Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:8351

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
11-09-2020
Datum publicatie
24-09-2020
Zaaknummer
C/10/602409 / JE RK 20-2327
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

verzoek schorsen omgangsregeling op grond van artikel 1:265g lid 1 BW afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2020-0246
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd

Zaakgegevens: C/10/602409 / JE RK 20-2327

datum uitspraak: 11 september 2020

beschikking

in de zaak van

de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming west Zuid-Holland Zuid,

hierna te noemen de GI, gevestigd te Dordrecht,

betreffende

[naam minderjarige] , geboren op [geboortedatum minderjarige] 2007 te [geboorteplaats minderjarige] , hierna te noemen [voornaam minderjarige] .

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[naam moeder] , hierna te noemen de moeder, wonende te [woonplaats moeder] ,

[naam vader] , hierna te noemen de vader, wonende te [woonplaats vader] ,

[naam gezinshuisouder 1] , hierna te noemen de gezinshuisouder, wonende te [woonplaats gezinshuisouder 1] ,

[naam gezinshuisouder 2] , hierna te noemen de gezinshuisouder, wonende te

[woonplaats gezinshuisouder 2] .

De kinderrechter merkt als informant aan:

[naam stiefmoeder] , hierna te noemen de stiefmoeder, wonende te [woonplaats stiefmoeder] .

Het procesverloop

Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

- het verzoek met bijlagen van de GI van 13 augustus 2020, ingekomen bij de griffie op
17 augustus 2020;

- een brief met bijlagen van de GI van 1 september 2020, ingekomen bij de griffie op
1 september 2020;

- een brief met bijlagen van de vader van 5 september 2020, ingekomen bij de griffie op
8 september 2020.

- een e-mailbericht met bijlagen van mr. M.E.J. de Hart van 10 september 2020, ingekomen bij de griffie op 10 september 2020.

Op 11 september 2020 heeft de kinderrechter de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld.

Gehoord zijn:

- de moeder, bijgestaan door mr. A. Apistola,

- de vader, bijgestaan door mr. M.E.J. de Hart,

- de stiefmoeder,

- een tweetal vertegenwoordigsters van de GI, te weten mw. [naam vertegenwoordigster 1] en mw. [naam vertegenwoordigster 2] .

De minderjarige [voornaam minderjarige] heeft zijn mening schriftelijk kenbaar gemaakt.

Opgeroepen en niet verschenen zijn:

- de gezinshuisouders.

De feiten

Het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige] wordt uitgeoefend door de ouders.

[voornaam minderjarige] verblijft in een gezinshuis.

Bij beschikking van 23 maart 2018 is bepaald dat dat de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken ten aanzien van de minderjarige [voornaam minderjarige] als volgt zal zijn:

- met [voornaam minderjarige] heeft de man eenmaal per drie weken op zaterdag omgang van 10:30 tot 16.30 uur.

Bij beschikking van 27 september 2019 is de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verlengd tot 7 oktober 2020.

Het verzoek en het standpunt van de GI

De GI heeft verzocht om de omgangsregeling van [voornaam minderjarige] met vader te stoppen voor de duur van zes maanden.

De GI heeft ter zitting het verzoek gehandhaafd en als volgt nader toegelicht.

Vanwege zijn kind-eigen problematiek is de omgang met zijn vader momenteel te belastend voor [voornaam minderjarige] . Hij ervaart de verplichting om omgang met zijn vader te hebben. Als gevolg hiervan laat [voornaam minderjarige] in het gezinshuis heftig en escalerend gedrag zien. Hij heeft voorspelbaarheid in zijn dagelijkse leven nodig en is momenteel gebaat bij rust.

