Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:8313

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
24-09-2020
Datum publicatie
24-09-2020
Zaaknummer
8524285 VZ VERZ 20-9554
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

deelgeschil, kop-staartbotsing, toedracht staat niet vast, zaak leent zich niet voor behandeling als deelgeschil, geen kostenbegroting, arikel 1019aa Rv

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Zaaknummer: 8524285 VZ VERZ 20-9554

Uitspraak: 24 september 2020

Beschikking ex artikel 1019w Rv van de kantonrechter, zittinghoudende te Rotterdam,

in de zaak van

[verzoekster] , hierna: ‘ [verzoekster] ’,

wonende te [woonplaats verzoekster] ,

verzoekster,

gemachtigde: mr. G. Grijs te Rotterdam,

tegen

de naamloze vennootschap

ALLIANZ BENELUX N.V., hierna: ‘Allianz’,

gevestigd te Brussel, kantoorhoudende te Rotterdam,

verweerster,

gemachtigde: mr. H.A. Kragt te Arnhem.

1. Het verloop van de procedure

1.1

Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken:

 het verzoekschrift, met producties;

 de brief van 13 augustus 2020 van de gemachtigde van [verzoekster] , met daarbij gevoegd een usb-stick met daarop een videobestand;

 de brief van 20 augustus 2020 van de gemachtigde van [verzoekster] , met aanvullende producties;

 het verweerschrift, met producties.

1.2

De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgehad op 3 september 2020. Toen is [verzoekster] verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde, mr. G. Grijs. Ter andere zijde zijn verschenen de dames [naam persoon 1] en [naam persoon 2] namens Allianz, bijgestaan door de gemachtigde van Allianz, mr. H.A. Kragt voornoemd.

1.3

Beide gemachtigden hebben ieder het eigen standpunt mondeling toegelicht. Daarbij heeft de gemachtigde van [verzoekster] , onder overlegging van een schriftelijk stuk, verklaard het petitum (deels) te willen wijzigen, waartegen van de zijde van Allianz geen bezwaar is gemaakt. Voorts heeft de gemachtigde van [verzoekster] een aantal ‘stills’ (afdrukken van stilstaand filmbeeld) in het geding gebracht en daarop een toelichting gegeven. Ook partijen zelf zijn in de gelegenheid gesteld een toelichting te geven. Van hetgeen (overigens) ter zitting is verhandeld, heeft de griffier aantekening gehouden.

1.4

De kantonrechter heeft de datum van deze uitspraak bepaald op heden.

2. De vaststaande feiten

Uitgegaan wordt van de volgende feiten, nu deze enerzijds zijn gesteld dan wel blijken uit de overgelegde stukken en anderzijds zijn erkend of onvoldoende gemotiveerd zijn betwist:

2.1

Op 18 juni 2018, omstreeks 05.21 uur, is [verzoekster] , als bestuurder van een Ford Focus gekentekend [kentekennummer 1] op de A38 te Ridderkerk bij een verkeersongeval betrokken geraakt, waarbij de door haar bestuurde auto van achteren is aangereden door een toen door de heer [naam persoon 3] (hierna: ‘ [naam persoon 3] ’) bestuurde Fiat Panda, met kenteken [kentekennummer 2] , die op dat moment (WAM-)verzekerd was bij Allianz.

2.2

[verzoekster] en haar passagier, de heer [naam passagier] , zijn na het ongeval beiden per ambulance naar het ziekenhuis gebracht.

2.3

De politie heeft de plaats van het ongeval bezocht. Aan het ter zake opgemaakte proces-verbaal wordt het volgende ontleend:

“(…)

Toedracht

Melding aanrijding kop staart op de A38 20.3 re te Ridderkerk. Daarbij is het voertuig met kenteken [kentekennummer 2] achter op de [kentekennummer 1] gereden ter hoogte van de afrit Feijenoord Rotterdam. Beide voertuigen reden in de richting van Rotterdam komende uit de richting van Bolnes/Ridderkerk. Het vermoeden bestaat dat de bestuurder van de [kentekennummer 1] , [verzoekster] richting Dordrecht moest rijden, maar op de verkeerde weg zat (afslag Feijenoord). Hierdoor heeft [verzoekster] vermoedelijk bijna stilgestaan op de rijbaan, waardoor de bestuurder van de [kentekennummer 2] , [naam persoon 3] , niet meer kon uitwijken door het snelheidsverschil en is op de achterkant van de [kentekennummer 1] ingereden. Beide voertuigen zijn tot stilstand gekomen op het puntstuk/afrit Feijenoord.”

