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

PNR 741012-20

hij op of omstreeks 31 januari 2020 te Rotterdam

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

in/uit een woning gelegen aan [adres delict] ,

met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een kluis

(met daarin o.a. waardepapieren en/of (een) creditcard(s) en/of (een)

bankpas(sen)) en/of diverse gouden en/of zilveren sieraden en/of een horloge

(merk Baume & Mercier) en/of een zijden shawl (merk Hermes), in elk geval

enig(e) goed(eren), geheel of ten dele toebehorende aan [naam slachtoffer 1] en/of

[naam slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan hem, verdachte,

en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de

toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of die/dat

weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door

middel van braak, verbreking en/of inklimming;

2.

hij op of omstreeks 31 januari 2020 te Rotterdam

[naam slachtoffer 3] heeft mishandeld door die [naam slachtoffer 3] (met kracht)

in/op/tegen het gezicht te stompen;

3.

hij op of omstreeks 1 februari 2020 te Nieuwegein,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen

misdrijf om in/uit een geldautomaat enig geldbedrag, dat geheel of ten dele

aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s)

toebehoorde, te weten aan [naam slachtoffer 1] , weg te nemen met het oogmerk om het

zich wederrechtelijk toe te eigenen

en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of dat weg

te nemen geldbedrag onder zijn/hun bereik te brengen door middel van een valse

sleutel, te weten een credit card op naam van [naam slachtoffer 1] ,

- met gezichtsbedekking/vermomming in de wachtrij voor de geldautomaat

heeft/hebben gestaan, en/of

- ( vervolgens) voor/bij de geldautomaat is/zijn gaan staan, en/of

- een credit card heeft/hebben gepakt en/of deze in de richting van de

geldautomaat heeft/hebben bewogen, en/of

- op het display en/of het toetsenbord van de geldautomaat heeft/hebben

gewezen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

4.

PNR 812037-20

hij

op of omstreeks 28 september 2019 te Groningen

in/uit een woning, gelegen op/aan de Doornbosheerd,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen

meerdere, althans een, siera(a)d(en) en/of enig geldbedrag, in elk geval enig

goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam slachtoffer 4] en/of

[naam slachtoffer 5] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan hem, verdachte, en/of

zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang

tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of die/dat weg te

nemen goed(eren) en/of geld onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door

middel van braak, verbreking en/of inklimming.