De vader heeft echter moeite om voldoende begrip te tonen voor de kind-eigen problematiek van [voornaam minderjarige] . Zo heeft [voornaam minderjarige] moeite met de aanwezigheid van de stiefmoeder tijdens de omgang met zijn vader. Vervolgens moet de vader herhaaldelijk ervan overtuigd worden dat [voornaam minderjarige] uitsluitend met zijn vader omgang wil hebben. De komende periode zal onderzocht worden welke hulpverlening nodig is om de omgang tussen [voornaam minderjarige] en zijn vader te hervatten. Het is echter moeilijk om de juiste vorm van hulpverlening te vinden. Bovendien zijn er aanzienlijke wachtlijsten.

Het standpunt van de belanghebbenden

Namens de vader heeft zijn advocaat ter zitting verzocht om het verzoek van de GI af te wijzen. Ter onderbouwing van dit standpunt is het volgende aangevoerd.

Het schorsen van de omgang zal de band tussen [voornaam minderjarige] en zijn vader beschadigen terwijl [voornaam minderjarige] en zijn vader het recht hebben op familieleven. De onderbouwing van het verzoek bestaat bovendien uit een rapportage van [naam persoon] , die niet aan de maatstaven die aan een deskundige gesteld moeten worden, voldoet. Daar komt bij dat door de GI geen uitvoering wordt gegeven aan de in de beschikking van 23 maart 2018 vastgestelde omgangsregeling. De omgang tussen [voornaam minderjarige] en zijn vader is immers in de afgelopen jaren alleen maar verminderd. Er is bovendien geen noodzaak voor dit verzoek nu de rechtbank in eerder genoemde beschikking ook heeft overwogen dat de regie over de uitvoering van de omgang tussen [voornaam minderjarige] en zijn vader bij de GI ligt. Daar komt bij dat de vader zich heeft gehouden aan de aanwijzingen van de GI en wat door de GI in de omgang met [voornaam minderjarige] haalbaar werd gevonden. Bovendien kan toewijzing van het verzoek een situatie creëren waarbij er een half jaar niets zal gebeuren. Er is immers geen plan met de vader opgemaakt en niet duidelijk is welke hulpverlening ingezet zal worden om de omgang tussen [voornaam minderjarige] en zijn vader te hervatten. Daar komt ook bij dat sprake is van wachtlijstproblematiek. Nu de GI voornemens is een verzoek te doen naar een gezagsbeëindiging, bestaat de mogelijkheid dat de vader het gezag zal verliezen.

In aanvulling op het betoog van zijn advocaat heeft de vader - verkort en zakelijk weergegeven - verklaard dat hij [voornaam minderjarige] in de afgelopen anderhalf jaar al de ruimte heeft gegeven nu zij in die periode slechts drie keer omgang met elkaar hebben gehad.

Namens de moeder heeft haar advocaat ter zitting bepleit dat het verzoek van de GI in het belang van [voornaam minderjarige] moet worden toegewezen. Ter onderbouwing van dit standpunt is het volgende aangevoerd.

Het is van belang om de feitelijke situatie, namelijk dat er geen uitvoering wordt gegeven aan de omgang tussen [voornaam minderjarige] en zijn vader, met de juridische situatie in overeenstemming te brengen. [voornaam minderjarige] ervaart immers onveiligheid in de omgang met zijn vader. Voor hem is maatwerk van belang.

De beoordeling

Op grond van artikel 1:265g lid 1 van het Burgerlijk Wetboek kan de kinderrechter op verzoek van de gecertificeerde instelling voor de duur van de ondertoezichtstelling een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken of een regeling inzake de uitoefening van het recht op omgang vaststellen of wijzigen voor zover dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk is.

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting overweegt de kinderrechter als volgt.

De kinderrechter stelt voorop dat het voor de ontwikkeling van een kind in beginsel van belang is om onbelast contact met beide ouders te hebben. Daarbij dient de kinderrechter echter ook rekening te houden met art 3 lid 1 van het Internationaal verdrag inzake de rechten van het kind, waarin is bepaald dat bij alle maatregelen betreffende kinderen, ongeacht of deze worden genomen door openbare of particuliere instellingen voor maatschappelijk welzijn of door rechterlijke instanties, bestuurlijke autoriteiten of wetgevende lichamen, de belangen van het kind de eerste overweging vormen.