2.4

[verzoekster] heeft op het door ingevulde schadeformulier verklaard dat de tegenpartij ( [naam persoon 3] ) ‘met wat anders bezig was’ en hen (de Ford Focus) niet zag alsook dat zij op het moment van de aanrijding plusminus 50 kilometer per uur reed.

2.5

Haar passagier, de heer [naam passagier] , heeft de volgende schriftelijke verklaring gegeven:

“(…)

Het was een rustige zomer ochtend was om 5.20 in de ochtend, was klaar lichte dag mijn schoonmoeder bracht me naar mijn 1ste werk dag van mijn nieuwe baan.

We reden ongeveer 60 km richting Ridderkerk om E19/A16. Plotseling hoorden wij een harde klap achter ons een auto klapte bij ons achterop, door die klap was ik flauw gevallen. Toen ik weer bij kwam was de politie bij en de Ambulance.

(…)”.

2.6

[naam persoon 3] heeft op het door hem ingevulde schadeformulier de volgende situatieschets van het ongeval gemaakt:

[ afbeelding situatieschets met gegevens van partijen]

2.7

Op dat schadeformulier heeft [naam persoon 3] met betrekking tot de aansprakelijkheidsvraag het volgende geantwoord:

“Auto die ik had aangereden stond stil op de oprit A38/A16 zonder noodlicht. Omdat voor mij nog een auto reed die rechtdoor bleef rijden en ik naar rechts heb ik niet kunnen zien auto die ik botste. Dit waren enkele seconden. Ik voel me niet schuldig.”

2.8

Allianz heeft aansprakelijkheid voor het ontstaan van het ongeval van de hand gewezen. In dat verband heeft zij de voormalige belangenbehartiger van [verzoekster] per e-mail van 1 augustus 2019 het volgende geschreven:

“(…)

Wij handhaven ons standpunt; wij erkennen de aansprakelijkheid voor het ontstaan van het ongeval niet.

Het proces-verbaal is opgesteld door de politie en ondersteunt de lezing van onze verzekerde. Hierin wordt aangegeven dat uw cliënte zonder verkeersnoodzaak bijna stil stond. Uw cliënte heeft zelf aangegeven ongeveer 50 km/u te hebben gereden waar de maximale snelheid 100 km/u bedraagt. (…) Indien uw cliënte inderdaad dermate langzaam zou hebben gereden, dan zou zij een onveilige verkeerssituatie hebben gecreëerd. Onze verzekerde kon en hoefde niet verwachten dat uw cliënte zo langzaam reed. Zij voerde ook geen noodverlichting, wat zou kunnen duiden op gevaar.

(…)”.

3. Het geschil

3.1

[verzoekster] heeft (na wijziging van het petitum, zie 1.3) op de voet van artikel 1019w Rv (de deelgeschilprocedure betreffende letsel- en overlijdensschade) verzocht bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad:

i. voor recht te verklaren dat Allianz volledig aansprakelijk is voor de door haar geleden en te lijden schade ten gevolge van de aanrijding op 18 juni 2018 dan wel een in goede justitie te bepalen percentage van de door haar geleden schade, en

de buitengerechtelijke kosten voor de periode vanaf het opstellen van het verzoekschrift en daarnaast de buitengerechtelijke kosten met betrekking tot dit geding, alsmede de overige kosten van dit geding, te begroten.

3.2

Ter toelichting daarop heeft [verzoekster] naast de onder 2 genoemde feiten -samengevat en voor zover thans van belang- aangevoerd dat zij op de bewuste ochtend vaart minderde in verband met een splitsing in de weg en toen, terwijl zij 50 á 60 kilometer per uur reed, van achteren werd aangereden door [naam persoon 3] , dit met aanmerkelijke materiële en immateriële schade voor [verzoekster] en haar passagier tot gevolg. Daarbij heeft zij toegelicht dat op de desbetreffende afrit de snelheid door middel van verkeersborden wordt teruggebracht naar maximaal 70 kilometer per uur en dat zij, toen zij deze afrit opmerkte, haar snelheid heeft verlaagd naar 50 á 60 kilometer per uur. Het door de politie in het proces-verbaal (zie 2.3) neergelegde vermoeden dat de auto van [verzoekster] bijna zou hebben stilgestaan, is niet juist. De politie heeft [verzoekster] noch haar passagier ter plaatse iets over het ongeval gevraagd en ook is er geen onderzoek gedaan door de technische recherche. Overigens was het een zeer overzichtelijke situatie, met helder zicht, zodat [naam persoon 3] , die vanwege zijn woonplaats ter plekke bekend is met de betreffende afrit, een stilstaande dan wel langzaam rijdende auto, die ook nog opvallend groen is, honderden meters van tevoren had kunnen zien. [verzoekster] meent dat [naam persoon 3] gewoon niet goed heeft opgelet.

Nu [naam persoon 3] achterop de door [verzoekster] bestuurde auto is gereden, is zijn aansprakelijkheid voor de daardoor ontstane schade van [verzoekster] in beginsel gegeven. Indien en voor zover er sprake zou zijn geweest van eigen schuld van [verzoekster] , is het aan Allianz om dat aan te tonen, hetgeen zij niet heeft gedaan. [verzoekster] verzoekt dan ook voor recht te verklaren dat Allianz volledig, althans voor een in goede justitie te bepalen percentage, aansprakelijk is voor de schade van [verzoekster] als gevolg van het haar overkomen verkeersongeval en de kosten bij de behandeling van het verzoek te begroten op € 2.288,-, zijnde 6,5 uur á € 352,- inclusief bureaukosten (6%) en btw (21%) per uur.

3.3

Allianz heeft gemotiveerd verweer gevoerd, dat strekt tot niet-ontvankelijk verklaring dan wel afwijzing van het door [verzoekster] verzochte, met -in beide gevallen- bepaling dat de kosten verbonden aan dit deelgeschil niet voor vergoeding in aanmerking komen, dan wel deze te begroten op nihil.

3.4

Daartoe heeft Allianz -ook samengevat en voor zover nu van belang- aangevoerd dat zij niet aansprakelijk is omdat het ontstaan van het ongeval aan [verzoekster] zelf te wijten is. Uit de verklaring van [naam persoon 3] (zie 2.7) blijkt immers dat de door haar bestuurde auto stil stond terwijl daar een maximum snelheid van 100 kilometer per uur geldt. [verzoekster] heeft dus een onveilige verkeerssituatie gecreëerd door, zonder reden, (nagenoeg) stil te staan op de afrit, ook zonder haar gevarenlichten te laten branden. Ook het proces-verbaal van de politie duidt erop dat de auto van [verzoekster] (nagenoeg) stil stond. Allianz betwist dan ook dat [verzoekster] juist voor de aanrijding met een snelheid van 50 á 60 kilometer per uur zou hebben gereden. Het was voor [naam persoon 3] vanwege het snelheidsverschil niet meer mogelijk uit te wijken zodat hij met zijn auto achterop de door [verzoekster] bestuurde auto is gereden. Hij hoefde in redelijkheid geen rekening te houden met een zonder reden stilstaande auto, te minder nu daar met een behoorlijke snelheid mag worden gereden. Door het handelen van [verzoekster] kon [naam persoon 3] zijn auto niet tijdig tot stilstand brengen dan wel uitwijken. Er was derhalve sprake van overmacht. En zelfs als juist zou zijn dat [verzoekster] toen niet stil stond, dan valt niet in te zien waarom zij haar snelheid ter plaatse drastisch heeft verminderd tot 50 kilometer per uur terwijl 100 kilometer per uur was toegestaan. Bovendien heeft zij alsdan haar snelheid al ruim voordat de adviessnelheid van 100 naar 70 kilometer werd aangepast, verminderd. Ook in dat scenario kon [naam persoon 3] niet tijdig remmen om de botsing te vermijden.