In de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 23 maart 2018 is een omgangsregeling vastgesteld, waarbij [voornaam minderjarige] één keer per drie weken van 10.30 tot 16.30 uur omgang met zijn vader heeft. De verwachtingen van [voornaam minderjarige] ten aanzien van de omgang met de vader veroorzaken bij [voornaam minderjarige] gevoelens van onveiligheid, die belemmerend werken in zijn dagelijks functioneren en ontwikkeling. Gelet hierop heeft de GI verzocht om de omgang tussen [voornaam minderjarige] en zijn vader voor de duur van zes maanden te schorsen. Beoordeeld moet worden of een dergelijke wijziging in de omgang in het belang van [voornaam minderjarige] noodzakelijk is.

De kinderrechter is van oordeel dat deze wijziging niet noodzakelijk is. Kern van de overwegingen daartoe is dat – door de GI onbestreden – er feitelijk amper omgang met [voornaam minderjarige] is geweest, zeker niet in de recente maanden. De vader houdt zich in de afgelopen periode aan de aanwijzingen van de GI, ook al is hij het daar niet mee eens. De GI stelt dat het verzoek er toe dient de juridische situatie in overeenstemming te brengen met de feitelijke en dat [voornaam minderjarige] daar rust aan ontleend. De kinderrechter ziet echter niet in waarom de GI niet met de door de rechtbank al gegeven mogelijkheid om aanwijzingen te geven die helderheid en zekerheid voor [voornaam minderjarige] kan bewerkstelligen. De GI kan al aanwijzingen geven omdat in eerdergenoemde beschikking van de rechtbank Rotterdam mede is bepaald dat de GI gelet op de kind-eigen problematiek van [voornaam minderjarige] de mogelijkheid heeft de omgangscontacten te monitoren en voor hem te beoordelen of er mogelijkheden en draagkracht zijn ten aanzien van de zorgregeling.

De kinderrechter betrekt in zijn overwegingen dat de gedragswetenschapper van Profilazorg heeft geadviseerd dat het van belang is om [voornaam minderjarige] de komende periode van ten minste een jaar te volgen in zijn wensen met betrekking tot het contact met zijn ouders. Hij heeft geadviseerd dat door de betrokken hulpverlening onderzocht wordt wat voor [voornaam minderjarige] in de omgang met zijn vader haalbaar is en dat veel afhangt van de mogelijkheden en inzet van de vader om hierin die stappen te zetten die [voornaam minderjarige] nodig heeft. [voornaam minderjarige] heeft aan de kinderrechter schriftelijk laten weten dat hij voorlopig geen contact met zijn vader wil. De kinderrechter heeft dit wens duidelijk met de vader gedeeld. Maar het gevraagde is daarvoor niet noodzakelijk. Als de vader volgens de GI moeite heeft om voldoende rekening te houden met de wensen en mogelijkheden van [voornaam minderjarige] , ligt het op de weg van de GI om op aan de vader een schriftelijke aanwijzing te geven.

Ook is van belang dat indien het verzoek van de GI zou worden toegewezen, het naar verwachting meer dan zes maanden zal duren voordat begonnen gaat worden met het op gang brengen van de omgang tussen [voornaam minderjarige] en zijn vader, hetgeen niet nu al in het belang van [voornaam minderjarige] wordt geacht.

Gelet op al het vorenstaande is de kinderrechter van oordeel dat het verzoek tot schorsing van de omgang tussen [voornaam minderjarige] en de vader niet in het belang van [voornaam minderjarige] moet worden geacht. Daarom zal dit verzoek gelet op al het vorenstaande worden afgewezen.

De beslissing

De kinderrechter:

wijst het verzoek af.

Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 11 september 2020 door mr. M. van Kuilenburg, kinderrechter, in tegenwoordigheid van D. van der Aa als griffier.

De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 23 september 2020.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof
Den Haag.