Verder is van belang dat ook op de afrit een maximum snelheid van 100 kilometer per uur geldt en dat de aanrijding plaatsvond ver voordat door middel van een verkeersbord een snelheid van 70 kilometer wordt geadviseerd. Of dat advies moet worden opgevolgd, is afhankelijk van de omstandigheden, zoals verkeersdrukte of verminderd zicht. In dit geval reed [naam persoon 3] voorafgaand aan de aanrijding achter een andere auto en kon hij niet zien dat [verzoekster] stil stond dan wel onverantwoord zacht reed. Dat hoefde [naam persoon 3] ook niet te verwachten, nu het niet druk was en ook de overige omstandigheden geen aanleiding gaven te veronderstellen dat een weggebruiker op de afrit dusdanig snelheid zou minderen. Allianz betwist dan ook dat [naam persoon 3] al ruim voor de aanrijding de stilstaande of langzaam rijdende auto van [verzoekster] , die overigens geen opvallend groene kleur heeft, kan hebben gezien.

Niet alleen betwist Allianz derhalve dat [naam persoon 3] aansprakelijk is voor het ontstaan van het ongeval, ook is niet gebleken dat [verzoekster] door het ongeval letsel heeft opgelopen. De door haar overgelegde medische informatie is in dat verband onvoldoende. Vanwege de discussie over de toedracht van het ongeval meent Allianz dat deze kwestie, waarin nadere bewijsvoering nodig is, zich niet leent voor behandeling als deelgeschil. Voor het geval de kantonrechter daarover anders zou oordelen en hij Allianz aansprakelijk zou achten, beroept Allianz zich op eigen schuld van [verzoekster] . Zij heeft immers de primaire verkeersfout begaan en heeft daarmee de grootste bijdrage geleverd aan het ontstaan van het ongeval.

Voorts verzet Allianz zich tegen toewijzing van de door [verzoekster] verlangde begroting van de kosten bij de behandeling van het verzoek.

3.5

Op hetgeen partijen overigens nog naar voren hebben gebracht, wordt hierna, voor zover van belang voor de uitkomst van de procedure, teruggekomen.

4. De beoordeling

4.1

[verzoekster] heeft haar verzoek tegen Allianz gebaseerd op de Wet deelgeschilprocedure voor letsel- en overlijdensschade (artikelen 1019w-1019cc Rv). Allereerst dient beoordeeld te worden of dat verzoek, gezien ook het ter zake door Allianz gevoerde verweer, zich leent voor behandeling in een deelgeschilprocedure als bedoeld in artikel 1019w e.v. Rv.

4.2

Onder punt 8 van haar verzoekschrift heeft [verzoekster] gesteld dat nu [naam persoon 3] achterop haar auto is gereden, in beginsel is gegeven dat hij althans Allianz aansprakelijk is. Daarin kan de kantonrechter haar echter niet volgen. Volgens de hoofdregel van artikel 150 Rv draagt de partij die zich beroept op de rechtsgevolgen van door haar gestelde feiten, de bewijslast van die feiten, tenzij uit enige bijzondere regel of uit de eisen van redelijkheid en billijkheid een andere verdeling van de bewijslast voortvloeit. Het is dus ingeval van, zoals hier, gemotiveerde betwisting van de door [verzoekster] gestelde toedracht van het ongeval in beginsel aan haar te bewijzen dat [naam persoon 3] -kort gezegd- op onzorgvuldige wijze aan het verkeer heeft deelgenomen en daardoor tegen de door [verzoekster] bestuurde auto is gebotst. De enkele omstandigheid dat hij achterop de auto van [verzoekster] is gebotst, rechtvaardigt naar vaste jurisprudentie bij kop-staartbotsingen geen uitzondering op deze hoofdregel (zie onder meer ECLI:NL:GHSHE:2019:2118). Aan de beoordeling van de vraag of er sprake is van eigen schuld van [verzoekster] aan het ontstaan van aanrijding (en zo ja, in welke mate), wordt eerst toegekomen nadat de aansprakelijkheid voor de aanrijding is vastgesteld.

4.3

Partijen worden verdeeld gehouden door de feitelijke toedracht van het ongeval. Zonder nader bewijs staat daarom niet vast of het ongeval, naar Allianz heeft gesteld, meer bij het puntstuk van de afrit (hectometerpaal 20.2), dan wel, naar [verzoekster] meent, verderop, bij of voorbij hectometerpaal 20.3 heeft plaatsgehad, in beide gevallen overigens ruim voor het voorbij hectometerpaal 20.4 geplaatste verkeersbord waarop, bij een maximumsnelheid van 100 kilometer per uur, een adviessnelheid van 70 kilometer per uur staat vermeld.

Omdat ook op het punt van de snelheid waarmee [verzoekster] vlak voor de aanrijding gereden heeft de lezingen van partijen uiteenlopen, staat evenmin vast dat het voertuig van [verzoekster] , naar zij heeft gesteld, juist voor de aanrijding 50 (á 60) kilometer per uur reed, dan wel, naar Allianz heeft aangevoerd, (nagenoeg) stil stond.

4.4

Bij deze stand van zaken kan zonder verdere bewijsvoering niet worden vastgesteld dat [naam persoon 3] op onzorgvuldige wijze aan het verkeer heeft deelgenomen en dat hij daardoor de onderhavige aanrijding heeft veroorzaakt. Derhalve dringt zich de vraag op of er in het kader van deze deelgeschilprocedure ruimte is om [verzoekster] , op wie hier, als gezegd, op grond van artikel 150 Rv de last rust de door haar gestelde toedracht van het ongeval te bewijzen, toe te laten tot die bewijslevering.

4.5

Bij de beantwoording daarvan moet voor ogen gehouden worden genomen worden dat de deelgeschilprocedure betrokkenen bij een geschil over letsel- of overlijdensschade in de buitengerechtelijke onderhandelingsfase een eenvoudige en snelle toegang tot de rechter biedt, ter bevordering van de totstandkoming van een minnelijke regeling. Gegeven het doel om de buitengerechtelijke onderhandelingen te bevorderen, dient de rechter steeds van geval tot geval te beoordelen of de verzochte beslissing voldoende aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst kan bijdragen. Aldus moet de investering in tijd, geld en moeite afgewogen worden tegen het belang van de vordering en de bijdrage die een beslissing aan de totstandkoming van een minnelijke regeling kan leveren. In het algemeen zal de aard van deze procedure zich daarom verzetten tegen (uitvoerige) bewijsvoering.

4.6

In dit geval ziet de kantonrechter geen aanleiding om af te wijken van dat uitgangspunt. Tot dat oordeel heeft bijgedragen dat, zoals ook ter mondelinge behandeling aan de orde is gesteld, voor de hand ligt dat in het kader van die bewijsvoering niet alleen [verzoekster] en [naam persoon 3] maar ook de passagier van [verzoekster] (de heer [naam passagier] ) en de agenten die ter plaatse zijn geweest en die het proces-verbaal hebben opgesteld als getuige worden voorgedragen. Ook een technisch onderzoek is in dat kader niet ondenkbeeldig. Derhalve zou het verstrekken van een bewijsopdracht in deze procedure naar verwachting leiden tot een zodanig uitvoerige bewijsvoering, met alle daarmee gepaard gaande hoeveelheid tijd, kosten en moeite, dat dit zich niet verhoudt met de aard van de deelgeschilprocedure. Het verzoek wordt daarom afgewezen.

4.7

Uit de parlementaire geschiedenis bij artikel 1019aa Rv volgt dat ook als het verzoek wordt afgewezen, de kosten van de procedure dienen te worden begroot ténzij deze volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld. Die laatste situatie doet zich hier voor. Uit de overgelegde correspondentie tussen (de gemachtigden van) partijen, waarin de door [verzoekster] gestelde toedracht door Allianz gemotiveerd werd bestreden, de door [verzoekster] en [naam persoon 3] op het door hen ingevulde schadeformulier gegeven divergerende lezingen voor wat betreft de toedracht en het proces-verbaal van de politie, had [verzoekster] immers in redelijkheid moeten begrijpen dat het zou aankomen op (uitvoerige) bewijslevering, waarvoor deze procedure zich naar haar aard niet leent. Er is dan ook geen sprake van in redelijkheid gemaakte kosten.

5. De beslissing

De kantonrechter:

- wijst het verzoek af;

- begroot de redelijke kosten bij de behandeling van het verzoek aan de zijde van [verzoekster] op nihil.

Deze beschikking is gegeven door mr. W.J.J. Wetzels en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

654